Rechtspraak
Rechtbank Rotterdam
2023-07-26
ECLI:NL:RBROT:2023:7631
Civiel recht; Insolventierecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
1,787 tokens
Inleiding
Rechtbank Rotterdam
Team insolventie
voorlopige voorziening ex artikel 287b Faillissementswet: toewijzing
toepassing schuldsaneringsregeling: niet-ontvankelijk
rekestnummers: [nummer]
uitspraakdatum: 26 juli 2023
[verzoekster]
,
wonende te [adres]
[woonplaats],
verzoekster.
Procesverloop
Verzoekster heeft op 11 juli 2023, met een verzoekschrift ex artikel 284 Faillissementswet (Fw), een verzoekschrift ex artikel 287b, eerste lid, Fw ingediend, waarin wordt gevraagd om een voorlopige voorziening bij voorraad.
In het vonnis van deze rechtbank van 11 juli 2023 heeft de rechtbank de behandeling van het verzoekschrift bepaald op 20 juli 2023.
Ter zitting van 20 juli 2023 zijn verschenen en gehoord:
verzoekster;
de heer mr. J. Pearson, werkzaam bij JAW advocaten, advocaat namens verzoekster;
de heer N. de Koning, werkzaam bij NDK vastgoedmanagement, namens [verweerder], woonplaats kiezende te Alphen aan den Rijn (hierna: verweerder).
De advocaat van verzoekster heeft ter zitting aanvullende stukken overgelegd.
De rechtbank heeft de uitspraak bepaald op heden.
2. Het verzoek
Het verzoek strekt ertoe op grond van artikel 287b, eerste lid, Fw, gedurende een termijn van zes maanden bij uitspraak een voorlopige voorziening te treffen en verweerder te verbieden het vonnis van de Rechtbank Rotterdam van 4 mei 2023 tot ontruiming van de woonruimte van verzoekster ten uitvoer te leggen.
Verzoekster heeft ter zitting verklaard dat de huurachterstand is ontstaan in de periode dat zij is gestopt met haar studie en zonder werk is komen te zitten. Verzoekster had hierdoor niet voldoende inkomsten om de lopende huurtermijnen te betalen. Ter zitting is gebleken dat verzoekster thans inkomsten heeft uit een fulltime dienstbetrekking ter hoogte van ongeveer € 1.900,00 bruto per maand. Met de huidige inkomsten is verzoekster in staat om de vaste lasten volledig en op tijd te betalen. De huur van augustus 2023 is door verzoekster betaald. Verzoekster heeft in dit kader een bankafschrift overgelegd. Uit het verzoekschrift en het verhandelde ter zitting is gebleken dat verzoekster zich recentelijk heeft aangemeld bij schuldhulpverlening, om zodoende een schuldhulpverleningstraject te starten.
3. Het verweer
Verweerder heeft ter zitting verklaard er niet op uit te zijn om verzoekster uit de woning te zetten. Verweerder zag echter geen andere oplossing. Verweerder kreeg geen contact met verzoekster. Aangezien de huur niet werd betaald en verweerder ondanks meerdere pogingen geen contact kreeg met verzoekster, is de stap naar de rechtbank gezet. Verweerder staat er evenwel nog steeds voor open om een regeling te treffen met verzoekster. Verweerder heeft ter zitting aangegeven zich te conformeren aan de uitspraak van de rechtbank.
Beoordeling
Allereerst dient te worden beoordeeld of sprake is van een bedreigende situatie zoals dwingend is voorgeschreven in artikel 287b, tweede lid, Fw. Nu verzoekster een kopie van het vonnis van de Rechtbank Rotterdam van 4 mei 2023 tot ontruiming van de woonruimte van verzoekster en een kopie van het exploot van 22 juni 2023 heeft overgelegd waarin wordt aangekondigd dat verweerder op 12 juli 2023 zal overgaan tot ontruiming van de woning van verzoekster, is er naar het oordeel van de rechtbank sprake van een bedreigende situatie.
De wetgever heeft met een moratorium beoogd om een schuldenaar bij een – dreigende – executie een adempauze te bieden opdat de schuldenaar in staat wordt gesteld om met zijn schuldeisers een regeling van zijn schulden overeen te komen.
Artikel 287b Fw bevat geen criterium op grond waarvan kan worden beslist of de voorlopige voorziening dient te worden toegewezen dan wel afgewezen. De rechtbank zoekt daarom aansluiting bij de voorziening zoals genoemd in artikel 287, vierde lid, Fw waarbij een afweging dient plaats te vinden tussen het belang van verzoekster enerzijds en de schuldeiser, in dit geval verweerder, anderzijds.
Het belang van verzoekster bestaat erin dat zij in de huurwoning kan blijven wonen en dat het minnelijk schuldhulpverleningstraject door verzoekster kan worden doorlopen.
Het belang van verweerder bestaat erin dat hij het vonnis van 4 mei 2023 ten uitvoer kan leggen.
Naar het oordeel van de rechtbank is voldoende aannemelijk geworden dat de lopende termijnen kunnen en zullen worden voldaan. Verzoekster heeft een bankafschrift overgelegd waaruit blijkt dat zij de huur van augustus 2023 heeft voldaan. Verzoekster ontvangt inkomsten uit een fulltime dienstbetrekking ter hoogte van ongeveer € 1.900,00 bruto. Daarmee heeft verzoekster voldoende inkomen om de lopende huurtermijnen te betalen. De rechtbank neemt verder in haar overwegingen mee dat verweerder zich niet tegen het verzoek verzet. Tegen deze achtergrond dient het belang van verzoekster zwaarder te wegen dan het belang van verweerder.
De rechtbank acht termen aanwezig om ter zekerheid van de belangen van verweerder in het dictum een voorwaarde op te nemen. De verzochte voorziening zal onder de in het dictum genoemde voorwaarde worden toegewezen.
Nu het minnelijk traject naar verwachting niet op korte termijn zal zijn afgerond, zal verzoekster gelet op het bepaalde in artikel 285, eerste lid, sub f, in samenhang met artikel 287, tweede lid, Fw, ten aanzien van het verzoek tot toelating tot de schuldsaneringsregeling ex artikel 284, tweede lid, Fw, niet-ontvankelijk worden verklaard. Zo nodig kan verzoekster te zijner tijd een nieuw verzoek indienen.
Dictum
De rechtbank:
- schort de tenuitvoerlegging op van het op 4 mei 2023 op verzoek van verweerder uitgesproken vonnis van deze rechtbank tot ontruiming van de huurwoning van verzoekster gelegen aan de [adres], voor de duur van deze voorziening en verlengt de huurovereenkomst zoals deze tussen partijen bestaat of bestond voor de duur van deze voorziening;
- bepaalt dat de genoemde voorziening geldt voor de duur van zes maanden;
- bepaalt dat deze voorziening slechts geldt zolang de lopende termijnen gedurende deze periode tijdig worden voldaan;
- bepaalt dat schuldhulpverlener die namens verzoekster de buitengerechtelijke schuldregeling gaat uitvoeren, uiterlijk twee weken voor het aflopen van de getroffen voorziening verslag uitbrengt als bedoeld in artikel 287b, zesde lid, Fw;
- verklaart verzoekster niet-ontvankelijk in haar verzoek ex artikel 284, tweede lid, Fw.
Dit vonnis is gewezen door mr. W.J. Roos-van Toor, rechter, en in aanwezigheid van
mr. T.M.M. de Laat, griffier, in het openbaar uitgesproken op 26 juli 2023.