Rechtspraak
Rechtbank Rotterdam
2023-08-18
ECLI:NL:RBROT:2023:7420
Civiel recht; Verbintenissenrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
2,769 tokens
Inleiding
RECHTBANK ROTTERDAM
locatie Rotterdam
zaaknummer: 10409624 CV EXPL 23-8343
datum uitspraak: 18 augustus 2023
Vonnis van de kantonrechter
in de zaak van
Hiltermann Lease B.V.,
vestigingsplaats: Hoofddorp,
gemachtigde: Janssen & Janssen c.s. Gerechtsdeurwaarders,
eiseres,
tegen
1.
[gedaagde 1],
vestigingsplaats: [vestigingsplaats],
vertegenwoordigd door: [gedaagde 2],
2. [gedaagde 2],
woonplaats: [woonplaats 1],
die zelf procedeert,
3. [gedaagde 3],
woonplaats: [woonplaats 2],
die niet is verschenen,
gedaagden.
De partijen worden hierna ‘Hiltermann’ en ‘gedaagden’ genoemd. De gedaagden worden afzonderlijk ‘[gedaagde 1]’, ‘[gedaagde 2]’ en ‘[gedaagde 3]’ genoemd.
Procesverloop
1.1.
Het dossier bestaat uit de volgende processtukken:
de dagvaarding van 13 maart 2023, met bijlagen;
de aantekeningen van het mondelinge verweer van [gedaagde 1] en [gedaagde 2].
1.2.
Op 18 juli 2023 is de zaak tijdens een mondelinge behandeling besproken. Namens Hiltermann waren hierbij [naam 1] (senior debiteurenbeheerder) en [naam 2] (namens de gemachtigde) aanwezig. De gedaagden zijn ook voor de zitting uitgenodigd, maar zij zijn niet verschenen, zonder dat zij zich van tevoren hebben afgemeld.
Beoordeling
Waar gaat het om?
2.1.
Hiltermann heeft een huurkoopovereenkomst (financial lease) met [gedaagde 1] gesloten. Op grond van die overeenkomst mocht [gedaagde 1] een Renault Mégane gebruiken, die het eigendom van Hiltermann is. In ruil daarvoor moest zij vijf jaar lang iedere maand een leasebedrag van € 242,33 betalen. Aan het eind van die vijf jaar zou de auto het eigendom van [gedaagde 1] worden, als zij alle leasebedragen zou hebben betaald. In deze procedure stelt Hiltermann dat [gedaagde 1] een betalingsachterstand heeft laten ontstaan. Ze eist dat de kantonrechter voor recht verklaart dat zij daarom terecht de overeenkomst heeft ontbonden. Verder eist ze dat gedaagden hoofdelijk worden veroordeeld om de auto in te leveren (op straf van een dwangsom) en om te betalen:
€ 18.997,25, met rente;
€ 859,10 als Hiltermann de auto moet innemen;
€ 211,75 als Hiltermann aangifte zou moeten doen;
de proceskosten.
2.2.
[gedaagde 1] en [gedaagde 2] hebben verweer gevoerd. Zij hebben aangegeven dat er al binnen een maand problemen met de auto waren, waardoor zij deze een aantal keer niet konden gebruiken. Daardoor had [gedaagde 1] geen inkomsten en is een achterstand ontstaan.
2.3.
De kantonrechter wijst het grootste deel van de eisen van Hiltermann toe. In dit vonnis wordt dit oordeel toegelicht.
Tegen [gedaagde 3] wordt verstek verleend
2.4.
[gedaagde 2] heeft bij zijn mondelinge reactie aangegeven dat hij ook namens [gedaagde 3] reageerde. De kantonrechter heeft meegedeeld dat [gedaagde 2] daarvoor een machtiging moet overhandigen (artikel 80 lid 2 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv)). Dat heeft [gedaagde 2] niet gedaan. [gedaagde 3] is daarom niet in deze procedure verschenen. Aangezien de dagvaarding wel voldoet aan alle wettelijke vereisten, wordt tegen haar verstek verleend (artikel 139 Rv).
[gedaagde 2] en [gedaagde 3] worden hoofdelijk veroordeeld
2.5.
[gedaagde 2] en [gedaagde 3] zijn de vennoten van [gedaagde 1]. Op grond van de wet zijn zij hoofdelijk verbonden aan de overeenkomsten van [gedaagde 1] (artikel 18 Wetboek van Koophandel). De veroordelingen uit dit vonnis worden daarom hoofdelijk uitgesproken, zoals ook door Hiltermann is geëist. Waar in dit vonnis wordt gesproken over [gedaagde 1], worden dus ook [gedaagde 2] en [gedaagde 3] bedoeld.
De overeenkomst is rechtsgeldig ontbonden
2.6.
Hiltermann stelt dat [gedaagde 1] vanaf augustus 2022 een leasebedrag van € 242,33 per maand moest betalen en in augustus 2022 daarnaast € 181,50 aan administratiekosten. Zij stelt dat [gedaagde 1] alleen maar twee keer € 242,33 heeft betaald en daarna niets meer, ondanks aanmaningen van Hiltermann. Dit is door [gedaagde 1] niet betwist. Er was dus op 28 februari 2023 sprake van een achterstand van € 1.393,15 (5 x € 242,33 + € 181,50). Dit is een ernstige tekortkoming in de nakoming van de overeenkomst.
2.7.
[gedaagde 1] heeft in haar verweer aangevoerd dat de auto kapot was en dat zij daardoor geen inkomsten had. Als dit verweer klopt, is dit uiteraard heel vervelend voor [gedaagde 1], maar zij had dan nog steeds de leasebedragen moeten betalen. Dat staat namelijk in de algemene voorwaarden (artikel 14). Dat maakt de tekortkoming dus niet minder groot. Dat geldt nog meer omdat [gedaagde 1] bijna niets betaald heeft en ook niet gesteld of gebleken is dat de kapotte auto daar steeds de reden van was.
2.8.
Op 28 februari 2023 verkeerde [gedaagde 1] van rechtswege in verzuim, omdat in de overeenkomst staat dat de bedragen steeds voor de eerste dag van de maand betaald moeten worden (artikel 6:81 en 83 sub a van het Burgerlijk Wetboek (BW) in combinatie met artikel 2.3 van de overeenkomst). Hiltermann had gezien de ernstige tekortkoming van [gedaagde 1] het recht om de overeenkomst te ontbinden (artikel 6:265 BW). Zij heeft dat op die dag gedaan. De verklaring voor recht dat de overeenkomst rechtsgeldig buitengerechtelijk is ontbonden wordt daarom toegewezen.
[gedaagde 1] moet de auto afgeven
2.9.
Omdat de overeenkomst is ontbonden heeft [gedaagde 1] geen recht meer op het gebruik van de auto en moet zij die aan Hiltermann teruggeven (artikel 5:2 BW). Deze eis van Hiltermann wordt toegewezen. Ook de dwangsom wordt toegewezen, omdat [gedaagde 1] tot vandaag de auto niet heeft ingeleverd, ondanks verzoeken van Hiltermann (artikel 611a Rv). De rechter matigt de dwangsom, ook met het oog op de waarde van de auto, tot € 200,- per dag, met een maximum van € 15.000,-.
[gedaagde 1] moet een schadevergoeding met wettelijke rente betalen
2.10.
Op grond van de wet moet [gedaagde 1] de schade vergoeden die Hiltermann door de ontbinding lijdt (artikel 6:277 BW). Hiltermann heeft onbetwist gesteld dat haar schade bestaat uit de bedragen die zij nog van [gedaagde 1] zou hebben ontvangen op grond van de overeenkomst, min de verkoopwaarde van de auto. De kantonrechter begrijpt dat [gedaagde 1] volgens Hiltermann nog € 17.144,60 had moeten betalen, namelijk de achterstand van € 1.393,15 en 65 termijnen van € 242,33. De eis tot betaling van dit bedrag wordt daarom toegewezen, met de bepaling dat de waarde van de auto van deze schade moet worden afgetrokken, als [gedaagde 1] deze inlevert.
2.11.
Hiltermann eist over deze schadevergoeding de contractuele rente van 1,5% per maand. Die eis kan niet worden toegewezen. Deze betalingsverplichting vloeit namelijk niet voort uit de overeenkomst, maar uit de wet. Om dezelfde reden is ook de wettelijke handelsrente niet toewijsbaar (artikel 6:119a BW). De meer subsidiair geëiste wettelijke rente wordt daarom toegewezen (artikel 6:119 BW).
De rente wordt toegewezen vanaf de verzuimdatum
2.12.
Hiltermann stelt dat de rente berekend tot 8 maart 2023 € 138,19 bedraagt. Ze heeft niet laten zien hoe dit bedrag is opgebouwd, maar gelet op 2.11 gaat de kantonrechter ervan uit dat dit verkeerd is berekend. De rente wordt daarom toegewezen vanaf de datum van verzuim. Dat is de datum van de ontbinding, 28 februari 2023 (artikel 6:83 sub b BW).
[gedaagde 1] moet € 946,45 aan buitengerechtelijke kosten betalen
2.13.
Hiltermann eist op grond van de algemene voorwaarden een vergoeding van buitengerechtelijke kosten van 10% van de hoofdsom (artikel 53). Deze eis is niet toewijsbaar. De overeenkomst en daarmee de algemene voorwaarden zijn namelijk ontbonden, waardoor Hiltermann hier als hoofdregel geen beroep meer op kan doen (artikel 6:271 BW) Het is niet gesteld of gebleken dat deze bepaling ook ziet op de periode na de ontbinding, zodat er geen reden is van die hoofregel af te wijken. De kantonrechter wijst daarom een vergoeding toe van € 946,45. Dat is het bedrag dat volgt uit het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke kosten.
De vergoeding van mogelijke toekomstige schade wordt afgewezen
2.14.
Hiltermann eist ten slotte dat [gedaagde 1] wordt veroordeeld om € 859,10 en € 211,75 aan haar te betalen, voor het geval [gedaagde 1] de auto niet inlevert en Hiltermann tot inname moet overgaan of eventueel aangifte van verduistering moet doen. Deze eisen worden afgewezen.
Dictum
De kantonrechter:
3.1.
verklaart voor recht dat de huurkoopovereenkomst tussen partijen, met betrekking tot de Renault Mégane met kenteken [kenteken], is ontbonden;
3.2.
veroordeelt gedaagden hoofdelijk, zodat wanneer de een voldoet de anderen zullen zijn bevrijd, om de Renault Mégane met kenteken [kenteken] binnen 72 uur na betekening van dit vonnis af te geven aan Hiltermann, op straf van een dwangsom van € 200,- per dag dat zij dit nalaat, met een maximum van € 15.000,-;
3.3.
veroordeelt gedaagden hoofdelijk, zodat wanneer de een betaalt de ander voor dat deel is bevrijd, om aan Hiltermann € 18.091,05 te betalen, met de wettelijke rente van artikel 6:119 BW over € 17.144,60 vanaf 28 februari 2023, tot de dag dat volledig is betaald;
3.4.
bepaalt dat wanneer gedaagden voldoen aan de veroordeling onder 3.2, de verkoopwaarde van de auto in mindering strekt op de betalingsverplichting uit de veroordeling onder 3.3;
3.5.
veroordeelt gedaagden hoofdelijk in de proceskosten, die aan de kant van Hiltermann tot vandaag worden vastgesteld op € 2.286,62;
3.6.
verklaart dit vonnis voor wat betreft de veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad;
3.7.
wijst al het andere af.
Dit vonnis is gewezen door mr. G.A. Vriezen en in het openbaar uitgesproken.
33394