Rechtspraak
Rechtbank Rotterdam
2023-07-21
ECLI:NL:RBROT:2023:6988
Civiel recht; Personen- en familierecht
Beschikking
2,703 tokens
Inleiding
Rechtbank Rotterdam
Team familie
Zaaknummer / rekestnummer: C/10/654731 / FA RK 23-2119
C/10/657915 / FA RK 23-3609
Beschikking van 21 juli 2023 over het ouderlijk gezag, de regeling van de uitoefening van het omgangsrecht en voorlopige voorziening op grond van artikel 223 Rv
in de zaak van:
[man01]
, hierna: de man,
wonende te [woonplaats01] ,
advocaat mr. S. Süzen te Rotterdam,
t e g e n
[vrouw01]
, hierna: de vrouw,
wonende te [woonplaats02] ,
advocaat mr. S. Kranendonk te 's-Gravendeel.
Procesverloop
1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de verzoekschriften met bijlagen van de man, ingekomen op 20 maart 2023 en
17 mei 2023;
- het verweerschrift tevens zelfstandig verzoek met bijlagen, ingekomen op
3 juli 2023;
- het bericht met bijlagen van de man van 6 juli 2023.
1.2.
De gelijktijdige mondelinge behandeling van deze zaken heeft plaatsgevonden op
7 juli 2023. Daarbij zijn verschenen:
de man, bijgestaan door zijn advocaat;
de vrouw, bijgestaan door haar advocaat;
de raad voor de kinderbescherming Rotterdam-Dordrecht (hierna: de raad), vertegenwoordigd door [naam01] .
2
De vaststaande feiten
2.1.
Uit de vrouw is geboren de minderjarige:
[minderjarige01] , geboren op [geboortedatum01] 2019 te [geboorteplaats01] .
2.2.
De man en de vrouw zijn niet met elkaar gehuwd of gehuwd geweest.
2.3.
De man heeft de minderjarige erkend.
2.4.
De vrouw oefent het ouderlijk gezag over de minderjarige alleen uit. De man en de vrouw hebben het ouderlijk gezag nimmer gezamenlijk uitgeoefend.
2.5.
De man heeft de Turkse nationaliteit en de vrouw heeft de Nederlandse nationaliteit.
Beoordeling
3.1.
Rechtsmacht
3.1.1.
Omdat de gewone verblijfplaats van de minderjarige in Nederland is gelegen, is de Nederlandse rechter op grond van artikel 8 van Brussel II-bis bevoegd te beslissen op het verzoek tot voorziening in het gezag over de minderjarige en het verzoek tot vaststelling van een omgangsregeling.
3.2.
Voorlopige voorziening op grond van artikel 223 Rv
3.2.1.
De man verzoekt een voorlopige voorziening te treffen ten aanzien van de regeling van de uitoefening van het omgangsrecht (hierna: omgangsregeling), inhoudende dat de minderjarige iedere maandag en dinsdag van 16.00 uur tot 19.00 uur bij de man verblijft.
3.2.2.
De vrouw voert gemotiveerd verweer.
3.2.3.
Op grond van artikel 223 Rv kan tijdens een lopende procedure iedere partij verzoeken dat de rechter een voorlopige voorziening treft voor de duur van de procedure. De rechtbank moet beoordelen of aan de minimumvereisten is voldaan, te weten: aanhangig zijn van een hoofdverzoek, samenhang met het hoofdverzoek en (spoedeisend) belang.
De rechtbank stelt vast dat is voldaan aan voormelde minimumvereisten. De man is daarom ontvankelijk in zijn verzoek.
3.2.4.
De man doet het verzoek tegelijk met een verzoek in de bodemprocedure waarin hij eveneens een verzoek doet ten aanzien van de omgangsregeling. Omdat de rechtbank direct in de bodemprocedure een uitspraak zal doen behoeft het verzoek inzake een voorlopige voorziening op grond van art. 223 Rv geen behandeling. De rechtbank zal dat verzoek daarom afwijzen.
3.3.
Bodemprocedure
3.3.1.
De veiligheid van de vrouw en de minderjarige
3.3.2.
De rechtbank neemt in aanmerking:
- de man heeft op 18 december 2022 gepoogd de vrouw te wurgen. De vrouw heeft hier aangifte van gedaan en op 21 december 2022 heeft de man een gedragsaanwijzing, bestaande uit een contact- en gebiedsverbod, gehad;
- de man is op 14 maart 2023 veroordeeld voor mishandeling van de vrouw, met als bijzondere voorwaarde dat de man op geen enkele wijze contact met de vrouw mag opnemen;
- als gevolg van de mishandeling is Veilig Thuis betrokken is geraakt en zijn diverse hulpverleningsinstanties (Arosa) ingeschakeld;
- de man heeft de bijzondere voorwaarden diverse malen geschaad. Hij zoekt veelvuldig contact met de vrouw. De vrouw heeft hiervan wederom aangifte gedaan;
- de vrouw heeft op 29 maart 2023 aangifte gedaan omdat de man bij de woning van de ouders van de vrouw stond te bonken op de deur en bedreigingen roepend naar de vrouw. Dit heeft weer gezorgd voor een locatie- en contactverbod;
- de vrouw heeft op 6 juni 2023 aangifte gedaan omdat de man de gedragsaanwijzing wederom heeft overtreden, haar benaderde en bedreigingen uitte, met als gevolg dat het locatie- contactverbod is verlengd;
- de man is wederom vervolgd, de zaak dient op 13 september 2023.
3.3.3.
Bij het nemen van een beslissing over kinderen staat het belang van het kind voorop (artikel 3 IVRK). Ook het belang van de verzorgende ouder van het kind moet door de rechter worden meegenomen bij het nemen van een beslissing. Vaak vallen deze belangen samen. Wanneer de belangen van de verzorgende ouder worden geschaad door de andere ouder, met als gevolg dat de verzorgende ouder lichamelijke of psychische schade oploopt, zal dit namelijk ook schadelijke gevolgen hebben voor het kind. Het kind is immers, om zich op een gezonde en evenwichtige manier te kunnen ontwikkelen, afhankelijk van het welzijn en welbevinden van deze ouder. Ook op grond van art. 31 van het Verdrag van de Raad van Europa inzake het voorkomen en bestrijden van geweld tegen vrouwen en huiselijk geweld (hierna: Verdrag van Istanbul) moet bij de beslissing rekening worden gehouden met het huiselijk geweld en de rechten en de veiligheid van de vrouw en de minderjarige. Hun veiligheid zal centraal moeten staan bij de beoordeling van de verzoeken over gezag en omgang.
3.4.
Gezag
3.4.1.
De man verzoekt te bepalen dat het ouderlijk gezag over de minderjarige voortaan aan partijen gezamenlijk toekomt.
3.4.2.
De vrouw voert gemotiveerd verweer.
3.4.3.
Op grond van artikel 1:253c lid 1 BW kan de tot het gezag bevoegde ouder van het kind, die nimmer het gezag gezamenlijk met de moeder uit wie het kind is geboren heeft uitgeoefend, de rechtbank verzoeken de ouders met het gezamenlijk gezag over het kind te belasten. Als de andere ouder met het gezamenlijk gezag niet instemt, wordt een dergelijk verzoek op grond van het tweede lid van genoemd wetsartikel slechts afgewezen als (a) er een onaanvaardbaar risico is dat het kind klem of verloren zou raken tussen de ouders en niet te verwachten is dat hierin binnen afzienbare tijd voldoende verbetering zou komen, of (b) afwijzing anderszins in het belang van het kind noodzakelijk is.
3.4.4.
De rechtbank stelt voorop dat het wettelijk uitgangspunt gezamenlijk gezag is. Voor gezamenlijk gezag is het vereist dat de ouders in feite in staat zijn tot een behoorlijke gezamenlijke gezagsuitoefening en dat zij beslissingen van enig belang over hun kind in onderling overleg kunnen maken, dan wel vooraf afspraken kunnen maken over situaties die zich rond hun kind kunnen voordoen, zonder dat het kind klem of verloren raakt tussen de ouders.
3.4.5.
Uit de overgelegde stukken en de mondelinge behandeling blijkt dat er sprake is van een ernstig verstoorde verstandhouding tussen partijen. Er hebben zich meerdere geweldsincidenten voorgedaan. De gebeurtenissen in het verleden en de problematische verstandhouding tussen partijen hebben een grote weerslag op het hele functioneren van de vrouw. Zij is zeer angstig voor de man en maakt zich zorgen om de veiligheid van haarzelf en de minderjarige. De vrouw heeft begeleiding van Arosa. Sinds het verbreken van hun relatie zijn partijen niet in staat gebleken samen te overleggen en tezamen beslissingen te nemen. In deze omstandigheden kan van de vrouw niet worden gevergd dat zij samen met de man het gezag over de minderjarige invult. Wat praktisch ook onmogelijk zou zijn als gevolg van het contactverbod. Het belaste verleden en de negatieve interactie tussen partijen staat communicatieherstel nog te veel in de weg. Daarnaast vindt de rechtbank het aannemelijk dat gezamenlijk gezag de vrouw in een zodanige positie en stresssituatie zou brengen dat dit nadelig is voor haar functioneren als moeder van de minderjarige en dus ook nadelig voor (de ontwikkeling van) de minderjarige. Dat de vrouw als verzorgende ouder zelfstandig de beslissingen over minderjarige kan blijven nemen is daarom noodzakelijk.
3.4.6.
De rechtbank is daarom met de raad van oordeel dat onder deze omstandigheden een gezamenlijke gezagsuitoefening, waarbij partijen gedwongen zijn met elkaar in overleg te gaan over de minderjarige, een onaanvaardbaar risico oplevert dat de veiligheid van de vrouw en de minderjarige worden geschaad. De verwachting is niet dat hier binnen afzienbare tijd verbetering in zal komen. De rechtbank zal daarom het verzoek van de man om gezamenlijk met de vrouw te worden belast met het gezag over de minderjarige afwijzen.
3.5.
Omgangsregeling
3.5.1.
De man verzoekt een omgangsregeling vast te stellen, inhoudende dat de minderjarige iedere dinsdag, woensdag en donderdag na school tot 19.00 uur bij de man zal verblijven. Verder verzoekt de man vanaf het moment dat hij passende woonruimte heeft dat de minderjarige een keer per week met overnachting (in overleg met de vrouw) en de helft van de vakanties en feestdagen bij de man zal verblijven.
3.5.2.
De vrouw voert gemotiveerd verweer.
3.5.3.
Uitgangspunt van artikel 1:377a BW is dat een kind recht heeft op omgang met zijn ouders en dat de niet met het gezag belaste ouder het recht heeft op en de verplichting heeft tot omgang met zijn kind. Op grond van artikel 1:377a lid 3 BW wordt het recht op omgang slechts ontzegd als:
omgang ernstig nadeel zou opleveren voor de geestelijke of lichamelijke ontwikkeling van het kind, of
de ouder kennelijk ongeschikt of kennelijk niet in staat moet worden geacht tot omgang, of
Dictum
De rechtbank:
4.1.
wijst af de verzoeken van de man;
4.2.
compenseert de proceskosten aldus dat iedere partij de eigen kosten draagt.
Deze beschikking is gegeven door mr. A. Lablans, (kinder)rechter, en in het openbaar uitgesproken in aanwezigheid van J. Don-van Loopik, griffier, op 21 juli 2023.
Tegen deze beschikking kan – voor zover er definitief is beslist – hoger beroep worden ingesteld bij het gerechtshof Den Haag. Het hoger beroep kan slechts worden ingesteld door een advocaat.
Door verzoeker en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden moet het hoger beroep worden ingesteld binnen drie maanden na de dag van de beschikking. Voor andere belanghebbenden geldt voor het instellen van hoger beroep een termijn van drie maanden na de betekening van de beschikking of nadat de beschikking hun op andere manier bekend is geworden.