Rechtspraak
Rechtbank Rotterdam
2023-07-18
ECLI:NL:RBROT:2023:6671
Civiel recht; Personen- en familierecht
Beschikking
2,808 tokens
Inleiding
RECHTBANK ROTTERDAM
Team Jeugd
Zaaknummer: C/10/661832 / JE RK 23-1623
Datum uitspraak: 18 juli 2023
Beschikking over een machtiging tot uithuisplaatsing
in de zaak van
de gecertificeerde instelling William Schrikker Stichting Jeugdbescherming en Jeugdreclassering,
gevestigd te Amsterdam, hierna te noemen de: GI,
betreffende
[minderjarige]
, geboren op [geboortedatum] 2017 te [geboorteplaats] ,
hierna te noemen: [voornaam minderjarige] .
De rechtbank merkt als belanghebbenden aan:
[moeder]
,
hierna te noemen: de moeder,
wonende te [woonplaats 1] ,
advocaat: mr. R.W. de Gruijl, te Rotterdam,
[vader]
,
hierna te noemen: de vader,
wonende te [woonplaats 2] .
1Het verloop van de procedure
1.1.
Het procesverloop blijkt uit het verzoekschrift met bijlagen van de GI van 5 juli 2023, binnengekomen bij de rechtbank op 7 juli 2023.
1.2.
De mondelinge behandeling met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 18 juli 2023. Daarbij waren aanwezig:
namens de moeder, haar (waarnemend) advocaat;
de vader;
- een vertegenwoordigster van de GI, mw. [persoon A] .
De moeder is niet verschenen. De rechtbank stelt vast dat de moeder wel juist is opgeroepen. De advocaat van de moeder geeft aan dat de moeder niet zal verschijnen.
Feiten
2.1.
De ouders zijn belast met het ouderlijk gezag over [voornaam minderjarige] .
2.2.
[voornaam minderjarige] verblijft in een pleeggezin
2.3.
Bij beschikking van 3 november 2022 is [voornaam minderjarige] voorlopig onder toezicht gesteld tot
2 februari 2022.
2.4.
Bij beschikking van 11 november 2022 is een machtiging tot uithuisplaatsing van [voornaam minderjarige] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder verleend tot 2 februari 2023.
De kinderrechter heeft bij beschikking van 14 december 2022 ook een machtiging tot
uithuisplaatsing van [voornaam minderjarige] in een voorziening voor pleegzorg (oma vaderszijde) verleend met ingang van 14 december 2022 voor de duur van vier weken.
2.5.
Bij beschikking van 20 januari 2023 is [voornaam minderjarige] onder toezicht gesteld tot 20 januari 2024. Bij deze beschikking heeft de kinderrechter tevens een machtiging tot uithuisplaatsing van [voornaam minderjarige] in het netwerk, te weten bij de oma vaderszijde, verleend tot 2 augustus 2023.
2.6.
[voornaam minderjarige] verblijft sinds 24 februari 2023 in het huidige (neutrale) pleeggezin.
3Het verzoek
3.1.
De GI verzoekt – zo begrijpt de kinderrechter – een machtiging te verlenen tot uithuisplaatsing van [voornaam minderjarige] in een voorziening voor pleegzorg voor de duur van de ondertoezichtstelling, met uitvoerbaarverklaring bij voorraad.
4De standpunten
4.1.
De GI handhaaft tijdens de mondelinge behandeling het verzoek en licht dit als volgt toe.
Naar aanleiding van een incident bij de opa en oma van vaderszijde heeft de GI [voornaam minderjarige] overgeplaatst naar een neutraal (bestands)pleeggezin, omdat haar veiligheid te zeer in het gedrang was gekomen. Bij het huidige pleeggezin gaat het goed met [voornaam minderjarige] . [voornaam minderjarige] gaat naar CityKids en zij kan inmiddels woorden spreken en zinnen maken. Daarnaast zijn de bezoeken met de moeder weer opgestart. Deze vinden om de week plaats en duren twee uur. De moeder is echter voor de tweede keer naar het buitenland vertrokken, waardoor de bezoeken al enige tijd stilliggen. Ook de bezoeken met de vader zijn opgestart. De bezoeken van de vader en de moeder worden begeleid door dezelfde begeleider. Het komende half jaar moet worden gebruikt voor het perspectiefonderzoek om duidelijkheid te verkrijgen over het perspectief van [voornaam minderjarige] .
4.2.
De advocaat van de moeder brengt namens de moeder naar voren dat de moeder instemt met het verzoek van de GI. De moeder wil graag meewerken aan het perspectiefonderzoek. De hoop is dat dit voor afloop van de ondertoezichtstelling is afgerond. Verder is het de vraag wanneer de moeder terugkomt. Het is van belang voor de jeugdbeschermer om enerzijds de bereidheid van de moeder te horen en anderzijds te bepalen of daar iets mee moet worden gedaan.
4.3.
De vader voert tijdens de mondelinge behandeling verweer tegen het verzoek van de GI. De vader heeft in het afgelopen jaar veel meegemaakt met de moeder. De moeder kampt met verslavingen en heeft veel problemen met zichzelf. [voornaam minderjarige] is vervolgens bij de opa en oma van vaderszijde geplaatst. Dit leek de beste plek voor haar te zijn. Er waren geen problemen, totdat de moeder op bezoek kwam bij de opa en oma van vaderszijde. De vader vindt het heel erg dat [voornaam minderjarige] hierdoor niet bij de opa en oma van vaderszijde kon blijven en naar een nieuwe plek moest. Het zou volgens de GI niet meer veilig zijn bij de opa en oma van vaderszijde. De vader is echter van mening dat het daar wel veilig is. Ook vond de vader het erg dat hij [voornaam minderjarige] hierdoor een tijd niet kon zien. Het is positief dat dit nu wel weer het geval is. Een (verlenging van de) machtiging tot uithuisplaatsing is wat betreft de vader niet nodig. [voornaam minderjarige] kan bij hem wonen. De vader zorgt met volle overtuiging voor [voornaam minderjarige] . [voornaam minderjarige] komt niets tekort. Tot slot heeft de vader recent contact gehad met de moeder. De moeder verblijft op dit moment in het buitenland en onbekend is wanneer zij weer naar Nederland komt. Daarbij heeft zij aangegeven dat zij haar gezag wil overdragen aan de vader. Desgevraagd geeft de vader aan dat hij op dit moment niet kan instaan voor een goede omgang tussen [voornaam minderjarige] en de moeder. Daarvoor maakt de moeder teveel problemen.
Beoordeling
5.1.
Op basis van de stukken en de mondelinge behandeling is de kinderrechter van oordeel dat een machtiging tot uithuisplaatsing van [voornaam minderjarige] noodzakelijk is in het belang van de verzorging en opvoeding (artikel 1:265b, eerste lid, Burgerlijk Wetboek). De kinderrechter zal de machtiging tot uithuisplaatsing van [voornaam minderjarige] dan ook verlenen. De kinderrechter overweegt hiertoe als volgt.
5.2.
Na een periode bij de opa en oma van vaderszijde te zijn geplaatst, verblijft [voornaam minderjarige] sinds februari 2023 in een bestandspleeggezin. Hier ontwikkelt zij zich goed. Zij heeft zichtbaar baat bij de rust en duidelijkheid die zij hier geboden krijgt. [voornaam minderjarige] gaat vijf dagen per week naar CityKids en zij kan inmiddels woorden spreken en zinnen maken. De bezoeken tussen [voornaam minderjarige] en de moeder zijn opgestart en Youth Care Nederland is ingezet om deze bezoeken te begeleiden. Hoewel het positief is dat er een emotionele band wordt gezien tussen [voornaam minderjarige] en de moeder tijdens de bezoeken, wordt ook zichtbaar dat de moeder niet altijd de aandacht bij [voornaam minderjarige] weet te houden en dat zij niet altijd handelt met het oog op de fysieke veiligheid van [voornaam minderjarige] . Daarnaast lijkt de moeder regelmatig keuzes te maken die duidelijk niet in het belang van [voornaam minderjarige] zijn. Zo is de moeder inmiddels voor de tweede keer naar het buitenland vertrokken en onduidelijk is wanneer zij weer terugkomt naar Nederland.
5.3.
Verder is de vader sinds korte periode (weer) betrokken bij [voornaam minderjarige] . Ook de bezoeken tussen [voornaam minderjarige] en de vader zijn opgestart en worden door Youth Care Nederland begeleid. De vader geeft tijdens de mondelinge behandeling aan dat [voornaam minderjarige] bij hem kan komen wonen en dat een machtiging tot uithuisplaatsing dus niet nodig is. Hoewel de kinderrechter deze wens van de vader begrijpt, acht de kinderrechter dat op dit moment gegeven alle problematiek vooralsnog niet aan de orde. Het is op dit moment in het belang van [voornaam minderjarige] dat haar plaatsing in het (neutrale) bestandspleeggezin wordt voortgezet, zodat zowel de rol van de vader als de rol van de moeder in het leven van [voornaam minderjarige] bezien kan worden waarbij de veiligheid van [voornaam minderjarige] voorop staat. Daarbij is het de komende periode van belang dat het perspectiefonderzoek wordt verricht om te bezien waar het perspectief van [voornaam minderjarige] ligt. In afwachting hiervan en gelet op het voorgaande, zal de kinderrechter een machtiging tot uithuisplaatsing van [voornaam minderjarige] in een voorziening voor pleegzorg verlenen voor de duur van de ondertoezichtstelling, te weten tot 24 januari 2024.
Dictum
De kinderrechter:
6.1.
verleent een machtiging tot uithuisplaatsing van [voornaam minderjarige] in een voorziening voor pleegzorg, met ingang van 18 juli 2023 tot 20 januari 2024;
6.2.
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.
Deze beslissing is mondeling gegeven en in het openbaar uitgesproken op 18 juli 2023 door mr. M. van Kuilenburg, kinderrechter, in aanwezigheid van mr. M.G.L. van der Linden als griffier, en op schrift gesteld op 26 juli 2023.
Hoger beroep tegen deze beschikking kan worden ingesteld:
- door de verzoekers en de belanghebbende(n) aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
- door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden.
Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend bij de griffie van het gerechtshof te Den Haag.