Rechtspraak
Rechtbank Rotterdam
2023-08-01
ECLI:NL:RBROT:2023:6662
Bestuursrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
2,741 tokens
Inleiding
RECHTBANK ROTTERDAM
Zittingsplaats Rotterdam
Bestuursrecht
zaaknummer: ROT 21/5472
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 1 augustus 2023 in de zaak tussen
[naam eiseres], uit [plaatsnaam], eiseres
(gemachtigde: ing. F.C.J.H. Köhler),
en
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Hendrik-Ido-Ambacht
(gemachtigde: mr. E.A. van der Lugt en [naam 1]).
Inleiding
Bij besluit van 23 september 2021 (bestreden besluit) heeft het college de aanvraag van eiseres van 10 maart 2020 inzake het verlenen van een omgevingsvergunning voor het realiseren van een extra vuurwerkbewaarplaats en bufferbewaarplaats aan de [adres] afgewezen. Volgens verweerder moet de omgevingsvergunning worden geweigerd omdat de activiteit in strijd is met het geldende bestemmingsplan.
Het is niet mogelijk om binnenplans daarvan af te wijken. Volgens het college is het ook niet mogelijk om met een buitenplanse afwijking af te wijken van het bestemmingsplan, omdat de activiteit in strijd is met een goede ruimtelijke ordening.
Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
De rechtbank heeft het beroep op 9 mei 2023 op zitting behandeld. Namens eiseres zijn verschenen: [naam 2] en de gemachtigde van eiseres. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde en [naam 1].
Beoordeling
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiseres tegen de afwijzing van de aanvraag van eiseres.
Het vooroverleg
2. Eiseres voert aan dat in de aanloop naar het indienen van de aanvraag een aanvraag vooroverleg heeft gelopen. De aanvraag vooroverleg is ingediend op 24 oktober 2019. De normale doorlooptijd voor een dergelijke procedure is 6 tot 8 weken. Uit de berichtgeving vanuit de gemeente maakte eiseres op dat alle adviesorganen positief geadviseerd hebben. Er is aangegeven dat behandeling door het college op 27 februari 2020 zou plaatsvinden, 17 weken na indiening van de aanvraag vooroverleg. Op 10 maart 2020 werd echter een e-mail ontvangen met de volgende inhoud:
“Beste [naam 3], Het voorstel aan het college om medewerking te verlenen aan de opslag is iets in de vertraging gegaan, omdat ik het ook nog intern had uitstaan. Ik hoop het nu snel in het college te hebben. Ik laat het weten zodra dit het geval is, Met vriendelijke groet
[naam 1].”
Om de aanpassingen in 2020 te kunnen realiseren was het noodzakelijk om begin maart de definitieve aanvraag in te dienen. Op basis van de positieve adviezen van de wettelijk aangewezen adviesorganen is daarom besloten de uitkomst van het vooroverleg niet langer af te wachten en de aanvraag voor te bereiden. Op 10 maart 2020 is deze ingediend. Uiteindelijk heeft het college in het kader van het vooroverleg pas begin oktober 2020 besloten geen medewerking te verlenen aan de afwijking van het bestemmingsplan om de opslag van > 10.000 kg consumentenvuurwerk mogelijk te maken. Dit besluit kwam voor de ambtenaren van de gemeente, de omgevingsdienst en de veiligheidsregio als een complete verrassing.
2.1
De rechtbank stelt vast dat partijen het erover eens zijn dat de vooroverlegprocedure veel te lang heeft geduurd en dat dit zo niet had moeten gaan. Ook begrijpt de rechtbank dat eiseres hierover een klacht heeft ingediend bij verweerder. Voor zover de opmerkingen van eiseres over het verloop van de vooroverlegprocedure bedoeld zijn als beroepsgrond, merkt de rechtbank op dat zij zich over de voorprocedure in deze beroepsprocedure niet verder kan uitlaten. In het kader van dit beroep zal de rechtbank alleen toetsen of het besluit van verweerder van 23 september 2021 (het bestreden besluit) rechtmatig is. Dat doet zij aan de hand van de beroepsgronden die eiseres tegen dat besluit naar voren heeft gebracht. Die toetsing zal de rechtbank hierna verrichten. Daarbij zal de rechtbank wel de stellingen met betrekking tot de voorprocedure beoordelen die kunnen raken aan de rechtmatigheid van het bestreden besluit.
Het bestreden besluit.
3. Het bestreden besluit betreft de weigering van een omgevingsvergunning om binnen een bestaande loods een extra vuurwerkbewaarplaats en bufferbewaarplaats te realiseren waarmee de totale opslag van consumentenvuurwerk bijna 39.000 kg zal bedragen.
Tussen partijen is niet in geschil dat volgens het geldende bestemmingsplan ter plaatse slechts een maximale hoeveelheid vuurwerk van 10.000 kg aanwezig mag zijn binnen een inrichting. Waar het in beroep om gaat is dat verweerder heeft geweigerd om (buitenplans) af te wijken van het geldende bestemmingsplan, omdat de gevraagde activiteit volgens hem in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. Uit het bestreden besluit blijkt dat verweerder daarbij de volgende aspecten in aanmerking heeft genomen: ‘veiligheid en leefbaarheid’, ‘verkeer’, ‘precedentwerking’, ‘maatschappelijke discussie’ en ‘overwegingen van de zijde van de aanvrager’. Ook heeft hij een belangenafweging verricht. Hij heeft hierin geen aanleiding gezien om medewerking te verlenen aan het afwijken van het geldende bestemmingsplan ten aanzien van vuurwerkopslag. Eiseres is het hier niet mee eens.
Wat voert eiseres aan?
4. Eiseres bestrijdt de overwegingen van verweerder ten aanzien van de aspecten ‘veiligheid en leefbaarheid’, ‘verkeer’, ‘precedentwerking’, ‘maatschappelijke discussie’ en ‘overwegingen van de zijde van de aanvrager’.
In het kader van het aspect ‘veiligheid en leefbaarheid’ voert zij aan dat in het vuurwerkbesluit onveilige zones zijn opgenomen. Deze zones vallen voor het grootste gedeelte op het terrein van de inrichting. Er is dan ook geen gevaar voor omwonenden, gezien de afstanden. Dit wordt bevestigd door de Veiligheidsregio. De aanvraag is gepubliceerd en er zijn naar aanleiding daarvan ook geen vragen binnengekomen die zouden duiden op onrust uit de omgeving. Eventuele onrust had bij verlening van de vergunning weggenomen kunnen worden door een rondleiding. Bovendien worden er maatregelen getroffen, zoals sprinklers waardoor het vuurwerk niet zal ontbranden.
Ten aanzien van het aspect ‘verkeer’ voert eiseres aan dat door het uitbreiden van de opslag juist een kleiner aantal leveringen zal plaatsvinden met veelal bestelbussen.
De eerste levering vindt altijd plaats met een grotere vrachtauto, de rest van het vuurwerk in de vrachtauto gaat dan naar de volgende inrichting. De uitbreiding van de opslag geeft
dus een kleiner aantal verkeersbewegingen in de aanvoer van het consumentenvuurwerk.
Het is niet de verwachting dat er meer klanten voor het kopen van consumentenvuurwerk zullen komen, maar door de grotere opslag in de bufferbewaarplaatsen kunnen er meer voorbestellingen worden opgeslagen. In plaats van de order te verzamelen op het moment dat de klant binnen de inrichting aanwezig is, wordt de order op voorhand klaargemaakt en kan de klant sneller de inrichting weer verlaten. Het aantal voertuígbewegingen op piekdagen is al enige jaren stabiel op ca. 1500 per dag. De piekdagen zijn met Pasen, Pinksteren en kerst en op de vuurwerkverkoopdagen. Er is geen reden om aan te nemen dat het realiseren van een grotere opslagcapaciteit zal leiden tot een toename van het aantal verkeersbewegingen.
Ten aanzien van het aspect ‘precedentwerking’ voert eiseres aan dat de kans dat het verlenen van deze omgevingsvergunning tot meerdere aanvragen van gelijke aard (het opslaan van een dergelijke hoeveelheid vuurwerk) nihil is. Bij dergelijke aanvragen zal dan immers eveneens moeten worden voldaan aan een gunstige ligging van onveilige zones (die lang niet overal te realiseren is). De mogelijkheden zijn in de regel zeer beperkt, al helemaal op industrieterreinen waar in de regel geen detailhandel is toegestaan.
Ten aanzien van het aspect ‘maatschappelijke discussie’ betoogt eiseres dat er momenteel geen sprake is van een landelijk afsteekverbod en op basis van landelijke en Europese regelgeving is een verkoopverbod ook niet haalbaar. Het is dan ook de aan de ondernemer om in te schatten of hij het risico wil nemen. De vergunde opslag van 10.000 kg verhoudt zich niet anders ten opzichte van deze discussie dan een opslag van 38.879 kg.
Voor wat betreft de ‘overwegingen aan de zijde van de aanvrager’ voert eiseres aan dat als het college, zoals de bedoeling was, op 27 februari 2020, had beslist over het niet verlenen van medewerking aan de benodigde wijziging van het bestemmingsplan was de aanvraag niet ingediend en waren de aanzienlijke kosten die een dergelijke aanvraag met zich brengen niet gemaakt. De gemeente heeft de procedure van vooroverleg niet binnen een normale termijn kunnen afronden en heeft pas zeer laat in de procedure van de aanvraag omgevingsvergunning geconstateerd dat een uitspraak van het college wenselijk was om de vergunning te verlenen. Door het achterwege laten van de toets bij het college heeft eiseres aanzienlijke kosten gemaakt om te kunnen voldoen aan alle indieningsvereisten.
Het gesprek met de burgemeester is niet meegenomen in de besluitvorming.
Conclusie
8. Het beroep is ongegrond. Eiseres krijgt daarom het griffierecht niet terug. Zij krijgt ook geen vergoeding van haar proceskosten.
Dictum
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. S. Ketelaars-Mast, rechter, in aanwezigheid van
mr. A.J. Eertink, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 1 augustus 2023.
De rechter is verhinderd de uitspraak te ondertekenen.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.