Rechtspraak
Rechtbank Rotterdam
2023-07-14
ECLI:NL:RBROT:2023:6582
Strafrecht
Eerste aanleg - meervoudig
2,156 tokens
Inleiding
Rechtbank Rotterdam
Team straf 1
Parketnummer: 10/169907.22
Datum uitspraak: 14 juli 2023
Tegenspraak
Vonnis van de rechtbank Rotterdam, meervoudige kamer voor strafzaken, in de zaak tegen de verdachte:
[verdachte01],
geboren te [geboorteplaats01] op [geboortedatum01],
ingeschreven in de basisregistratie personen op het adres:
[adres01],
raadsman mr. J.P.W. Nijboer, advocaat te Utrecht.
1. Onderzoek op de terechtzitting
Gelet is op het onderzoek op de terechtzitting van 30 juni 2023.
2. Tenlastelegging
Aan de verdachte is ten laste gelegd hetgeen is vermeld in de dagvaarding. De tekst van de tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht.
Samengevat wordt de verdachte verweten dat zij samen met anderen cocaïne en heroïne voorhanden heeft gehad (feit 1) en samen met anderen goederen voorhanden had waarmee drugs kan worden bewerkt (feit 2).
3. Eis officier van justitie
De officier van justitie mr. S.M. Scheer heeft gevorderd:
bewezenverklaring van het onder 1 en 2 ten laste gelegde;
veroordeling van de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 15 maanden met aftrek van voorarrest;
gevangenneming van de verdachte bij einduitspraak.
4. Waardering van het bewijs
4.1.
Onrechtmatige doorzoeking
4.1.1.
Standpunt verdediging
De anonieme melding over het adres waar de verdachte is aangehouden was onvoldoende om de woning te betreden en te doorzoeken. Niet is gebleken dat nader onderzoek is gedaan naar deze melding.
Dit is een onherstelbaar vormverzuim in de zin van artikel 359a van het Wetboek van Strafvordering (Sv). Het als gevolg van dit vormverzuim vergaarde bewijs is daarom onrechtmatig verkregen. Omdat de rechten van de verdachte zijn geschonden, kan niet worden volstaan met een constatering van het verzuim. Primair moet er bewijsuitsluiting volgen. Subsidiair dient een eventueel op te leggen straf verminderd te worden.
4.1.2.
Beoordeling
Op grond van het dossier blijkt dat in de melding bij de meldkamer niet alleen gesproken werd over de aanwezigheid van verdovende middelen en wapens, maar ook dat de naam van een betrokken persoon werd genoemd. Uit onderzoek in de politiesystemen bleek dat deze persoon bekend was bij de politie. De rechtbank houdt het ervoor dat de inhoud van de melding in combinatie met het onderzoek in de politiesystemen in voldoende mate het ex artikel 49 van de WWM vereiste ‘redelijkerwijs vermoeden’ heeft opgeleverd. Niet is gebleken dat de (privacy)rechten van verdachte zijn geschonden, omdat zij niet op het doorzochte adres stond ingeschreven of woonde. Verder heeft zij niets aangevoerd waaruit blijkt dat haar rechten zijn geschonden en zij daardoor nadeel heeft ondervonden.
Naar het oordeel van de rechtbank is van enig vormverzuim op grond van artikel 359a Sv aldus geen sprake. Het verweer wordt verworpen.
4.2.
Vrijspraak feit 1 en feit 2
4.2.1.
Standpunt officier van justitie
Het aanwezig hebben van cocaïne en heroïne en de voorbereidingshandelingen kunnen wettig en overtuigend bewezen worden.
De verdachte is aangetroffen in een pand waarin 4,1 gram cocaïne en 1335,1 gram heroïne, versnijdingsmiddelen en goederen zoals weegschalen, persen, gasmaskers, gardes en tape zijn aangetroffen. De verdachte wist dat het ging om een versnijdingspand en had ook de beschikkingsmacht over de goederen en verdovende middelen die zich in de woning bevonden. De verklaring van de verdachte, dat zij enkel in het pand aanwezig was om te wachten op een vriend, is ongeloofwaardig.
4.2.2.
Beoordeling
Anders dan de officier van justitie acht de rechtbank het onder 1 en 2 ten laste gelegde niet wettig en overtuigend bewezen.
Op basis van het dossier kan niet vastgesteld worden dat de verdachte wist of had moeten weten dat de aangetroffen verdovende middelen, de versnijdingsmiddelen en de overige goederen die op de tenlastelegging staan in de woning waren. Verdachte woont niet in de woning. Uit niets is gebleken dat zij daar vaker kwam. Uit het dossier blijkt niet dat er nader onderzoek is gedaan naar de aanwezigheid van DNA of vingerafdrukken.
Uit het dossier blijkt verder niet in welke ruimte de verdachte is aangetroffen, zodat niet kan worden vastgesteld of zij de goederen en drugs die in de woonkamer en de keuken lagen moet hebben gezien. De versnijdingsmiddelen zaten in dozen en tassen en ook daarvan blijkt uit het dossier niet dat de verdachte dat wist. Ditzelfde geldt voor het zakje met cocaïne dat in een keukenla lag.
Zodoende is niet te bewijzen dat de verdachte wetenschap of beschikkingsmacht heeft gehad over al deze goederen.
Hoewel de verdachte is aangetroffen in een woning met een grote hoeveelheid versnijdingsmiddelen, verdovende middelen en goederen die gebruikt kunnen worden bij het bewerken van verdovende middelen, is geen sprake van een situatie die schreeuwt om een uitleg. De weinig geloofwaardige verklaring die de verdachte heeft afgelegd over haar aanwezigheid in de woning speelt daarom geen rol van betekenis in de beoordeling van de zaak.
4.2.3.
Conclusie
Het onder 1 en 2 ten laste gelegde is niet wettig en overtuigend bewezen. De verdachte wordt daarvan vrijgesproken.
5. Bijlagen
De in dit vonnis genoemde bijlage maakt deel uit van dit vonnis.
Dictum
De rechtbank:
verklaart niet bewezen, dat de verdachte de onder 1 en 2 ten laste gelegde feiten heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.
Dit vonnis is gewezen door mr. D.C.J. Peeck, voorzitter,
en mrs. E.M. Rocha en mr. C.J.L. van Dam, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. V.J.H. Mooren, griffier,
en uitgesproken op de openbare terechtzitting op de datum die in de kop van dit vonnis is vermeld.
Bijlage I
Tekst tenlastelegging
Aan de verdachte wordt ten laste gelegd dat
1hij, op of omstreeks 6 juli 2022 te Rotterdam,tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,opzettelijk aanwezig heeft gehadongeveer 4,1 gram, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne en/ofongeveer 1335,1 gram, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende heroïne, zijnde cocaïne en/of heroïne(telkens) een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan welaangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;
2hij, op of omstreeks 6 juli 2022 te Rotterdam,tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,om een feit, bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet,voor te bereiden en/of te bevorderen,te weten- het opzettelijk binnen en/of buiten het grondgebied van Nederland brengen,- het opzettelijk telen, bereiden, bewerken, verwerken, verkopen, afleveren,verstrekken en/of vervoeren, en/of- het opzettelijk vervaardigenvan cocaïne en/of heroïne, in elk geval een middel als bedoeld in de bij deOpiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens artikel 3a, vijfde lid vande Opiumwet(een) stof(fen), te weten- een hoeveelheid, te weten (ongeveer) 66150 gram paracetamol, althans eenhoeveelheid van een stof bevattende paracetamol en/of- een hoeveelheid, te weten (ongeveer) 984,2 gram manitol, althans een hoeveelheidvan een stof bevattende inositol en/of- één of meerdere weegscha(a)len en/of- één of meerdere persen en/of- één of meerdere gardes en/of- één of meerdere gasmaskers en/of- één of meerdere rollen tape en/of- één of meerdere rollen, te weten 12, afwasteiltjes en/of- één of meerdere rollen, te weten 4, ijzeren mallen en/of- één of meerdere rollen, te weten 3, emmersvoorhanden heeft gehad, waarvan verdachte wist(en) of ernstige redenen had(den)te vermoeden, dat dat/die bestemd was/waren tot het plegen van dat/die feit(en);