Rechtspraak
Rechtbank Rotterdam
2023-07-24
ECLI:NL:RBROT:2023:6529
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht
Eerste aanleg - meervoudig
3,659 tokens
Inleiding
RECHTBANK ROTTERDAM
Bestuursrecht
zaaknummer: ROT 23/1642
uitspraak van de meervoudige kamer van 24 juli 2023 in de zaak tussen
[naam eiseres] , uit [plaats] , eiseres
(gemachtigde: mr. A.E.E. Vollebregt),
en
het college van burgemeester en wethouders van Goeree-Overflakkee
(gemachtigden: [naam gemachtigde 1] en [naam gemachtigde 2] ).
Inleiding
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiseres tegen de afwijzing van de aanvraag om de energietoeslag op grond van de Participatiewet (Pw) en de Beleidsregels eenmalige energietoeslag 2022 Goeree-Overflakkee (Beleidsregels). 1.1. Verweerder heeft deze aanvraag met het besluit van 16 september 2022 (het primaire besluit) afgewezen. Met het bestreden besluit van 31 januari 2023 op het bezwaar van eiseres is verweerder, onder aanvulling van de motivering, bij de afwijzing van de aanvraag gebleven.
1.2.
De rechtbank heeft het beroep op 28 juni 2023 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiseres, haar gemachtigde en de gemachtigden van verweerder.
Beoordeling
2. Eiseres is student en ontvangt studiefinanciering op grond van de Wet Studiefinanciering 2000 (Wsf 2000). Daarnaast heeft zij inkomsten uit werkzaamheden bij [naam bedrijf]. Eiseres heeft op 28 augustus 2022 een aanvraag om de energietoeslag ingediend. Met het primaire besluit heeft verweerder de aanvraag afgewezen omdat het inkomen van eiseres hoger is dan 120% van de voor haar geldende bijstandsnorm.
3. Het bestreden besluit, waarmee verweerder het primaire besluit heeft gehandhaafd, houdt het volgende in. De inkomsten van eiseres bedroegen in de referteperiode meer dan 120% van de voor haar geldende bijstandsnorm, zodat eiseres op grond van artikel 2, vierde lid, van de Beleidsregels niet voldoet aan de voorwaarden om voor de energietoeslag in aanmerking te komen. Daarnaast behoort eiseres niet tot de doelgroep van de energietoeslag omdat eiseres jonger is dan 27 jaar en als student recht heeft op studiefinanciering.
4. Eiseres stelt dat verweerder de studiefinanciering ten onrechte als inkomen heeft aangemerkt. Dit betreft namelijk een lening die zij volledig moet terugbetalen. Daarnaast is er sprake van rechtsongelijkheid, nu verweerder bestaande leningen van niet-studenten niet als inkomen aanmerkt. Indien de studiefinanciering buiten beschouwing wordt gelaten, is het inkomen van eiseres lager dan 120% van de voor haar geldende bijstandsnorm.
Eiseres doet een beroep op de hardheidsclausule. Zij heeft in de referteperiode meer uren gewerkt om extra woonkosten, bestaande uit dubbele huur, te kunnen betalen. Haar normale salaris is substantieel lager.
4.1.
Eiseres heeft ter zitting de beroepsgrond dat zij in het bestreden besluit is overvallen door de gewijzigde motivering ingetrokken. Verweerder heeft ter zitting desgevraagd verklaard dat de categoriale uitsluiting van studenten eiseres niet meer wordt tegengeworpen. De rechtbank zal haar beoordeling dan ook beperken tot de vraag of de aanvraag van eiseres terecht is afgewezen omdat zij beschikte over een inkomen dat hoger was dan 120% van de voor haar geldende bijstandsnorm.
5. Voor het regelgevend kader wordt verwezen naar de bijlage die bij deze uitspraak hoort.
6. De rechtbank overweegt dat tussen partijen niet ter discussie staat dat eiseres in de referteperiode (januari en februari 2022) een netto inkomen had van respectievelijk
€ 1.838,27 en € 1.449,21. Dit inkomen bedraagt meer dan 120% van de voor eiseres geldende bijstandsnorm. De studiefinanciering die verweerder in aanmerking heeft genomen bedraagt € 850,- per maand. Als dit bedrag buiten beschouwing zou blijven, zou het inkomen van eiseres lager zijn dan de grens van 120% van de voor haar geldende bijstandsnorm.
7. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder de studiefinanciering die eiseres op grond van de Wsf 2000 ontvangt terecht als inkomsten aangemerkt. Verweerder heeft in de Beleidsregels aansluiting gezocht bij het inkomensbegrip uit de Pw. Op grond van artikel 31, eerste lid jo. artikel 33, tweede lid, van de Pw diende verweerder het in artikel 3.18, van de Wsf genoemde normbedrag voor levensonderhoud, zijnde € 932,87, als inkomsten in aanmerking te nemen. Verweerder heeft dit inkomensbestanddeel beperkt tot het bedrag dat eiseres daadwerkelijk leent, namelijk € 850,-. Dat de door eiseres ontvangen studiefinanciering een lening is, doet daaraan niet af. Op grond van vaste rechtspraak behoort de rentedragende lening tot de middelen waarover iemand redelijkerwijs kan beschikken (zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Raad van 3 juli 2018, ECLI:NL:CRVB:2018:2033). Uit het vorengaande volgt dat verweerder het inkomen van eiseres heeft vastgesteld op de manier zoals dat in de Pw en de Beleidsregels is voorgeschreven. De rechtbank ziet in het door eiseres aangevoerde geen reden om af te wijken van de wettelijke bepalingen.
8. Verweerder heeft op grond van hetgeen eiseres aan bijzondere omstandigheden naar voren heeft gebracht kunnen weigeren om de hardheidsclausule toe te passen. Uit de door eiseres overgelegde salarisspecificaties blijkt dat zij ook in de maanden maart 2022 en juni 2022 een salaris genoot dat tezamen met haar studiefinanciering hoger was dan
120% van de voor haar geldende bijstandsnorm. Naar het oordeel van de rechtbank is er daarom in de referteperiode geen sprake van een zodanig afwijkend, hoger salaris dat dit een geslaagd beroep op de hardheidsclausule zou kunnen rechtvaardigen.
9. Uit het vorenstaande volgt dat verweerder de aanvraag van eiseres heeft mogen afwijzen omdat haar inkomen in de referteperiode hoger was dan 120% van de voor haar geldende bijstandsnorm.
10. De rechtbank geeft eiseres in overweging alsnog een aanvraag om individuele bijzondere bijstand in te dienen voor de extra energiekosten waarmee zij is geconfronteerd. Daarbij merkt de rechtbank op dat verweerder ter zitting heeft toegelicht dat deze beroepsprocedure mogelijk als een bijzondere omstandigheid wordt aangemerkt bij de beoordeling of de aanvraag om bijzondere bijstand tijdig is ingediend.
Conclusie
12. Het beroep is ongegrond.
13. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Dictum
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.P. Hameete, voorzitter en mr. D. Haan en
mr. N. Boonstra, leden, in aanwezigheid van mr. E. Grondman, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 24 juli 2023.
griffier
voorzitter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Bijlage
Op grond van artikel 31, eerste lid, van de Pw worden tot de middelen gerekend alle vermogens- en inkomensbestanddelen waarover de alleenstaande of het gezin beschikt of redelijkerwijs kan beschikken. Tot de middelen worden mede gerekend de middelen die ten behoeve van het levensonderhoud van de belanghebbende door een niet in de bijstand begrepen persoon worden ontvangen. In elk geval behoort tot de middelen de ten aanzien van de alleenstaande of het gezin toepasselijke heffingskorting, bedoeld in hoofdstuk 8 van de Wet inkomstenbelasting 2001.
2. Niet tot de middelen van de belanghebbende worden gerekend:
a. de middelen die deze ontvangt ten behoeve van het levensonderhoud van een niet in de bijstand begrepen persoon;
b. kinderbijslag ontvangen ten behoeve van zijn in of buiten Nederland woonachtige kinderen;
c. de jonggehandicaptenkorting;
d. tegemoetkomingen in de zin van de Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen;
e. eigenwoningbijdrage of een bijzondere bijdrage ontvangen op grond van de Wet bevordering eigenwoningbezit ;
f. vergoedingen en tegemoetkomingen, waaronder begrepen de tegemoetkoming ontvangen op grond van artikel 19 van de Wet tegemoetkoming chronisch zieken en gehandicapten, voor, alsmede de vermindering of teruggave van, loonbelasting of inkomstenbelasting en van premies volksverzekeringen op grond van kosten die niet tot de algemeen noodzakelijke bestaanskosten behoren, tenzij voor deze kosten bijstand wordt verleend;
g. vergoedingen en verstrekkingen als bedoeld in artikel 31, eerste lid, onderdeel f en onderdeel g , van de Wet op de loonbelasting 1964, tenzij voor deze vergoedingen en verstrekkingen bijstand wordt verleend;
h. inkomsten uit arbeid van de tot zijn last komende kinderen, alsmede door hen ontvangen uitkeringen inzake werkloosheid en arbeidsongeschiktheid, tenzij het de verlening van bijzondere bijstand betreft voor bijzondere noodzakelijke kosten van het bestaan van die kinderen;
i. rente ontvangen over op grond van artikel 34, tweede lid, onderdelen b en c, niet in aanmerking genomen vermogen en spaargelden;
j. een een- of tweemalige premie van ten hoogste € 2.934,00 per kalenderjaar, voor zover dit naar het oordeel van het college bijdraagt aan zijn arbeidsinschakeling;
k. een kostenvergoeding voor het verrichten van vrijwilligerswerk van ten hoogste een bij ministeriële regeling vast te stellen bedrag;
l. bij ministeriële regeling aan te wijzen uitkeringen en vergoedingen voor materiële en immateriële schade;
m. giften en andere dan de in onderdeel l bedoelde vergoedingen voor materiële en immateriële schade voorzover deze naar het oordeel van het college uit een oogpunt van bijstandsverlening verantwoord zijn;
n. inkomsten uit arbeid tot 25 procent van deze inkomsten, met een maximum van € 246,00 per maand, voor zover hij algemene bijstand ontvangt, waarbij voor een persoon die de pensioengerechtigde leeftijd nog niet heeft bereikt geldt dat die inkomsten gedurende ten hoogste zes maanden niet tot de middelen worden gerekend en dat dit naar het oordeel van het college moet bijdragen aan zijn arbeidsinschakeling;
o. de eenmalige energietoeslag, bedoeld in artikel 35, vierde lid;
p. een tegemoetkoming als bedoeld in artikel 29a van de Algemene nabestaandenwet;
q. een uitkering als bedoeld in artikel 118a, eerste lid, van de Zorgverzekeringswet of een tegemoetkoming als bedoeld in artikel 2:52 of 3:10 van de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten;
r. inkomsten uit arbeid van een alleenstaande ouder tot 12,5 procent van deze inkomsten, met een maximum van € 153,38 per maand, gedurende een aaneengesloten periode van maximaal 30 maanden, voor zover hij algemene bijstand ontvangt en onderdeel y, z of aa niet van toepassing is, ingeval:
1° hij de volledige zorg heeft voor een tot zijn last komend kind tot 12 jaar,
2° de periode van zes maanden, bedoeld in onderdeel n, is verstreken, en
3° dit volgens het college bijdraagt aan zijn arbeidsinschakeling;
s. een vergoeding als bedoeld in artikel 18 van de Wet inburgering zoals dit luidde voor de inwerkingtreding van het bij koninklijke boodschap van 14 november 2011 ingediende voorstel van wet tot wijziging van de Wet inburgering en enkele andere wetten in verband met de versterking van de eigen verantwoordelijkheid van de inburgeringsplichtige (33 086), nadat dat voorstel tot wet is verheven voorzover deze niet een vergoeding is als bedoeld in onderdeel f;
t. tegemoetkomingen op grond van de Wet tegemoetkoming chronisch zieken en gehandicapten , artikel 63a van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen, artikel 65l van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering, artikel 67i van de Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen, artikel 3:75 van de Wet werk en arbeidsondersteuning jonggehandicapten of artikel 24 van de Wet tegemoetkoming chronisch zieken en gehandicapten, zoals dat op 31 december 2013 luidde;
u. hetgeen een mantelzorger op grond van het bepaalde bij of krachtens artikel 2.1.6 van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 als blijk van waardering ontvangt;
v. een uitkering tot levensonderhoud op grond van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek die de belanghebbende jonger dan 21 jaar van zijn ouder of ouders ontvangt, voor zover deze uitkering op grond van artikel 12 reeds in aanmerking is genomen bij de vaststelling van het recht op bijzondere bijstand;
w. het vrijgelaten deel van de toeslag, uitkering, kinderbijslag of ouderdomspensioen op grond van de artikelen 14h, vijfde lid , van de Toeslagenwet, 27h, vijfde lid , van de Werkloosheidswet, 54a, vijfde lid , van de Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen, 24a, vijfde lid , van de Wet inkomensvoorziening oudere werklozen, 29h, vijfde lid , van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering, 97, vijfde lid , van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen, 45h, vijfde lid , van de Ziektewet, 17h, vijfde lid , van de Algemene Kinderbijslagwet, 45a, vijfde lid , van de Algemene nabestaandenwet, 17j, vijfde lid , van de Algemene Ouderdomswet, 29, zesde lid, van de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers, en 29, zesde lid, van de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen;
x. een inkomensondersteuning als bedoeld in artikel 33a van de Algemene Ouderdomswet;
y. inkomsten uit arbeid van een persoon die medisch urenbeperkt is tot 15 procent van deze inkomsten uit arbeid, met een maximum van € 155,56 per maand, voor zover hij algemene bijstand ontvangt, tenzij onderdeel n van toepassing is;
z. inkomsten uit een dienstbetrekking als bedoeld in artikel 10d, eerste of tweede lid , van een persoon die behoort tot de doelgroep loonkostensubsidie, tot 15 procent van deze inkomsten uit arbeid, met e