Rechtspraak
Rechtbank Rotterdam
2023-07-11
ECLI:NL:RBROT:2023:6369
Bestuursrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
1,514 tokens
Inleiding
Rechtbank Rotterdam
Zittingsplaats Dordrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: ROT 23/107
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 11 juli 2023 in de zaak tussen
[naam verzoekster], te [plaatsnaam], verzoekster,
gemachtigde: mr. D. Schaap,
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, verweerder,
gemachtigde: [naam 1].
Procesverloop
Op 23 augustus 2022 heeft verzoekster verweerder verzocht om vergoeding van door haar geleden schade.
Op 11 november 2022 heeft verweerder het verzoek afgewezen.
Op 23 december 2022 heeft verzoekster een verzoekschrift als bedoeld in titel 8.4 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) bij verweerder ingediend. Verweerder heeft het verzoekschrift doorgezonden aan de rechtbank.
Verweerder heeft op het (aanvullend) verzoekschrift gereageerd.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 23 juni 2023. Eiseres is verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door [naam 2].
Overwegingen
1. Met het besluit van 1 juli 2022 heeft verweerder verzoekster met ingang van 1 juni 2016 een uitkering op grond van de Ziektewet (ZW) toegekend. Op 2 augustus 2022 heeft verzoekster bezwaar gemaakt tegen het besluit van 1 juli 2022.
2.1.
Op 23 augustus 2022 heeft verzoekster verweerder verzocht om vergoeding van door haar geleden schade in de periode van juni 2016 tot 15 augustus 2022. De materiële schade is volgens verzoekster gelegen in de gedwongen verkoop van haar woning in 2018, het opnieuw vertrekken uit haar vakantiewoning in 2020, terugbetaling van zorgtoeslag aan de Belastingdienst en leningen. De immateriële schade is volgens verzoekster gelegen in het enorme leed waar zij onder gebukt is gegaan, het jarenlang onder het sociaal minimum leven en de geleden stress.
2.2.
Bij brief van 11 november 2022 heeft verweerder medegedeeld niet tot schadevergoeding over te gaan. Daarbij heeft verweerder geconcludeerd dat niet gebleken is van onrechtmatige besluiten en/of onrechtmatig handelen. Volgens verweerder is over het te laat betalen dan wel nabetalen van de ZW-uitkering en toeslag wettelijke rente betaald en zijn de conflicten tussen verzoekster en de voormalig werkgever niet aan hem toe te rekenen.
Het standpunt van verzoekster
3. Verzoekster heeft de rechtbank verzocht om een schadevergoeding als bedoeld in artikel 8:88 van de Awb. Verzoekster stelt zich op het standpunt dat zij schade heeft geleden als gevolg van het besluit van 1 juli 2022. Volgens verzoekster is verweerder niet inhoudelijk ingegaan op de geclaimde immateriële schade en is daarmee sprake van een motiveringsgebrek. Onder verwijzing naar rechtspraak van de Centrale Raad van Beroep stelt verzoekster dat een toe te kennen vergoeding voor geleden immateriële schade op basis van de redelijkheid moet worden bepaald. Eiseres wijst erop dat het al dan niet recht hebben op vergoeding van schade afhankelijk is van de uitkomst van het beroep tegen het besluit van 1 juli 2022 en dat zij van de schade als gevolg van die procedure pas opgave kan doen nadat het beroep gegrond is verklaard en opnieuw op haar bezwaar is beslist.
Het wettelijk kader
4. Op grond van artikel 8:88, aanhef en onder a, van de Awb, is de bestuursrechter bevoegd op verzoek van een belanghebbende een bestuursorgaan te veroordelen tot vergoeding van de schade die de belanghebbende lijdt of zal lijden als gevolg van een onrechtmatig besluit.
Artikel 8:90, eerste lid, van de Awb bepaalt dat het verzoek schriftelijk wordt ingediend bij de bestuursrechter die bevoegd is kennis te nemen van het beroep tegen het besluit.
Artikel 8:90, tweede lid, van de Awb bepaalt dat ten minste acht weken voor het indienen van het in het eerste lid bedoelde verzoekschrift de belanghebbende het betrokken bestuursorgaan schriftelijk om vergoeding van de schade vraagt, tenzij dit redelijkerwijs niet van hem kan worden gevergd.
Beoordeling
5. De rechtbank volgt verzoekster niet in haar standpunt dat verweerder in het besluit van 11 november 2022 niet is ingegaan op de geclaimde immateriële schade. Verweerder heeft de door eiseres geclaimde immateriële schade benoemd in het besluit en heeft vervolgens geconcludeerd dat hij geen aansprakelijkheid erkent voor de door verzoekster geclaimde schade. Dat betreft de materiële en immateriële schade. Van een motiveringsgebrek is niet gebleken.
6. Verzoekster heeft gesteld dat de aanleiding voor het recht op schadevergoeding is gelegen in de onrechtmatigheid van het besluit van 1 juli 2022, waarin aan haar een ZWuitkering werd toegekend. Bij uitspraak van heden heeft de rechtbank het beroep tegen dat besluit ongegrond verklaard. Nu geen sprake is van een onrechtmatig besluit komt de rechtbank niet toe aan de beoordeling van de geleden schade.
7. De rechtbank wijst het verzoek om schadevergoeding af.
8. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Dictum
De rechtbank wijst het verzoek af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M. Zoethout, rechter, in aanwezigheid van J.G. Mierop, griffier. De uitspraak is in het openbaar gedaan op 11 juli 2023.
De rechter is verhinderd de
uitspraak te ondertekenen.
griffier rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Bent u het niet eens met deze uitspraak?
Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep.
ECLI:NL:CRVB:2010:BM8044.