Rechtspraak
Rechtbank Rotterdam
2023-06-20
ECLI:NL:RBROT:2023:5590
Strafrecht
Proces-verbaal
1,504 tokens
=== VOLLEDIG ===
Rechtbank Rotterdam
Team straf 1
Parketnummer: 10/228943-21
Verkort proces-verbaal terechtzitting
Verkort proces-verbaal van de openbare terechtzitting van de meervoudige kamer van strafzaken in de rechtbank Rotterdam op 20 juni 2023.
Tegenwoordig als:
voorzitter mr. J.H. Janssen,
rechters mrs. E. IJspeerd en C.J.L. van Dam,
officier van justitie mr. G. van der Have,
griffier mr. J.D. Schmahl.
De voorzitter belast de jongste rechter in zijn plaats met de behandeling van de zaak.
De verdachte, op de terechtzitting aanwezig, antwoordt op de vragen van de behandelend te zijn genaamd:
[verdachte01],
geboren te [geboorteplaats01] op [geboortedatum01],
wonende op het adres: [adres01]
.
De behandelend rechter heeft door deze ondervraging de identiteit van de verdachte vastgesteld.
De behandelend rechter vermaant de verdachte oplettend te zijn op hetgeen hij zal horen en deelt hem mee, dat hij niet tot antwoorden is verplicht.
Als raadsvrouw van de verdachte is aanwezig mr. J.M. Veldman, advocaat te Breda.
De benadeelde partij, [naam01], en de gemachtigde [naam02], die haar namens Slachtofferhulp Nederland bijstaat, zijn ook verschenen.
In dit proces-verbaal zijn verklaringen en mededelingen steeds zakelijk weergegeven.
De officier van justitie draagt de zaak voor.
De behandelend rechter deelt mede de korte inhoud van het dossier.
De verdachte legt een bekennende verklaring af.
De behandelend rechter bespreekt de persoonlijke omstandigheden van de verdachte.
De gemachtigde van de benadeelde partij verzoekt om toewijzing van de schriftelijk ingediende vordering en leest de schriftelijke slachtofferverklaring voor.
De officier van justitie draagt het requisitoir voor. Zij vordert:
dat de verdachte wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 18 maanden;
dat aan de verdachte wordt opgelegd een vrijheidsbeperkende maatregel als bedoeld in artikel 38v Wetboek van Strafrecht voor de duur van 2 jaar, inhoudende dat de verdachte wordt bevolen zich te onthouden van contact met [naam01] (contactverbod). Voor iedere overtreding volgt 2 weken hechtenis met een totale duur van ten hoogste 6 maanden.
De raadsvrouw van de verdachte houdt het pleidooi. Zij voert aan:
Het feit kan wettig en overtuigend worden bewezen. De eis van de officier van justitie komt mij niet vreemd voor, gezien de aard en ernst van het feit. Toch verzoek ik de rechtbank om het anders te doen, vanwege de persoonlijke omstandigheden van mijn cliënt, door:
veroordeling van cliënt tot een gevangenisstraf voor de duur van 18 maanden, waarvan 17 maanden voorwaardelijk;
veroordeling van cliënt tot een taakstraf van maximale duur, dat wil zeggen voor de duur van 240 uur;
referte ten aanzien van het contactverbod.
De verdachte voert het laatste woord.
De behandelend rechter sluit het onderzoek ter terechtzitting en deelt mede dat de rechtbank zich terugtrekt voor beraad.
De voorzitter heropent het onderzoek ter terechtzitting na beraadslaging omdat het onderzoek niet volledig is geweest.
De voorzitter deelt mede dat de rechtbank als volgt heeft beslist.
De rechtbank acht zich onvoldoende voorgelicht om tot een passende straf te kunnen komen, dat wil zeggen een straf die recht doet aan zowel de ernst van het feit als de persoonlijke omstandigheden van de verdachte.
De rechtbank wenst door de reclassering te worden geïnformeerd over de mogelijkheden van een locatiegebod met elektronische monitoring als bijzondere voorwaarde. Het reclasseringsadvies dateert van een jaar geleden en vermeldt logischerwijs niets over deze voorwaarde. De rechtbank denkt bij de invulling van de voorwaarde aan een vorm van thuisdetentie. Dit zou kunnen betekenen dat de verdachte wel naar zijn werk kan, de behandelingen bij De Waag kan blijven volgen en dat hem bijvoorbeeld gelegenheid en ruimte wordt geboden om zijn sociale vangnet c.q. relaties uit te bouwen, maar dat hij op bepaalde uren van de dag en nacht thuis dient te blijven. De rechtbank realiseert zich dat thuisdetentie op zichzelf (nog) geen hoofdstraf is, maar anticipeert hiermee – omdat deze zaak zich er bij uitstek voor leent – op het aanhangig zijnde burgerinitiatiefwetsvoorstel van de Universiteit van Maastricht om thuisdetentie als hoofdstraf op te nemen in het Wetboek van Strafrecht.
De stukken worden in handen gesteld van de officier van justitie om door de reclassering een voorlichtingsrapport te laten uitbrengen. Het doel van het rapport is te onderzoeken wat de mogelijkheden zijn van een locatiegebod met elektronische monitoring, met inbegrip van de voorwaarden waaronder de thuisdetentie zou kunnen plaatsvinden.
Het onderzoek op de terechtzitting wordt geschorst voor onbepaalde tijd, met dien verstande dat de zaak zo spoedig mogelijk op zitting wordt gepland zodra het reclasseringsrapport gereed is.
Tegen de nadere terechtzitting dienen te worden opgeroepen:
de verdachte, met verstrekking van een afschrift van de oproeping aan de raadsvrouw;
de benadeelde partij, met verstrekking van een afschrift van de oproeping aan de gemachtigde van de benadeelde partij.
Dit proces-verbaal is vastgesteld door de voorzitter en de griffier en door hen ondertekend.