Rechtspraak
Rechtbank Rotterdam
2023-06-30
ECLI:NL:RBROT:2023:5503
Civiel recht; Verbintenissenrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
1,419 tokens
Inleiding
RECHTBANK ROTTERDAM
locatie Rotterdam
zaaknummer: 10329065 CV EXPL 23-4364
datum uitspraak: 30 juni 2023 (bij vervroeging)
Vonnis van de kantonrechter
in de zaak van
[eiser01]
,
woonplaats: [woonplaats01] ,
eiser,
gemachtigde: mr. J. Verbeeke,
tegen
Achmea Schadeverzekeringen N.V.
,
vestigingsplaats: Apeldoorn,
gedaagde,
gemachtigde: mr. F.F.F. Hack.
De partijen worden hierna ‘ [eiser01] ’ en ‘Achmea’ genoemd.
Procesverloop
1.1.
Het dossier bestaat uit de volgende processtukken:
de dagvaarding van 23 januari 2023, met producties;
de conclusie van antwoord, met producties;
de brief waarin een mondelinge behandeling is bepaald;
de spreekaantekeningen van mr. Hack.
1.2.
Op 16 juni 2023 is de zaak tijdens een mondelinge behandeling met partijen besproken.
Beoordeling
Waar gaat het om?
2.1.
[eiser01] heeft per 1 maart 2021 een all-risk verzekering afgesloten bij Achmea voor zijn Porsche Macan (hierna: de Porsche) die hij enige tijd daarvoor in Duitsland als schadeauto had gekocht. Op 11 november 2021 was de Porsche betrokken bij een eenzijdig ongeval, waarna de Porsche total loss is verklaard. Achmea heeft aan hem een bedrag van € 105.000,- uitgekeerd. In de toepasselijke polisvoorwaarden is opgenomen dat Achmea een extra vergoeding van 10% van de dagwaarde uitkeert als (1) de aanschafwaarde hoger was dan € 50.000,-, (2) de auto drie jaar of korter in het bezit is en (3) de reparatiekosten hoger zijn dan 2/3e van de dagwaarde. [eiser01] vindt dat hij recht heeft op die extra vergoeding van - in zijn geval - € 10.500,-, omdat aan alle drie de voorwaarden is voldaan. Dat bedrag vordert [eiser01] in deze procedure, met rente en kosten. Achmea is het daar niet mee eens, omdat volgens haar nergens uit blijkt wat de aanschafwaarde was van de Porsche.
2.2.
De kantonrechter wijst de vordering af. Hierna wordt uitgelegd waarom.
[eiser01] heeft niet voldoende onderbouwd dat hij de Porsche voor meer dan € 50.000,- heeft gekocht
2.3.
De kantonrechter stelt voorop dat de dagvaarding niets vermeldt over een concrete aanschafprijs. Pas tijdens de mondelinge behandeling heeft [eiser01] voor het eerst - in reactie op de vraag van de kantonrechter - gesteld dat hij de Porsche voor € 65.000,- heeft gekocht. Zijn stelling heeft [eiser01] verder niet onderbouwd met stukken, terwijl op hem wel de bewijslast rust. Daar zijn partijen het ook over eens. [eiser01] heeft daarbij verklaard dat hij geen aanschafnota of pintransactie(s) kan laten zien, omdat hij de Porsche via een tussenpersoon (zijn neef) van een particulier heeft gekocht en contant heeft betaald. Desgevraagd heeft [eiser01] ook verklaard dat rondom de koop niks op schrift is gesteld en dat er ook niet via (bijvoorbeeld) Whatsapp contact is geweest tussen de partijen die betrokken waren bij de koop. Wel heeft [eiser01] erop gewezen dat de nieuwwaarde van een Porsche Macan in Nederland is vastgesteld op € 152.686,-, de Porsche nog geen jaar oud was met een kilometerstand van minder dan 10.000 kilometer, [eiser01] € 16.667,- aan BPM heeft betaald en dat de restwaarde van de Porsche na het ongeval van 11 november 2021 nog € 57.500,- bedroeg volgens de expert van Achmea. Dat is echter onvoldoende voor de conclusie dat [eiser01] meer dan € 50.000,- heeft betaald voor de Porsche. Achmea heeft daar tegenover namelijk onweersproken aangevoerd dat de Porsche een schadeauto was met forse schade aan de voorzijde met geactiveerde airbags, de prijzen van schadeauto’s in Duitsland veel lager zijn dan in Nederland en dat de hoogte van de BPM ook niets zegt over de aanschafwaarde. De conclusie is dan ook dat [eiser01] onvoldoende heeft onderbouwd dat hij de Porsche voor meer dan € 50.000,- heeft gekocht. De kantonrechter ziet gelet op het voorgaande ook geen aanleiding om [eiser01] toe te laten tot bewijslevering.
Proceskosten
2.4.
[eiser01] krijgt ongelijk en moet daarom de proceskosten betalen (artikel 237 Rv). De kantonrechter stelt deze kosten aan de kant van Achmea tot vandaag vast op € 792,- aan salaris voor de gemachtigde (2 punten x € 396,-). Voor kosten die Achmea maakt na deze uitspraak moet [eiser01] ook een bedrag betalen van € 132,-. Hier kan nog een bedrag bijkomen als de uitspraak wordt betekend. In dit vonnis hoeft hierover niet apart te worden beslist (ECLI:NL:HR:2022:853). De wettelijke rente wordt toegewezen.
Uitvoerbaarheid bij voorraad
2.5.
Dit vonnis wordt uitvoerbaar bij voorraad verklaard (artikel 233 Rv).
Dictum
De kantonrechter:
3.1.
wijst de vordering af;
3.2.
veroordeelt [eiser01] in de proceskosten, die aan de kant van Achmea tot vandaag worden vastgesteld op € 792,- met de wettelijke rente zoals bedoeld in artikel 6:119 BW over dat bedrag vanaf de vijftiende dag na vandaag tot de dag dat volledig is betaald;
3.3.
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. B.J.R. van Tongeren en in het openbaar uitgesproken.
49039