Rechtspraak
Rechtbank Rotterdam
2023-05-26
ECLI:NL:RBROT:2023:5267
Civiel recht
Eerste aanleg - enkelvoudig
1,397 tokens
Inleiding
RECHTBANK ROTTERDAM
locatie Rotterdam
zaaknummer: 10285997 / CV EXPL 23-1747
datum uitspraak: 26 mei 2023
Vonnis van de kantonrechter
in de zaak van
Stichting ServiceOrganisatie Directe Aansprakelijkstelling (SODA)
,
gevestigd in Amersfoort,
eiseres,
gemachtigde: [gemachtigde01] te [plaats01] ,
tegen
[gedaagde01]
,
wonende in [woonplaats01] ,
gedaagde,
die zelf procedeert.
Partijen worden hierna ‘Stichting SODA’ en ‘ [gedaagde01] ’ genoemd.
Procesverloop
1.1.
Het dossier bestaat uit de volgende processtukken:
de dagvaarding van 10 januari 2023, met bijlagen;
het mondelinge verweer van [gedaagde01] ;
het tussenvonnis van 24 februari 2023;
de conclusie van repliek;
de nadere mondelinge reactie van [gedaagde01] op de rolzitting van 26 april 2023.
2
De verdere beoordeling
2.1.
De kantonrechter blijft bij zijn overwegingen en beslissingen in het tussenvonnis van 24 februari 2023 en neemt die hier over.
2.2.
In het tussenvonnis is geoordeeld dat het door Stichting SODA gevorderde bedrag van € 15,02 toewijsbaar is. Verder is Stichting SODA in de gelegenheid gesteld om nader te onderbouwen op grond waarvan zij het bedrag van € 131,00 aan - kort gezegd - schadeberekening van [gedaagde01] vordert.
2.3.
Stichting SODA heeft naar aanleiding van het tussenvonnis - voor zover van belang - het volgende gesteld. [gedaagde01] kon ten tijde van het tanken niet betalen. [gedaagde01] heeft daarom een schuldbekentenis ingevuld en ondertekend met zijn naam. [gedaagde01] heeft daarbij te kennen gegeven dat hij de onbetaalde rekening binnen 24 uur na ondertekening alsnog zou betalen. Dat is niet gebeurd, waarna het tankstation uiteindelijk Stichting SODA heeft ingeschakeld om de vordering te incasseren. Het tankstation c.q. Stichting SODA heeft vervolgens kosten moeten maken om te achterhalen of de persoon die de schuldbekentenis heeft getekend ook de kentekenhouder is van het voertuig waarmee is getankt zonder te betalen. Dit kan alleen door de deurwaarder worden gedaan. De deurwaarder moet daarnaast ook een dossier aanleggen. Verder heeft de houder van het tankstation - naast de tijd die gemoeid is met de afhandeling van het tanken zonder te betalen - verschillende kosten gemaakt en preventieve maatregelen genomen om tanken zonder te betalen te voorkomen. Zo heeft de houder van het tankstation camera’s aangeschaft en opgehangen, krijgt het personeel training en hangen er - indien mogelijk - zichtbaar waarschuwingen (stickers en/of posters) dat er in het geval van tanken zonder te betalen een bedrag van € 131,00 wordt gevorderd. Dit bedrag is omwille van een vlotte en eenduidige afdoening gestandaardiseerd en gebaseerd op een minimumbedrag aan schadevergoeding. Een exacte schadeberekening per geval kost meer tijd en geld en levert daardoor ook een hoger bedrag aan schadevergoeding op dat zal worden gevorderd, aldus Stichting SODA.
2.4.
[gedaagde01] heeft de nadere stellingen van Stichting SODA niet weersproken. Daarom staan die stellingen in deze zaak vast. Op grond van die stellingen is de kantonrechter van oordeel dat Stichting SODA alsnog voldoende heeft onderbouwd dat het tankstation c.q. zijzelf redelijke kosten heeft gemaakt om de schade en aansprakelijkheid vast te stellen en voldoening buiten rechte te verkrijgen (artikel 6:96 lid 2 sub b en c van het Burgerlijk Wetboek, ‘BW’). Aangezien de hoogte van de schadeberekening verder niet is weersproken, is het bedrag van € 131,00 ook toewijsbaar.
2.5.
Op het in totaal door [gedaagde01] aan Stichting SODA verschuldigde bedrag van € 146,02 aan hoofdsom strekt in mindering het door [gedaagde01] al aan Stichting SODA betaalde bedrag van € 97,34, zodat een bedrag van € 48,68 aan hoofdsom resteert. Dit bedrag wordt toegewezen.
2.6.
De vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten van € 40,00 wordt toegewezen, omdat aan alle voorwaarden is voldaan om deze kosten vergoed te krijgen (artikel 6:96 BW).
2.7.
De wettelijke rente wordt toegewezen zoals onder de beslissing staat vermeld, omdat Stichting SODA genoeg heeft gesteld waaruit volgt dat deze moet worden betaald en [gedaagde01] dat niet heeft betwist.
2.8.
[gedaagde01] krijgt ongelijk en moet daarom de proceskosten betalen (artikel 237 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering, ‘Rv’). De kantonrechter stelt deze kosten aan de kant van Stichting SODA tot vandaag vast op € 107,22 aan dagvaardingskosten, € 128,00 aan griffierecht en € 78,00 aan salaris voor de gemachtigde (twee punten x € 39,00). Dit is in totaal € 313,22. Voor kosten die Stichting SODA maakt na deze uitspraak moet [gedaagde01] een bedrag betalen van € 19,50. Hier kan nog een bedrag bijkomen als de uitspraak wordt betekend. In dit vonnis hoeft hierover niet apart te worden beslist (zie de uitspraak van de Hoge Raad van 10 juni 2022, gepubliceerd onder ECLI:NL:HR:2022:853).
2.9.
Dit vonnis wordt uitvoerbaar bij voorraad verklaard (artikel 233 Rv).
Dictum
De kantonrechter:
3.1.
veroordeelt [gedaagde01] om aan Stichting SODA te betalen € 89,43 met de wettelijke rente zoals bedoeld in artikel 6:119 BW over een bedrag van € 48,68 vanaf 22 december 2022 tot de dag van volledige betaling;
3.2.
veroordeelt [gedaagde01] in de proceskosten die aan de kant van Stichting SODA tot vandaag worden vastgesteld op € 313,22;
3.3.
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad;
3.4.
wijst al het andere af.
Dit vonnis is gewezen door mr. W.J.J. Wetzels en in het openbaar uitgesproken.
38671