Rechtspraak
Rechtbank Rotterdam
2023-06-16
ECLI:NL:RBROT:2023:5207
Civiel recht; Verbintenissenrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
2,520 tokens
Inleiding
RECHTBANK ROTTERDAM
locatie Rotterdam
zaaknummer: 10186478 CV EXPL 22-34362
datum uitspraak: 16 juni 2023
Vonnis van de kantonrechter
in de zaak van
1
[eiser01] ,
2.
[eiser02]
,
woonplaats: [woonplaats01] ,
eisers in conventie, verweerders in voorwaardelijke reconventie,
gemachtigde: mr. M.C. van den Ende,
tegen
Gemeente Rotterdam
vestigingsplaats: Rotterdam,
gedaagde in conventie, eiseres in voorwaardelijke reconventie,
gemachtigde: mr. N.C. van Eck.
De partijen worden hierna ‘ [eiser01] ’, ‘ [eiser02] ’ en ‘Gemeente Rotterdam’ genoemd. [eiser01] en [eiser02] worden samen aangeduid als ‘eisers’.
Procesverloop
1.1.
Het dossier bestaat uit de volgende processtukken:
de dagvaarding van 4 november 2022, met bijlagen;
het antwoord met een eis in voorwaardelijke reconventie (tegeneis), met een bijlage;
het antwoord in voorwaardelijke reconventie, met een bijlage;
de brief van eisers van 11 mei 2023, met bijlagen;
de mail van Gemeente Rotterdam van 17 mei 2023, met een bijlage;
de spreekaantekeningen van eisers.
1.2.
Op 24 mei 2023 is de zaak tijdens een mondelinge behandeling met partijen en hun gemachtigden besproken.
Beoordeling
Wat is de kern?
2.1.
[eiser01] huurt een woning van Gemeente Rotterdam. Sinds 2017 woont zijn dochter [eiser02] (met haar twee kinderen), bij hem in deze woning. [eiser02] eist in deze procedure dat de kantonrechter bepaalt dat zij medehuurder zal zijn van de woning.
2.2.
Gemeente Rotterdam is het niet eens met deze eis. Zij vindt dat [eiser02] niet moet worden aangemerkt als medehuurder, omdat zij niet voldoet aan de wettelijke eisen. Wanneer de eis van [eiser02] toch wordt toegewezen, dan eist Gemeente Rotterdam dat de kantonrechter bepaalt dat [eiser02] een marktconforme huurprijs verschuldigd is.
2.3.
De kantonrechter bepaalt in dit vonnis dat [eiser02] per vandaag wordt aangemerkt als medehuurder, omdat er geen sprake is van één van de afwijzingsgronden uit de wet. De tegeneis om te bepalen dat hogere huurprijs voor [eiser02] geldt wordt afgewezen, omdat de wet daar geen ruimte voor biedt. In dit vonnis licht de kantonrechter dit oordeel toe.
Medehuurderschap
2.4.
Op 22 maart 2022 hebben [eiser01] en [eiser02] een verzoek ingediend bij gemeente Rotterdam, om [eiser02] aan te merken als medehuurder. Gemeente Rotterdam heeft niet aan dat verzoek voldaan. Op grond van de wet kunnen [eiser01] en [eiser02] daarom de kantonrechter verzoeken om te bepalen dat [eiser02] medehuurder zal zijn (artikel 7:267 BW). De kantonrechter kan dit alleen weigeren als sprake is van één van de drie afwijzingsgronden uit de wet (lid 3). Van geen van deze afwijzingsgronden is sprake, zoals uit het volgende blijkt.
Afwijzingsgrond 1: geen 2 jaar hoofdverblijf en duurzaam gemeenschappelijke huishouding
2.5.
De eis moet worden afgewezen wanneer [eiser02] niet gedurende twee jaar haar hoofdverblijf heeft in de woning en een duurzaam gemeenschappelijke huishouding met [eiser01] voert.
2.6.
Er is geen discussie over dat [eiser02] sinds 2017 haar hoofdverblijf heeft in de woning. Partijen discussiëren er wel over of [eiser02] een duurzaam gemeenschappelijke huishouding heeft met [eiser01] . De kantonrechter oordeelt dat Gemeente Rotterdam onvoldoende gemotiveerd heeft betwist dat daarvan sprake is. Daarvoor is het volgende van belang.
Gemeenschappelijkheid
2.7.
Eisers hebben gesteld dat er sprake is van een gemeenschappelijke huishouding. Zij hebben daarbij aangevoerd dat er sprake is van financiële verwevenheid. Zij hebben onbetwist gesteld en onderbouwd dat zij een gezamenlijke bankrekening hebben, die iedere maand wordt gevoed door het pensioen en de AOW-uitkering van [eiser01] en (in ieder geval sinds september 2021) door stortingen van € 500,- door [eiser02] . Zij hebben gesteld dat de vaste lasten en boodschappen van deze rekening worden betaald. Gemeente Rotterdam heeft het laatste betwist, omdat zij hiervan meer betaalbewijzen had willen zien. De kantonrechter is het met Gemeente Rotterdam eens dat eisers dit verder hadden kunnen specificeren, maar stelt vast dat er in ieder geval door de gedeeltelijke bundeling van inkomsten en uitgaven sprake is van een aanzienlijke financiële verwevenheid. Te meer omdat eisers tijdens de zitting onbetwist hebben aangevoerd dat zij sinds 2020 ook fiscale partners zijn.
2.8.
Naast deze financiële verwevenheid is er sprake van sociale verwevenheid. Eisers hebben tijdens de zitting namelijk onbetwist aangevoerd dat [eiser02] het huishouden verzorgt, zoals de was, schoonmaak en boodschappen, en dagelijks maaltijden kookt, die door [eiser02] (en haar kinderen) en [eiser01] samen worden genuttigd. Ook hebben zij onbetwist aangevoerd dat [eiser02] en [eiser01] samen hun vrije tijd doorbrengen (tv kijken) en alle ruimtes van het huis, zoals de wc, keuken en badkamer, gezamenlijk gebruiken.
2.9.
Op basis van het voorgaande concludeert de kantonrechter dat er sprake is van een verregaande sociale verwevenheid, dit in samenhang met de (in ieder geval) aanzienlijke financiële verwevenheid, leidt de kantonrechter tot het oordeel dat er sprake is van een gemeenschappelijke huishouding.
Duurzaamheid
2.10.
Eisers hebben gesteld en onderbouwd dat de gemeenschappelijke huishouding ook duurzaam is. Zij hebben er daarbij onbetwist op gewezen dat [eiser02] sinds november 2017, dus inmiddels ongeveer 5,5 jaar, bij haar vader woont. [eiser02] heeft daarnaast gesteld dat zij de intentie heeft om hier ook te blijven. Het tegendeel is de kantonrechter niet gebleken. Gelet daarop oordeelt de kantonrechter dat de duurzaamheid voldoende is onderbouwd.
2.11.
Op basis van het voorgaande stelt de kantonrechter vast dat [eiser02] gedurende twee jaar haar hoofdverblijf heeft in de woning en een duurzaam gemeenschappelijke huishouding met [eiser01] voert. De eerste afwijzingsgrond doet zich dus niet voor.
Afwijzingsgrond 2: eis kennelijk bedoeld om hoofdhuurder te worden
2.12.
De eis moet daarnaast worden afgewezen wanneer deze alleen maar tot doel heeft om [eiser02] op korte termijn de positie van huurder te geven. Dat hiervan sprake is, is niet door Gemeente Rotterdam gesteld en dit is ook niet gebleken. Ook de tweede afwijzingsgrond speelt dus niet.
Afwijzingsgrond 3: [eiser02] biedt onvoldoende financiële waarborg
2.13.
De eis moet ten slotte worden afgewezen wanneer [eiser02] vanuit financieel oogpunt onvoldoende waarborg biedt voor een behoorlijke nakoming van de huur. Gemeente Rotterdam heeft er terecht op gewezen dat [eiser02] hierover in de dagvaarding niets gesteld heeft. Voorafgaand aan de mondelinge behandeling heeft [eiser02] echter een loonstrook in het geding gebracht, waaruit volgt dat zij op dit moment een nettoloon van € 1.734,89 per maand ontvangt. Zij heeft tijdens de zitting gesteld dat dit voldoende is om de huur van te kunnen betalen. Dat heeft Gemeente Rotterdam niet betwist. De kantonrechter oordeelt daarom dat ook deze derde en laatste afwijzingsgrond niet speelt.
2.14.
Aangezien geen van de drie afwijzingsgronden zich voordoet wordt de eis van [eiser02] toegewezen. De kantonrechter bepaalt daarom dat [eiser02] met ingang van vandaag medehuurder zal zijn.
Geen wettelijke grond voor huurverhoging
2.15.
Gemeente Rotterdam heeft een voorwaardelijke tegeneis ingesteld voor het geval de eis van [eiser02] wordt toegewezen. Zoals uit het voorgaande blijkt wordt deze voorwaarde vervuld. De tegeneis moet daarom worden behandeld. Gemeente Rotterdam eist dat de kantonrechter bepaalt dat [eiser02] vanaf de datum dat zij huurder wordt een marktconforme huurprijs verschuldigd zal zijn. Deze eis wordt afgewezen. Tijdens de zitting heeft Gemeente Rotterdam twee grondslagen voor deze eis aangevoerd, maar die slagen allebei niet.
2.16.
Gemeente Rotterdam heeft ten eerste gesteld dat het in strijd met de redelijkheid en billijkheid is dat [eiser02] zich beroept op het wettelijk systeem. Zij heeft erop gewezen dat [eiser01] al vanaf 1973 de woning huurt. De huurprijs is sindsdien wel verhoogd, maar Gemeente Rotterdam zit daarbij wel vast aan de maximale huurprijsverhoging die volgt uit de wet (artikel 7:248 e.v. BW). Inmiddels is de huurprijs daarom volgens Gemeente Rotterdam een stuk lager dan gebruikelijk in de markt. Gemeente Rotterdam betoogt dat wanneer [eiser02] medehuuurder wordt, het mogelijk nog langer zal duren voor Gemeente Rotterdam (of een opvolgend verhuurder) de huur kan ‘harmoniseren’. Dat is volgens haar in strijd met de redelijkheid en billijkheid. De kantonrechter volgt deze redenering niet. Door de wetgever is bewust gekozen voor dit wettelijk stelsel waarbij huurverhogingen in een bestaande huurverhouding zijn gemaximeerd en gereguleerd. [eiser02] treedt als medehuurder toe tot zo’n bestaande huurverhouding met de daarbij behorende bestaande rechten en plichten. Dat dit leidt tot onvoorziene of tot onredelijke uitkomsten, anders dan door de wetgever beoogd, ziet de kantonrechter niet. Daar komt bij dat door eisers onbetwist is gesteld dat Gemeente Rotterdam nooit serieus heeft geïnvesteerd in de woning en ook niet voornemens is dit te doen, zodat ook in dat opzicht niet valt in te zien waarom de ‘oude’ huurprijs onredelijk of onbillijk is.
2.17.
Dictum
De kantonrechter:
3.1.
bepaalt dat [eiser02] met ingang van vandaag medehuurder zal zijn van de woning op het adres [adres01] te ( [postcode01] ) Rotterdam;
3.2.
veroordeelt Gemeente Rotterdam in de proceskosten in conventie en in reconventie die aan de kant van eisers tot vandaag worden vastgesteld op € 814,18, met de wettelijke rente zoals bedoeld in artikel 6:119 BW over dat bedrag vanaf de vijftiende dag na vandaag tot de dag van volledige betaling;
3.3.
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad;
3.4.
wijst al het andere, waaronder de vordering in reconventie, af.
Dit vonnis is gewezen door mr. K.J. Bezuijen en in het openbaar uitgesproken.
33394