Rechtspraak
Rechtbank Rotterdam
2023-05-30
ECLI:NL:RBROT:2023:4520
Bestuursrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
1,174 tokens
Inleiding
RECHTBANK ROTTERDAM
Bestuursrecht
zaaknummer: ROT 21/4706
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 30 mei 2023 in de zaak tussen
[naam eiser], uit [plaatsnaam], eiser,
(gemachtigde: [naam 1]),
en
de heffingsambtenaar van de gemeente Rotterdam, verweerder,
(gemachtigde: [naam 2]).
Inleiding
Verweerder heeft eiser bij beschikking van 21 april 2021 een naheffingsaanslag in de parkeerbelastingen opgelegd. De naheffingsaanslag beloopt in totaal € 67,86, bestaande uit € 2,56 aan verschuldigde parkeerbelasting en € 65,30 aan kosten naheffing (vorderingsnummer 5509309339).
Bij uitspraak op bezwaar van 28 juli 2021 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser tegen de beschikking en de aanslag niet-ontvankelijk verklaard.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
Verweerder heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 10 maart 2023. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Eiser en de gemachtigde van eiser zijn zonder bericht niet verschenen.
Beoordeling
1. Op 14 april 2021 om 10:38 uur heeft een parkeercontroleur geconstateerd dat de auto van eiser (kenteken [kenteken]) stond geparkeerd op locatie Taborstraat te Rotterdam zonder dat er aan de betaalplicht is voldaan. Er bestaat geen geschil over dat daar op dat moment een betaald parkeerregime gold en dat eiser geen parkeerbelasting heeft betaald.
2. In geschil is of verweerder terecht het bezwaar van eiser niet-ontvankelijk heeft verklaard. Verweerder stelt dat eiser geen gronden van bezwaar heeft ingediend. Eiser bestrijdt dit.
3.1.
Eiser stelt dat hij bij brief van 16 juni 2021 een (aanvullend) bezwaarschrift naar verweerder heeft gestuurd, als reactie op de brief van 3 juni 2021 van verweerder waarin wordt gevraagd om het bezwaar aan te vullen met gronden. Eiser stelt in het aanvullend bezwaarschrift dat hij geen parkeerbelasting hoefde te betalen omdat hij bezig was met laden en/of lossen. Verweerder betwist de ontvangst van deze brief.
3.2.
In deze situatie is het aan eiser om aannemelijk te maken dat het aanvullend bezwaarschrift op het adres van verweerder is ontvangen. Eiser heeft hiertoe een verzendbewijs en een schermprint van de bezorging door PostNL overgelegd. Hierop is te zien dat een brief op 17 juni 2021 is ontvangen op het adres dat op de schermprint is genoemd. Daarnaast heeft de gemachtigde van eiser een verklaring overgelegd, mede ondertekend door de partner van gemachtigde, waarin wordt verklaard dat onder meer het aanvullend bezwaarschrift op 16 juni 2021 aangetekend is verzonden.
3.3.
Naar het oordeel van de rechtbank heeft eiser niet aannemelijk gemaakt dat het aanvullend bewaarschrift door verweerder is ontvangen. Daarom heeft verweerder terecht het bezwaar van eiser niet-ontvankelijk verklaard. Op de schermprint van de bezorging door PostNL is te zien dat het uiteindelijke bezorgadres afwijkt van het oorspronkelijke bezorgadres dat door eiser aan PostNL is opgegeven. Op de zitting heeft verweerder aangevoerd dat het uiteindelijke bezorgadres geen adres van de gemeente is. Hierdoor is dus niet gebleken dat verweerder het aanvullend bezwaarschrift heeft ontvangen.
4. Omdat verweerder het bezwaar van eiser terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard, heeft verweerder op grond van artikel 7:3, onder a, van de Algemene wet bestuursrecht af mogen zien van het horen van eiser. De hoorplicht is niet geschonden.
Dictum
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. S. Ketelaars-Mast, rechter, in aanwezigheid van
mr. W.D.F. Oskam, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 30 mei 2023.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar het gerechtshof Den Haag waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.