Rechtspraak
Rechtbank Rotterdam
2023-06-01
ECLI:NL:RBROT:2023:4457
Civiel recht; Verbintenissenrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
3,044 tokens
Inleiding
RECHTBANK ROTTERDAM
locatie Dordrecht
zaaknummer: 10315618 CV EXPL 23-455
datum uitspraak: 1 juni 2023 (bij vervroeging)
Vonnis van de kantonrechter
in de zaak van
de stichting
Stichting HW Wonen
,
vestigingsplaats: Oud-Beijerland,
eiseres,
gemachtigde: mr. K.A.M. Jaspers,
tegen
1.
[gedaagde01] ,
en
2. [gedaagde02] ,
woonplaats: [woonplaats01] ,
gedaagden,
gemachtigde: mr. A. Rhijnsburger.
Eiseres wordt hierna aangeduid als ‘HW Wonen’. Gedaagden worden hierna gezamenlijk aangeduid als [gedaagden01] (in mannelijk enkelvoud) en afzonderlijk als [gedaagde01] en [gedaagde02] .
Procesverloop
1.1.
Het dossier bestaat uit de volgende processtukken:
de dagvaarding van 27 januari 2023, met bijlagen;
het antwoord, met bijlagen;
de brief van 3 mei 2023 van HW Wonen, met bijlagen;
de brief van 4 mei 2023 van HW Wonen, met één bijlage.
1.2.
Op 9 mei 2023 is de zaak tijdens een mondelinge behandeling met partijen besproken. Daarbij waren van de zijde van HW Wonen aanwezig: [naam01] , woonconsultant bij HW Wonen, en de gemachtigde, mr. Jaspers, voornoemd. [gedaagde01] en [gedaagde02] waren in persoon aanwezig; zij werden bijgestaan door hun gemachtigde, mr. Rhijnsburger, voornoemd.
Feiten
2.1.
[gedaagde01] huurt sinds 1 november 1975 (van de rechtsvoorgangster) van HW Wonen de woning gelegen aan de [adres01] te [plaats01] (hierna: ‘het gehuurde’). [gedaagde02] is vanwege haar huwelijk met [gedaagde01] medehuurster van het gehuurde. [gedaagden01] deelt het gehuurde met zijn twee volwassen kinderen van respectievelijk 27 en 21 jaar oud.
2.2.
In het kader van een door HW Wonen aangespannen voorlopig getuigenverhoor zijn aan de kant van HW Wonen zeven getuigen gehoord, waaronder [gedaagde01] , [naam02] ; zij is werkzaam bij [bedrijf01] (hierna: ‘onderzoekster [naam02] ’), [naam03] ; hij is wijkagent (hierna: ‘ [naam03] ’), en drie (voormalige) buren van [gedaagden01] In contra-enquête heeft [gedaagde01] zijn partner, [gedaagde02] , en zijn twee thuiswonende kinderen gehoord, alsmede twee oud-buren.
Geschil
3.1.
HW Wonen vordert, samengevat, om bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, de huurovereenkomst tussen haar en [gedaagden01] te ontbinden en [gedaagden01] te veroordelen het gehuurde binnen twee weken na betekening van het vonnis te ontruimen, met afgifte van de sleutels aan HW Wonen, een en ander met veroordeling van [gedaagden01] in de proceskosten.
3.2.
Volgens HW Wonen gedraagt (met name) [gedaagde01] zich (al een tijd) niet als een goed huurder. Zijn gedrag zorgt voor veel overlast. De overlast bestaat onder meer uit het maken van beeld- en geluidsopnames van buurtgenoten, het met regelmaat plaatsen van negatieve (en suggestieve) berichten op Facebook over die buurtgenoten en het (op indringende wijze) aanspreken van de omwonenden op hun woongedrag. Buurtgenoten durven bijna geen geluid meer te maken in hun eigen woning en ervaren geen woongenot (meer). Vanwege dit gedrag van [gedaagde01] zijn al diverse huurders (lees: naaste buren van [gedaagden01] ) verhuisd naar een andere woning. De buurt is kortom het gedrag van [gedaagde01] meer dan zat. Op zijn beurt klaagt [gedaagde01] sinds jaar en dag, onterecht, bij HW Wonen over de staat van zijn woning en zijn (directe) buren. Volgens HW Wonen is deze situatie onhoudbaar. Zij heeft geen vertrouwen dat [gedaagde01] zich als een goed huurder zou gedragen. Daarom vordert zij ontbinding van de huurovereenkomst en ontruiming van het gehuurde.
3.3.
[gedaagden01] voert verweer en concludeert tot afwijzing van de vordering.
Beoordeling
het juridisch kader
4.1.
De vraag die in deze procedure centraal staat is of de gestelde overlast ontbinding van de huurovereenkomst en dientengevolge ontruiming van het gehuurde rechtvaardigt. Als uitgangspunt bij de beantwoording van deze vraag geldt het bepaalde in artikel 7:213 BW: de huurder is verplicht zich ten aanzien van het gebruik van het gehuurde als een goed huurder te gedragen. Hij dient hierbij niet alleen goed voor het gehuurde te zorgen; hij moet ook voorkomen dat omwonenden overlast van hem ervaren. Deze verplichtingen, die in dit geval op [gedaagden01] rusten, volgen ook uit artikel 4 van de huurovereenkomst die [gedaagde01] met (de rechtsvoorgangster van) HW Wonen heeft gesloten.
4.2.
Als huurder zijn verplichtingen niet nakomt, mag verhuurder de rechter vragen om de huurovereenkomst te ontbinden. De verhuurder hoeft dus niet eerst een ‘verbodsactie’ op te starten, zoals betoogd door [gedaagden01] ; het staat de verhuurder vrij om de huurder te dagvaarden. De rechter wijst de vordering tot ontbinding van de huurovereenkomst alleen toe als de schending ernstig genoeg is om de huurovereenkomst te beëindigen, dat wil zeggen: tenzij de tekortkoming gelet op haar bijzondere aard of geringe betekenis deze ontbinding met haar gevolgen niet rechtvaardigt. Slechts een tekortkoming van voldoende gewicht geeft recht op (gehele of gedeeltelijke) ontbinding van de overeenkomst. De rechter moet bij zijn oordeel rekening houden met alle omstandigheden.
opnames maken vanuit het gehuurde
4.3.
[gedaagde01] maakt sinds langere tijd, stelselmatig, beeld- en geluidsopnames vanuit het gehuurde. Weliswaar is door [gedaagden01] betoogd dat deze opnames bedoeld zijn om de overlast die hij ervaart (van de buren) vast te leggen, maar niet duidelijk is geworden waar deze (geluids)overlast uit zou bestaan, en waartoe deze opnames (uiteindelijk) zouden dienen. Uit het voorlopig getuigenverhoor is gebleken dat [gedaagden01] grote moeite heeft met geluid dat afkomstig is van, bijvoorbeeld, een vallende wc-bril, een buurman die na een nachtdienst doucht, stampende konijnen in hun hok of de buurvrouw die een keer nachtelijk hoorbaar plezier heeft van en met haar partner. Deze geluiden zijn, zoals ook onbestreden gesteld door HW Wonen, woongeluiden en horen bij een woonwijk waar men leeft, dat wil zeggen: woont, werkt en plezier heeft. De kantonrechter ziet in redelijkheid niet hoe deze (leef)geluiden gekwalificeerd zouden kunnen worden als overlast. Wat echter wél in dit verband overlast oplevert, is het langdurig maken en opslaan van beeld- en geluidsfragmenten, zonder toestemming. Dit is een ongeoorloofde schending van de privacy van de betrokken buren. [gedaagden01] lijkt daar niet zoveel moeite mee te hebben. Immers hij spreekt zijn buren regelmatig en op indringende wijze aan op de voornoemde woongeluiden die zij maken. De buurt vreest [gedaagden01] en dat is ook terecht. Dit volgt onder meer uit de verklaringen van onderzoekster [naam02] en [naam03] . Zij hebben, onder ede, uitvoerig en gedetailleerd verklaard dat en waarom het gedrag van [gedaagde01] tot grote onvrede leidt bij andere buren en buurtgenoten. Dat beide getuigen niet ‘onafhankelijk’, dan wel niet ‘deskundig’ zouden zijn, zoals betoogd door [gedaagden01] is niet komen vast te staan. Immers heeft onderzoekster [naam02] in opdracht van de gemeente een onderzoek uitgevoerd naar de leefbaarheid in de straat waar ook [gedaagden01] woont en [naam03] is al geruime tijd, ambtshalve, met die straat bekend. Nu beide getuigen ook geen belang hebben bij de uitkomst van deze procedure, gaat de kantonrechter uit van de juistheid van hun verklaringen.
negatieve en suggestieve berichten plaatsen op Facebook
4.4.
[gedaagde01] beheert diverse Facebookpagina’s die openbaar zijn, dat wil zeggen: publiek toegankelijk zijn. Door HW Wonen is in dit verband onbetwist gesteld dat [gedaagde01] op deze pagina’s met regelmaat negatieve en suggestieve berichten plaatst die betrekking hebben op zijn buurt en het gedrag van zijn buurtgenoten. Deze Facebookberichten zijn onbestreden door HW Wonen in het geding gebracht. De inhoud van deze berichten is inderdaad (voor een groot deel) kwetsend, beschuldigend en dreigend. Dat is heftig. Uit die berichten kan worden afgeleid dat [gedaagde01] zich een slachtoffer voelt van bedrog en samenzwering van (manipulatieve) buurtgenoten. Hij voelt daarom de noodzaak om deze berichten te plaatsen en beroept zich daarbij op vrijheid van meningsuiting. Zijn beroep op vrijheid van meningsuiting slaagt echter niet. Vrijheid van meningsuiting is een belangrijk grondrecht, maar niet absoluut. Zo kan het worden beperkt, mits de beperking bij wet is voorzien en deze ook noodzakelijk is in een democratische samenleving, bijvoorbeeld ter bescherming van de goede naam en de rechten van anderen. De verplichting tot goed huurderschap kwalificeert als een beperking die bij wet is voorzien. Door voortdurend negatieve berichten op Facebook te plaatsen over zijn buren, heeft [gedaagde01] een negatieve sfeer in de buurt gecreëerd en zijn buren onnodig geschaad in hun goede naam. Dit gedrag is in strijd met goed huurderschap en kan daarom niet worden getolereerd. Ook niet met een beroep op vrijheid van meningsuiting.
ontbinding van de huurovereenkomst en ontruiming van het gehuurde
4.5.
Uit het voorgaande volgt dat de gedragingen van [gedaagde01] ieder afzonderlijk en in onderlinge samenhang bezien tezamen kwalificeren als overlast en dus als een tekortkoming in de nakoming van de verplichtingen die uit hoofde van de huurovereenkomst op [gedaagden01] rusten. Deze tekortkoming rechtvaardigt gezien haar ernst en aard ontbinding van de huurovereenkomst. Dit betekent dat de vordering van HW Wonen tot ontbinding van de huurovereenkomst zal worden toegewezen. Dit geldt ook voor de vordering tot ontruiming van het gehuurde, zij het dat, gezien de duur van het verblijf dat [gedaagden01] in het gehuurde heeft gehad, de termijn van de ontruiming op vier weken na betekening van dit vonnis zal worden bepaald. Dit geeft [gedaagden01] (extra) gelegenheid om zich voor te bereiden op de ontruiming. Bij zijn beslissing weegt de kantonrechter in het nadeel van [gedaagden01] mee dat hij buurtbemiddeling geen kans heeft gegeven en nooit is ingegaan op voorstellen van HW Wonen om te verhuizen naar een andere woning.
proceskosten
4.6.
[gedaagden01] wordt in het ongelijk gesteld en moet de proceskosten betalen. De proceskosten worden aan de kant van HW Wonen tot vandaag vastgesteld op € 129,14 aan dagvaardingskosten, € 128,- aan griffierecht en € 398,- aan salaris van de gemachtigde (2 punten x € 199,- tarief). Dit is totaal € 655,14. Voor kosten die HW Wonen maakt na dit vonnis moet [gedaagden01] ook een bedrag betalen van € 99,50. Hier kan nog een bedrag bijkomen voor de betekening van dit vonnis. Hierover hoeft in dit vonnis geen aparte beslissing te worden genomen.
uitvoerbaarheid bij voorraad
4.7.
Dictum
De kantonrechter:
5.1.
ontbindt de huurovereenkomst tussen partijen en veroordeelt [gedaagden01] om binnen vier weken na betekening van dit vonnis het gehuurde aan de [adres01] te [plaats01] te ontruimen met alle personen en zaken die zich daar vanwege [gedaagden01] bevinden en om het gehuurde met alle sleutels ter beschikking van HW Wonen te stellen;
5.2.
veroordeelt [gedaagden01] in de proceskosten, aan de kant van HW Wonen tot vandaag vastgesteld op € 655,14;
5.3.
verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
5.4.
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. dr. S. Wahedi en in het openbaar uitgesproken.
53956