Rechtspraak
Rechtbank Rotterdam
2023-05-24
ECLI:NL:RBROT:2023:4431
Civiel recht; Verbintenissenrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
1,613 tokens
Inleiding
vonnis
RECHTBANK ROTTERDAM
Team handel en haven
zaaknummer / rolnummer: C/10/651553 / HA ZA 23-88
Vonnis in incident van 24 mei 2023
in de zaak van
[naam01]
,
wonende te [woonplaats01] ,
eiser in conventie in de hoofdzaak,
verweerder in reconventie in de hoofdzaak,
verweerder in het incident,
advocaat mr. P.J.P. van Huizen te Rotterdam,
tegen
1
[naam02] ,
wonende te [woonplaats02] ,
gedaagde in conventie,
eiser in het incident,
advocaat mr. M.G. Hop te Dreischor,
2.
[naam03]
,
wonende te [woonplaats03] ,
gedaagde in conventie,
eiser in het incident,
advocaat mr. M.G. Hop te Dreischor,
3.
[naam04]
,
wonende te [woonplaats04] ,
gedaagde in conventie,
eiser in reconventie,
advocaat mr. A.L.T. van Vught te [woonplaats04] ,
4.
[naam05]
,
wonende te [woonplaats05] ,
gedaagde in conventie,
eiser in reconventie,
advocaat mr. A.L.T. van Vught te [woonplaats04] ,
5.
[naam06]
,
wonende te [woonplaats05] ,
gedaagde in conventie,
eiser in reconventie,
advocaat mr. A.L.T. van Vught te [woonplaats04] .
Eiser zal hierna [naam01] genoemd worden. Gedaagden sub 1 en 2 zullen gezamenlijk [naam02] c.s. genoemd worden en gedaagden sub 3 tot en met 5 [naam04] c.s.
Procesverloop
1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
de dagvaarding, met producties;
de conclusie van antwoord in conventie tevens conclusie van eis in reconventie, met producties;
de incidentele conclusie tot oproeping in vrijwaring, met producties;
de conclusie van antwoord in het vrijwaringsincident.
1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald in het incident.
2
De vordering in de hoofdzaak
2.1.
[naam01] vordert dat de rechtbank bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, gedaagden hoofdelijk veroordeelt tot betaling van de tegenwaarde in euro’s van USD 1.560.645,40, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de dag van de onrechtmatige verdeling tot aan de dag der algehele voldoening en de proces- en nakosten, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf veertien dagen na het vonnis.
2.2.
[naam01] legt aan zijn vorderingen het volgende ten grondslag. [naam01] is voormalig bestuurder en aandeelhouder van Sol Development Corporation. B.V. (hierna te noemen: Sol Development). Sol Development vormde vanaf 2 juni 2006 met de vennootschappen van [naam02] c.s. en vanaf 1 april 2009 ook tezamen met de vennootschappen van [naam04] c.s., een maatschap onder de naam Maatschap [maatschap01] (hierna: de maatschap). Op 3 mei 2016 is Sol Development in staat van faillissement verklaard, met aanstelling van [curator01] tot curator (hierna: de curator). In elk geval per deze datum is de maatschap ontbonden.
2.3.
Op 29 september 2021 heeft de curator aan [naam01] tegen betaling van
€ 2.500,- een vordering gecedeerd. Die vordering wordt omschreven als “vordering op de maten tere zake van ontbinding en vereffening van BG (en afgeleid daarvan mogelijk een vordering op de bestuurders van die maten)”. Tot het vermogen van de maatschap behoorde een vastgoedproject op Aruba. Op grond van de Maatschapsovereenkomst komt aan Sol Development een deel van het maatschapsvermogen toe. Sol Development heeft schade geleden omdat zij – ten onrechte – niet is betrokken in de verdeling van het vastgoedproject op Aruba. Nu [naam01] eigenaar is geworden van de vorderingen op de maten, vordert hij vergoeding van deze schade.
2.4.
[naam04] c.s. hebben voor antwoord geconcludeerd en tevens een eis in reconventie ingesteld.
2.5.
[naam02] c.s. hebben nog niet voor antwoord geconcludeerd.
Geschil
3.1.
[naam02] c.s. vorderen dat hen wordt toegestaan de curator pro se in vrijwaring op te roepen.
3.2.
[naam02] c.s. stellen dat de curator onrechtmatig heeft gehandeld door een niet bestaande vordering over te dragen aan [naam01] . Van een curator mag verwacht worden dat hij handelt zoals in redelijkheid mag worden verlangd van een over voldoende inzicht en ervaring beschikkende curator die zijn taak met nauwgezetheid en inzet verricht, en dat heeft hij niet gedaan. De curator heeft medewerking verleend aan ontbinding van de maatschap en heeft aan [naam02] c.s. en in het openbare faillissementsverslag medegedeeld dat de vereffening was afgerond en geen waarde voor Sol Development vertegenwoordigde. Gelet hierop mochten [naam02] c.s. er op vertrouwen dat zij niet achteraf geconfronteerd zouden worden met een vordering uit dien hoofde. Voor de schade die [naam02] c.s. in geval van een veroordeling in de hoofdzaak als gevolg van dit onrechtmatig handelen lijden, is de curator (pro se) aansprakelijk.
3.3.
[naam01] refereert zich aan het oordeel van de rechtbank.
Beoordeling
4.1.
De incidentele conclusie tot oproeping in vrijwaring is tijdig en vóór alle weren genomen. Ingevolge artikel 210 lid 1 Rv kan de gedaagde een derde partij in vrijwaring oproepen indien hij meent hiertoe gronden te hebben. Voldoende is dat gedaagde in de hoofdzaak genoegzaam stelt dat tussen hem en de derde partij een rechtsverhouding bestaat krachtens welke de derde partij verplicht is de nadelige gevolgen van een veroordeling van gedaagde in de hoofdzaak te dragen.
4.2.
Indien hetgeen [naam02] c.s. hebben gesteld juist is, is voldoende uit de stelling af te leiden dat voor de curator de verplichting zou kunnen bestaan om de nadelige gevolgen van een eventuele veroordeling van [naam02] c.s. in de hoofdzaak te dragen. Daarmee is aan onder 4.1 genoemde voorwaarde voldaan. Nu [naam01] zich daarnaast heeft gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank, is de rechtbank is van oordeel dat de incidentele vordering tot oproeping in vrijwaring moet worden toegewezen.
4.3.
Geen van partijen in het incident kan als de in het ongelijk gestelde partij worden beschouwd. Daarom zullen de proceskosten worden gecompenseerd in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.
Dictum
De rechtbank
in het incident
5.1.
staat toe dat [curator01] door [naam02] c.s. wordt gedagvaard tegen de terechtzitting van 5 juli 2023,
5.2.
compenseert de kosten van het incident tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt,
in de hoofdzaak
5.3.
bepaalt dat de zaak weer op de rol zal komen van
5 juli 2023
voor conclusie van antwoord aan de zijde van [naam02] c.s.
Dit vonnis is gewezen door mr. J.B. Smits en in het openbaar uitgesproken op 24 mei 2023.
[3709/3268/3195]