Rechtspraak
Rechtbank Rotterdam
2023-04-26
ECLI:NL:RBROT:2023:4095
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
3,068 tokens
Inleiding
RECHTBANK ROTTERDAM
Bestuursrecht
zaaknummers: ROT 22/316 en ROT 22/1174
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 26 april 2023 in de zaken tussen
[naam] , uit Dordrecht, eiser
(gemachtigde: M. Molenaar),
en
de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, de minister
(gemachtigde: drs. P.M.S. Slagter).
Inleiding
ROT 22/316
1.1
Met het besluit van 8 november 2021 heeft de minister eisers aanvraag om een levenlanglerenkrediet afgewezen.
1.2.
Met het besluit van 14 december 2021 (bestreden besluit 1) heeft de minister eisers bezwaar tegen het besluit van 8 november 2021, gegrond verklaard en de afwijzingsgrond gewijzigd.
1.3.
Eiser heeft tegen bestreden besluit 1 beroep ingesteld.
ROT 22/1174
1.4.
Met het bericht van 27 januari 2022, Terugbetalen schuld levenlanglerenkrediet (het bericht van 27 januari 2022) heeft de minister eiser medegedeeld dat hij binnen drie maanden bericht krijgt of hij dit jaar moet beginnen met betalen en zo ja hoe hoog het
maandbedrag zal zijn.
1.5.
Met het besluit van 18 februari 2022 (bestreden besluit 2) heeft de minister eisers bezwaar tegen het bericht van 27 januari 2022 ongegrond verklaard.
1.6.
Eiser heeft tegen bestreden besluit 2 beroep ingesteld.
ROT 22/316 en ROT 22/1174
1.7.
De minister heeft op de beroepen gereageerd met een verweerschrift.
1.8.
De rechtbank heeft de beroepen op 16 maart 2023 gezamenlijk op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van de minister.
Beoordeling
Aanvraag om een levenlanglerenkrediet (ROT 22/316)
2.1.
Eiser heeft vanaf 1 september 2017 de bacheloropleiding Integrale Veiligheid bij de Hogeschool INHOLLAND gevolgd. Met het besluit van 18 september 2017 heeft eiser voor de kosten van toegang tot deze opleiding over het studiejaar 2017-2018 vanaf september 2017 een lening ontvangen in de vorm van een levenlanglerenkrediet (12 maanden) op grond van de Wet studiefinanciering 2000 (Wsf 2000).
2.2.
Vanaf 18 september 2018 heeft eiser de bacheloropleiding Duitse Taal en Cultuur aan de Universiteit van Amsterdam gevolgd.
Met het besluit van 27 december 2018 heeft eiser het levenlanglerenkrediet toegekend gekregen voor de periode januari 2019 tot en met augustus 2019 (8 maanden).
Met het besluit van 2 oktober 2019 heeft hij het levenlanglerenkrediet toegekend gekregen voor de periode september 2019 tot en met augustus 2020 (12 maanden).
Met het besluit van 2 juni 2020 heeft hij het levenlanglerenkrediet toegekend gekregen voor de periode september 2020 tot en met augustus 2021 (12 maanden).
Met het besluit van 22 juli 2021 heeft hij het levenlanglerenkrediet toegekend gekregen voor de periode september 2021 tot en met december 2021(4 maanden).
2.3.
Op 8 november 2021 heeft eiser nogmaals een aanvraag om een levenlanglerenkrediet ingediend. De minister heeft deze aanvraag met het besluit van 8 november 2021 afgewezen.
2.4.
De minister heeft aan bestreden besluit 1 ten grondslag gelegd dat eiser in december 2021 zijn volledige maximale duur van het levenlanglerenkrediet heeft verbruikt. Een
levenlanglerenkrediet kan voor maximaal 48 maanden worden toegekend.
2.5.
Eiser heeft in beroep aangevoerd dat de afwijzingsgrond dat hij het maximaal
aantal maanden van 48 maanden aan levenlanglerenkrediet heeft verbruikt, onjuist is. Volgens eiser heeft hij slechts 36 maanden toegekend gekregen. Verder stelt eiser dat het bestreden besluit 1 is genomen in strijd met algemene beginselen van behoorlijk bestuur en
geschreven en ongeschreven bestuursrecht, met het zorgvuldigheids- en motiveringsbeginsel. Op geen enkele wijze is gemotiveerd wat de juridische basis is van de maximale duur van een levenlanglerenkrediet
3.1.
De beroepsgrond dat in het bestreden besluit 1 niet de wettelijke grondslag van de maximale duur van het levenlanglanglerenkrediet is opgenomen, slaagt niet, In het bestreden besluit 1 verwijst de minister onder meer naar artikel 3.16c, eerste lid, van de Wet Wsf 2000. In dit artikel is bepaald dat het levenlanglerenkrediet wordt verstrekt voor vier jaar.
3.2.
Voor zover eiser heeft willen betogen dat de minister in het besteden besluit 1 niet zonder meer een nieuwe juridische grond aan de afwijzing ten grondslag had mogen leggen, slaagt evenmin.
Gelet op artikel 7:11 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) vindt op grondslag van het bezwaar een volledige heroverweging plaats. Gelet op vaste rechtspraak staat artikel 7:11 van de Awb er niet aan in de weg om de grondslag van de afwijzing te wijzingen.
3.3.
De stelling van eiser dat hij slechts 36 maanden een levenlanglanglerenkrediet toegekend heeft gekregen kan de rechtbank niet volgen. Eiser heeft in het beroepschrift uitsluitend verwezen naar besluiten over de jaren 2019 tot en met 2021. Uit de door de minister aan de rechtbank overgelegde stukken blijkt, en zo is ook onder 1. vermeld, dat eiser ook op 21 augustus 2017 een aanvraag heeft ingediend en hem bij besluit van 18 september 2017 over het studiejaar 2017-2018 vanaf de maand september 2017 een levenlanglerenkrediet is toegekend. Dit maakt dat over 48 maanden een levenlanglerenkrediet aan eiser is toegekend.
3.4.
Eerst ter zitting heeft de gemachtigde van eiser gesteld dat eiser het besluit van 18 september 2017 nooit heeft ontvangen en dat hij ook het levenlanglerenkrediet over die periode niet op zijn bankrekening is overgemaakt. Ter zitting heeft de gemachtigde van de minister toegelicht dat het besluit wellicht niet te vinden is op Mijn DUO van eiser, maar dat het besluit hem per post is toegestuurd. Niet betwist is dat het besluit is gericht aan het door eiser opgegeven adres. Bovendien heeft de gemachtigde van de minister er op gewezen dat eiser meerdere keren is medegedeeld dat hij over het studiejaar 2017-2018 een levenlangkerenkrediet heeft ontvangen. Ook gelet hierop had eiser bekend kunnen zijn met de toekenning van het besluit over het studiehaar 2017-2018. Eiser heeft ook niet aannemelijk gemaakt, bijvoorbeeld door het overleggen van bankafschriften van zijn bankrekeningen, dat hij het levenlanglerenkrediet in het studiejaar 2017-2018 niet heeft ontvangen. Dat bestreden besluit 1 niet op zorgvuldige wijze tot stand is gekomen slaagt dan ook niet.
3.5.
Gelet op het voorgaande heeft de minister zich op goede gronden op het standpunt gesteld dat eiser in december 2021 zijn volledige maximale duur van het levenlanglerenkrediet heeft verbruikt. Naar het oordeel van de rechtbank heeft eiser per januari 2022 geen recht meer op een levenlanglerenkrediet.
Het bericht van 27 januari 2022 (ROT 22/1174)
4.1.
Op 27 januari 2022 is aan eiser medegedeeld:
“U hebt een levenlanglerenkrediet gekregen. De terugbetalingsperiode is gestart en het
rentepercentage voor deze lening is voor 5 jaar vastgesteld.
Wat betekent dit voor u?
U krijgt binnen 3 maanden bericht of u dit jaar moet beginnen met betalen en zo ja, hoe hoog het maandbedrag zal zijn.
Bij de berekening van uw maandbedrag houden we rekening met de hoogte van het inkomen van u en uw eventuele partner en uw andere studieschuld.
Als we nog informatie van u nodig hebben, dan krijgt u hierover bericht”
(…)
Uw schuld levenlanglerenkrediet
Uw schuldgegevens
Saldo: € 7.966,64
Rentepercentage: 0%
Rentevasteperiode: januari 2022 t/m december 2026
4.2.
Bij bericht van 3 februari 2022 is eiser bericht dat hij over de periode van januari tot en met april 2022 niet hoeft af te lossen en dat hij over de periode van mei tot en met december 2022 € 0,00 per maand hoeft af te lossen. De rente is berekend tot en met 31 december 2021.
4.3.
De minister heeft aan bestreden besluit 2 ten grondslag gelegd dat het bericht van 27 januari 2022 slechts een vooraankondiging is met betrekking tot de aflossing van het levenlanglerenkrediet.
4.4
In het verweerschrift heeft de minister toegelicht dat eiser in het Bericht van 27 januari 2022 is medegedeeld dat hij binnen drie maanden bericht krijgt of hij dit jaar moet beginnen met betalen en zo ja hoe hoog het maandbedrag zal zijn. Deze aankondiging van een besluit is niet op rechtsgevolg gericht en daarom geen besluit in de zin van artikel 1:3 Awb. Verder is de bovengenoemde schuld over het studiejaar 2017-2018 reeds in het Bericht van 9 november 2018 aan eiser meegedeeld en is er in zoverre evenmin sprake van een besluit als bedoeld in artikel 1:3 van de Awb. Nu het bezwaar betrekking heeft op de voornoemde schuld en niet op het rentepercentage alsmede de duur van de rentevaste periode en de schuld al eerder is vastgesteld, was het bezwaar van eiser niet gericht tegen een besluit in de zin van de Awb. De minister heeft daarbij verwezen naar ECLI:NL:CRVB:2014:2863.
Conclusie
7.1.
De beroepen worden ongegrond verklaard. Dat betekent dat eiser geen gelijk krijgt.
7.2.
In de toepassing van artikel 6:22 van de Awb in het beroep met zaaknummer ROT 22/1174 ziet de rechtbank aanleiding om te bepalen dat de minister wel het griffierecht in deze zaak aan eiser moet vergoeden.
7.3.
Eiser krijgt om die reden ook een vergoeding van zijn proceskosten in de zaak ROT 22/1174. Deze kosten stelt de rechtbank op € 1.1647,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen op de zitting, met een waarde per punt van € 837,- en wegingsfactor 1).
Dictum
De rechtbank :
- verklaart de beroepen ongegrond;
- bepaalt dat de minister aan eiser het door hem in het beroep tegen bestreden
besluit 2 (ROT 22/1174) betaalde griffierecht van € 50,- vergoedt;
- veroordeelt de minister in de proceskosten in de zaak ROT 22/1174 tot een bedrag van € 1.1647,-.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M.G.L. de Vette, rechter, in aanwezigheid van R.P Evegaars, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 26 april 2023.
De griffier is verhinderd
de uitspraak te tekenen
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.