Rechtspraak
Rechtbank Rotterdam
2023-03-17
ECLI:NL:RBROT:2023:2287
Civiel recht
Beschikking
758 tokens
Inleiding
RECHTBANK ROTTERDAM
locatie Rotterdam
zaaknummer: 10183945 / VZ VERZ 22-13751
datum uitspraak: 17 maart 2023
Beschikking van de kantonrechter
op het verzoek van
[verzoeker01]
,
wonende in [woonplaats01] ,
verzoeker,
die zelf procedeert,
om als getuige te horen
[verweerder01]
,
wonende op een onbekend adres,
verweerder.
Beoordeling
1.1.
Op 6 november 2022 is een verzoekschrift van verzoeker ontvangen. De ontvangst van het verzoekschrift is per brief aan verzoeker bevestigd. In diezelfde brief is aan verzoeker medegedeeld dat hij op grond van artikel 3 lid 3 van de Wet griffierechten burgerlijke zaken verplicht is om het verschuldigde griffierecht binnen vier weken - te rekenen vanaf de indiening van het verzoekschrift - te voldoen en dat hij bij gebreke van tijdige betaling het risico loopt dat de kantonrechter hem op grond van artikel 282a lid 2 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (‘Rv’) niet-ontvankelijk verklaart in zijn verzoek.
1.2.
Het verzoek om vrijstelling van het griffierecht en/of opschorting van de betalingstermijn is afgewezen.
1.3.
Op verzoek van zijn raadsvrouw is medegedeeld dat in afwachting van de uitspraak van een door verzoeker tegen de Staat der Nederlanden aangespannen kort geding nog geen uitspraak in deze zaak wordt gedaan.
1.4.
Op 7 februari 2023 is uitspraak gedaan in het kort geding tegen de Staat en zijn de vorderingen van verzoeker in het kort geding afgewezen. De kantonrechter zal daarom nu uitspraak doen.
1.5.
De kantonrechter heeft geconstateerd dat, ondanks herhaald verzoek daartoe, het griffierecht op dit moment nog steeds niet is voldaan. De termijn van vier weken - te rekenen vanaf de indiening van het verzoekschrift - is ruimschoots verstreken. Verzoeker heeft na de afwijzing van zijn verzoek als bedoeld onder 1.2. en na de uitspraak in het door hem aangespannen kort geding niet meer van zich laten horen. Daarom gaat de kantonrechter er vanuit dat verzoeker volhardt in zijn standpunt dat hij ten onrechte griffierecht moet betalen en ziet de kantonrechter ook geen aanleiding om verzoeker opnieuw in de gelegenheid te stellen zich uit te laten over het niet tijdig voldoen van het verschuldigde griffierecht.
1.6.
Aangezien verzoeker ook geen feiten of omstandigheden heeft aangevoerd die tot de conclusie kunnen leiden dat niet-ontvankelijkverklaring in zijn verzoek gelet op zijn belang bij toegang tot de rechter zal leiden tot een onbillijkheid van overwegende aard zoals bedoeld in artikel 282a lid 4 Rv, waarvan bijvoorbeeld sprake is in het geval van niet-tijdige afboeking van het griffierecht van een rekening-courant (zie de uitspraak van de Hoge Raad van 21 oktober 2011, gepubliceerd onder ECLI:NL:HR:2011:BS1687), wordt verzoeker niet-ontvankelijk verklaard in zijn verzoek.
Dictum
De kantonrechter:
2.1.
verklaart verzoeker niet-ontvankelijk in zijn verzoek.
Deze beschikking is gegeven door mr. M.C. van der Kolk en in het openbaar uitgesproken.
38671