Rechtspraak
Rechtbank Rotterdam
2023-09-13
ECLI:NL:RBROT:2023:13090
Civiel recht
Eerste aanleg - enkelvoudig
36,460 tokens
Inleiding
vonnis
RECHTBANK ROTTERDAM
Team handel en haven
Vonnis in hoofdzaak en vrijwaringen van 13 september 2023
in de zaak met zaaknummer / rolnummer: C/10/603771 / HA ZA 20-866 van
de vennootschap naar buitenlands recht
MAERSK A/S, v.h.o.d.n. Maersk Line A/S,
gevestigd te Kopenhagen, Denemarken,
eiseres,
advocaat mr. M. Wattel te Rotterdam,
tegen
1. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
LOGIX FORWARDING NEDERLAND B.V.,
gevestigd te Rotterdam,
gedaagde,
advocaat mr. K.H.L. van Waasbergen te Rotterdam,
2. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
KUMINDA B B.V.,
gevestigd te Lijnden, gemeente Haarlemmermeer,
gedaagde,
advocaat mr. J.W. de Groot te Amsterdam,
3. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
KUMINDA BRE B.V.,
gevestigd te Lijnden, gemeente Haarlemmermeer,
gedaagde,
advocaat mr. J.W. de Groot te Amsterdam,
4. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
KUMINDA HOLDING B.V.,
gevestigd te Lijnden, gemeente Haarlemmermeer,
gedaagde,
advocaat mr. J.W. de Groot te Amsterdam,
en in de zaak met zaaknummer / rolnummer C/10/613716 / HA ZA 21-165 van
de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
LOGIX FORWARDING NEDERLAND B.V.,
gevestigd te Rotterdam,
eiseres,
advocaat mr. K.H.L. van Waasbergen te Rotterdam,
tegen
1. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
KUMINDA B B.V.,
gevestigd te Lijnden, gemeente Haarlemmermeer,
2. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
KUMINDA BRE B.V.,
gevestigd te Lijnden, gemeente Haarlemmermeer,
3. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
KUMINDA HOLDING B.V.,
gevestigd te Lijnden, gemeente Haarlemmermeer,
gedaagden,
advocaat mr. J.W. de Groot te Amsterdam,
en in de zaak met zaaknummer / rolnummer C/10/613979 / HA ZA 21-185 van
1. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
KUMINDA B B.V.,
gevestigd te Lijnden, gemeente Haarlemmermeer,
2. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
KUMINDA BRE B.V.,
gevestigd te Lijnden, gemeente Haarlemmermeer,
3. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
KUMINDA HOLDING B.V.,
gevestigd te Lijnden, gemeente Haarlemmermeer,
eiseressen,
advocaat mr. J.W. de Groot te Amsterdam,
tegen
de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
LOGIX FORWARDING NEDERLAND B.V.,
gevestigd te Rotterdam,
gedaagde,
advocaat mr. K.H.L. van Waasbergen te Rotterdam.
Partijen zullen hierna Maersk, Logix en (gezamenlijk) Kuminda genoemd worden.
Procesverloop
1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
de dagvaardingen van Maersk van 12 en 13 augustus 2020 met producties 1 tot en met 28
de conclusie van antwoord van Kuminda tevens incidentele conclusie tot oproeping in vrijwaring met producties 1 tot en met 10
de incidentele conclusie van Logix tot oproeping in vrijwaring met producties L-1 tot en met L-5
de conclusie van antwoord van Logix in het vrijwaringsincident van Kuminda tegen Maersk (Logix geeft aan dat zij deze conclusie van antwoord (referte) neemt omdat het rolbericht aangeeft dat niet alleen Maersk maar ook de gedaagden op de rol van 23 december 2020 voor antwoord moeten concluderen. De rechtbank legt deze conclusie terzijde, omdat Logix geen partij is in dit vrijwaringsincident.)
de aktes van Maersk tot referte in de incidenten
het vonnis in de incidenten van 27 januari 2021
de conclusie van antwoord van Logix met producties L-1 tot en met L-12
de brieven van 6 mei 2021 waarin de rechtbank partijen oproept voor een mondelinge behandeling
de zittingsagenda’s van 25 augustus 2021
de akte houdende overleggen producties van Maersk met producties 29 tot en met 36
de mondelinge behandeling van 30 september 2021
de spreekaantekeningen van Maersk
de pleitaantekeningen van Logix
de spreekaantekeningen van Kuminda
de mondelinge behandeling van 9 december 2021
de door Maersk ter mondelinge behandeling van 9 december 2021 overgelegde “Rate Agreement between Maersk Line and Hamburg Sud & APM Terminals Rotterdam B.V.” (hierna: APM) en factuur van APM aan Maersk
de akte uitlating producties van Kuminda
de antwoordakte van Maersk.
1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.
Procesverloop
2.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
de dagvaarding van Logix van 15 februari 2021 met producties VL-1 tot en met VL-9
de conclusie van antwoord in de vrijwaringsprocedure van Kuminda met producties 1 tot en met 5
de brieven van 6 mei 2021 waarin de rechtbank partijen oproept voor een mondelinge behandeling
de zittingsagenda’s van 25 augustus 2021
de akte houdende overlegging producties van Logix met producties VL-10 tot en met VL-12
de mondelinge behandeling van 30 september 2021
de mondelinge behandeling van 9 december 2021.
2.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.
Procesverloop
3.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
de dagvaarding van Kuminda van 16 februari 2021 met producties 1 tot en met 15
de conclusie van antwoord in de vrijwaringsprocedure van Logix met producties VL-1 tot en met VL-9
de brieven van 6 mei 2021 waarin de rechtbank partijen oproept voor een mondelinge behandeling
de zittingsagenda’s van 25 augustus 2021
de akte houdende overlegging producties van Logix met producties VL-10 tot en met VL-12
de mondelinge behandeling van 30 september 2021
de mondelinge behandeling van 9 december 2021.
3.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.
Feiten
4.1.
Kuminda B, voorheen handelende onder de namen Kuminda BDA B.V. en
Biodiesel Amsterdam B.V., kocht allerlei grondstoffen zoals afvalvetten en -oliën waarmee zij in de haven van Amsterdam biodiesel produceerde. Bij de productie van biodiesel werd glycerine gedestilleerd, dat kon worden gebruikt voor diverse technische en farmaceutische toepassingen. Deze glycerine verkocht Kuminda B aan diverse partijen.
4.2.
Op 14 mei 2015 heeft Kuminda B een partij van 1500MT Crude glycerine Cat 1 65% min met als eindbestemming China verkocht aan de inmiddels gefailleerde koper Shri Krishna International PTE Ltd. (hierna: SKIP), gevestigd te Singapore.
4.3.
Op 28 september 2015 heeft Kuminda B een partij van 2250MT Crude glycerine
65% min met als eindbestemming China aan SKIP verkocht.
4.4.
De partijen zijn in delen geleverd, waaronder de onderhavige partij van 508 MT glycerine (hierna: de lading). De lading is op basis van de volgende specificaties verkocht aan SKIP: glycerol 65% Min, Moisture 20% Max, Methanol 2% Max, MONG (Matter Organic Non Glycerol) 12% Max en ASH 8% max.
4.5.
Op 11 september 2015 is een sample van de lading getest door NofaLab. Uit deze test kwam naar voren dat de glycerine bestond uit 64,20% glycerol, 0,45% methanol,
20% vocht, 10,5% MONG (Matter Organic Non Glycerol) en 4,45% ASH.
4.6.
De glycerine werd verkocht “for industrial use only” en ex works geleverd op
basis van de Incoterms 2010.
4.7.
SKIP heeft Logix ingeschakeld om het vervoer van de lading van Nederland naar China te regelen.
4.8.
Op 12 augustus 2013 had Kuminda B een douane expeditie-overeenkomst gesloten met Logix, waarin D.T.S. Customs B.V. (hierna: DTS) als uitvoerder van de douaneactiviteiten werd genoemd. Op grond van artikel 2 (OBLIGATIONS OF THE PARTIES) van deze overeenkomst moest Kuminda B (aangeduid met Principal) aan Logix (aangeduid met Direct Representative) , althans aan DTS, alle informatie verschaffen die nodig was om de douaneactiviteiten uit te voeren:
“2.1 The Principal is obliged to provide the Direct Representative with all required records, information and data necessary for the execution of this agreement (also for each individual shipment/transaction), which may be required on the basis of the applicable rules and regulations and the present agreement.
2.2
In order to submit a correct customs declaration the Direct Representative must require from the Principal the required records, information and data, the relevance of which must be reasonably known to him/it.
2.3
The Direct Representative will make such declarations on the basis of the above data.”
4.9.
Logix heeft het vervoer van de partijen (in 20 maal 20ft dry containers) van Rotterdam naar Lianyungang, China, op 22 september 2015 bij Maersk geboekt. Logix heeft de vracht aan Maersk betaald.
4.10.
Maersk hanteert haar “Maersk Line Terms and conditions of Carriage” (hierna: “algemene voorwaarden”).
De definitie van “Merchant” is volgens artikel 1 van de algemene voorwaarden:
““Merchant” includes the Shipper, Holder, Consignee, Receiver of the Goods, any Person owning or entitled to the possession of the Goods or of this bill of lading and anyone acting on behalf of such Person.”
Artikel 15 (Merchant’s Responsibility) van de algemene voorwaarden luidt als volgt:
“15.1 All of the Persons coming within the definition of Merchant in clause 1, including
any principal of such Person, shall be jointly and severally liable to the Carrier for the due fulfilment of all obligations undertaken by the Merchant in this bill of lading.
15.2
The Merchant shall be liable for and shall indemnify the Carrier against all loss,
damage, delay, fines, attorney fees and/or expenses arising from any breach of any of the warranties in clause 14.3 or elsewhere in this bill of lading and from any other cause whatsoever in connection with the Goods for which the Carrier is not responsible.
15.3
The Merchant shall comply with all regulations or requirements of customs, port
and other authorities, and shall bear and pay all duties, taxes, fines, imposts, expenses or losses (including, without prejudice to the generality of the foregoing Freight for any additional Carriage undertaken) incurred or suffered by reason of any failure to so comply, or by reason of any illegal, incorrect or insufficient declaration, marking, numbering or addressing of the Goods, and shall indemnify the Carrier in respect thereof.
15.4
If Containers supplied by or on behalf of the Carrier are unpacked by or for the
Merchant, the Merchant is responsible for returning the empty Containers, with interiors clean, odour free and in the same condition as received, to the point or place designated by the Carrier, within the time prescribed. Should a Container not be returned in the condition required and/or within the time prescribed in the Tariff, the Merchant shall be liable for any detention, loss or expense incurred as a result thereof.
15.5
Containers released into the care of the Merchant for packing, unpacking or any
other purpose whatsoever are at the sole risk of the Merchant until redelivered to the Carrier. The Merchant shall indemnify the Carrier for all loss of and/or damage and/or delay to such Containers, and all liability claims from third parties or costs or fines resulting from Merchant’s use of such Containers. Merchants are deemed to be aware of the dimensions and capacity of any Containers released to them.”
4.11.
Voor het vervoer heeft Maersk een ordercognossement met nummer 56783639 uitgegeven. Op het cognossement staat SKIP als afzender vermeld. De ontvanger was de inmiddels gefailleerde Fujian Hopeland Chemical Co Ltd. (hierna: Fujian).
4.12.
De lading is rond 1 december 2015 gelost in de haven van Lianyungang te China.
4.13.
Fujian heeft de lading niet afgehaald. Maersk, Logix en SKIP hebben hierop geprobeerd de lading door te verkopen aan een andere partij.
4.14.
Op 23 augustus 2016 heeft Maersk Gremberghen Commodity Trading B.V. (hierna: Gremberghen) opdracht verstrekt tot vernietiging van de lading.
4.15.
Op 9 november 2016 heeft Maersk Logix als boekende partij aansprakelijk gesteld voor de door haar geleden en nog te lijden schade als gevolg van het vervoer van de lading van Nederland naar China en het niet afhalen van de lading door de ontvanger Fujian.
4.16.
Op 18 november 2016 hebben SKIP en Logix afstand gedaan van de lading.
4.17.
De lading bleef tot eind 2016 op de kade in China staan, waarna de Chinese douaneautoriteiten een procedure tot vernietiging van de lading in werking hebben gesteld.
Geschil
in de hoofdzaak
5.1.
Maersk vordert – samengevat – dat de rechtbank bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad:
voor recht verklaart dat alle onverplichte rechtshandelingen gesloten door en/of van en/of met en/of tussen Kuminda B, Kuminda BRE en Kuminda Holding die ten grondslag lagen aan enige benadeling van Maersk, per brief van 15 augustus 2019 buitengerechtelijk zijn vernietigd, althans dat de rechtbank deze rechtshandelingen bij vonnis vernietigt;
gedaagden, althans Logix en/of Kuminda B en/of Kuminda BRE en/of Kuminda Holding, hoofdelijk veroordeelt om aan Maersk te betalen:- USD 200.000,00 aan demurrage,- EUR 505.129,00 aan demurrage,- USD 23.000,00, EUR 4.230,00 en CNY 2.450,00 aan kosten voor terug vervoeren van de containers naar Nederland,- EUR 133.724,30 en EUR 25.866,17 aan vernietigingskosten en daarmee samenhangende kosten,- EUR 20.442,85 en EUR 23.723,72 aan expertisekosten,
te vermeerderen met de wettelijke handelsrente vanaf de datum van instructie Chinese Douaneautoriteiten om de lading terug te vervoeren, althans de datum van de eerste aansprakelijkstelling, althans de vervaldatum van de facturen, althans datum dagvaarding, tot aan de dag van algehele betaling;
gedaagden, althans Logix en/of Kuminda B en/of Kuminda BRE en/of Kuminda Holding, hoofdelijk veroordeelt om aan Maersk te betalen EUR 50.000,00 aan buitengerechtelijke advocaatkosten, te vermeerderen met de wettelijke handelsrente vanaf de datum van de dagvaarding tot aan de dag van algehele betaling;
gedaagden veroordeelt in de kosten van dit geding, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf veertien dagen na dagtekening van dit vonnis, tot aan de dag der algehele voldoening;
gedaagden veroordeelt in de nakosten, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf veertien dagen na dagtekening vonnis, dan wel vanaf veertien dagen na aanzegging van deze kosten, tot aan de dag der algehele voldoening.
5.1.1.
Maersk legt – kort samengevat – aan haar vorderingen jegens Logix ten grondslag dat Logix aansprakelijk is voor schade van Maersk, die het gevolg is van de door Logix en Kuminda bewerkstelligde onrechtmatige uitvoer uit de Europese gemeenschap naar China van de lading. Logix is namelijk niet alle uit de vervoersovereenkomst met Maersk voortvloeiende verplichtingen als “Merchant” nagekomen. Logix heeft niet alle douanevoorschriften en vereisten nageleefd. De lading had nooit mogen worden uitgevoerd naar China en later is ook gebleken dat er een verkeerde goederencode is gebruikt. Mogelijk zou bij gebruik van de juiste goederencode de ongeoorloofde uitvoer niet hebben kunnen plaatsvinden. Op grond van de algemene voorwaarden moet Logix de kosten en verliezen dragen die Maersk hierdoor heeft geleden.
5.1.2.
Maersk legt – kort samengevat – aan haar vorderingen jegens Kuminda ten grondslag dat Kuminda aansprakelijk is om voornoemde schade te vergoeden op basis van onrechtmatige daad jegens Maersk en bestuurdersaansprakelijkheid. Kuminda
B heeft als verkoper, exporteur en exploitant in 2015 de lading verkocht met eindbestemming China en zij heeft deze lading laten uitvoeren naar China, een niet OESO-land. Daarnaast heeft Kuminda B geen documenten opgemaakt die het terug invoeren van de lading in Nederland mogelijk zou hebben gemaakt bij eventuele weigering van de lading in China. Deze gedragingen leveren jegens Maersk als vervoerder van de lading een onrechtmatige daad ex artikel 6:162 Burgerlijk Wetboek (BW) op.
Kuminda BRE en Kuminda Holding zijn voor deze onrechtmatige daad van Kuminda B jegens Maersk aansprakelijk op grond van bestuurdersaansprakelijkheid uit hoofde van artikel 6:162 BW juncto artikel 2:11 BW.
Op dezelfde grondslag acht Maersk Kuminda BRE en Kuminda Holding aansprakelijk voor de schade die is ontstaan als gevolg van het leegtrekken van de Kuminda-vennootschappen/ paulianeus handelen door Kuminda BRE en Kuminda Holding, waardoor Maersk wordt gefrustreerd in haar verhaalsmogelijkheden.
5.2.
Gedaagden voeren verweer.
5.2.1.
Logix betwist primair dat zij de contractuele wederpartij van Maersk is onder de vervoerovereenkomst. Logix heeft niet voor zichzelf geboekt maar als expediteur voor haar opdrachtgever SKIP (die door Maersk in het cognossement is vermeld als “shipper”). Daarom kan Logix niet door
Maersk tot vergoeding van de door Maersk gevorderde kosten worden aangesproken. Subsidiair, in het geval Logix moet worden aangemerkt als “merchant”, voert Logix aan dat zij de terug levering van de (lege) containers niet in haar macht had en dat zij dat aan Maersk kenbaar heeft gemaakt. Maersk heeft dan ook geen redelijk belang om vergoeding van de demurrage (liquidated damages) jegens haar te blijven vorderen, in plaats van het vorderen van unliquidated damages (de daadwerkelijke schade).
Verder betwist Logix de (hoogte van de) schade en doet zij een beroep op de schadebeperkingsplicht van Maersk.
5.2.2.
Kuminda betwist dat zij is aan te merken als exporteur of exploitant, betwist dat sprake is van een onrechtmatige daad of bestuurdersaansprakelijkheid en betwist de (hoogte van de) schade. Verder doet Kuminda een beroep op de schadebeperkingsplicht van Maersk. Voorts voert Kuminda verweer tegen de gevorderde uitvoerbaar bij voorraad verklaring, wanneer de vordering onverhoopt toewijsbaar wordt geacht.
5.3.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.
in de vrijwaringszaak van Logix tegen Kuminda
5.4.
Logix vordert – samengevat – om bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad:
a. a) Kuminda hoofdelijk te veroordelen om Logix te vrijwaren van de aanspraken van Maersk in de hoofdzaak en
b) voor recht te verklaren dat alle onverplichte rechtshandelingen gesloten door en/of van
en/of met en/of tussen Kuminda B, Kuminda BRE en Kuminda Holding die ten grondslag lagen aan enige benadeling van Logix per brief van 29 augustus 2019 buitengerechtelijk zijn vernietigd, althans dat de rechtbank deze rechtshandelingen vernietigt.
5.4.1.
Logix legt aan de vordering ten grondslag dat Kuminda op grond van artikel 6:10 BW juncto 6:102 BW juncto 6:101 BW als de feitelijk verantwoordelijke partij de schade van Maersk in de verhouding tot Logix volledig dient te dragen.
5.5.
Kuminda voert verweer. Kuminda betwist dat sprake is van een onrechtmatige daad of van bestuurders- of aandeelhoudersaansprakelijkheid. Zij betwist dat zij juridisch, contractueel of feitelijk een rol heeft gespeeld bij de export van de lading. Verder voert Kuminda verweer tegen de gevorderde uitvoerbaar bij voorraad verklaring.
5.6.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.
in de vrijwaringszaak van Kuminda tegen Logix
5.7.
Kuminda vordert – samengevat – dat Logix wordt veroordeeld om aan Kuminda te betalen al hetgeen waartoe Kuminda in de vrijwaringszaak mocht worden veroordeeld, althans voor het gedeelte dat Logix in de onderlinge verhouding aangaat, inclusief de proceskosten van de hoofdzaak, met veroordeling van Logix in de kosten van de vrijwaring.
5.7.1.
Kuminda legt aan de vordering ten grondslag dat artikel 6:10 lid 1 BW bepaalt dat hoofdelijke schuldenaren, ieder voor het gedeelte van de schuld dat hem in onderlinge verhouding aangaat, verplicht zijn in de schuld en de kosten bij te dragen. De wet kent daarnaast in artikel 6:102 BW juncto artikel 6:101 BW een bijzondere regeling voor de omvang van de bijdrageplicht.
Beoordeling
bevoegdheid en toepasselijk recht
6.1.
De zaken zijn internationaal, omdat Maersk in Denemarken is gevestigd, sprake is van vervoer van Nederland naar China en weer terug en partijen voor de rechter in Nederland procederen. Daarom onderzoekt de rechtbank ambtshalve of de Nederlandse rechter bevoegd is om van de vorderingen kennis te nemen en welk recht van toepassing is.
6.2.
De vraag of de Nederlandse rechter bevoegd is om van de vorderingen kennis te nemen dient te worden beantwoord aan de hand van het bepaalde in de Verordening (EU) No. 1215/2012 van 12 december 2012 betreffende de rechterlijke bevoegdheid, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken (Brussel I bis-Vo). Omdat Kuminda in Nederland is gevestigd, is deze rechtbank internationaal bevoegd om van de hoofdzaak kennis te nemen (artikel 2 Brussel I bis-Vo).
6.3.
Ook in de vrijwaringszaken is deze rechtbank internationaal bevoegd (artikel 6 lid 2 Brussel I bis-Vo).
6.4.
Ingevolge artikel 10:125 BW en artikel 11 Haags Vertegenwoordigingsverdrag is op de vraag of Logix zelf partij is geworden bij de vervoersovereenkomst onder het Maersk cognossement Nederlands recht van toepassing, omdat Logix haar kantoor had (en nog steeds heeft) in Nederland op het tijdstip dat Logix het vervoer boekte bij Maersk in Nederland.
6.5.
Verordening (EG) nr. 864/2007 van het Europees Parlement en de Raad van 11 juli 2007 betreffende het recht dat van toepassing is op niet-contractuele verbintenissen (Rome II-verordening) is van toepassing, omdat het gaat om niet-contractuele verbintenissen in burgerlijke en in handelszaken ontstaan na 11 januari 2009. Ingevolge artikel 4 lid 1 Rome II-verordening is het recht dat van toepassing is op een onrechtmatige daad het recht van het land waar de schade zich voordoet, ongeacht in welk land de schadeveroorzakende gebeurtenis zich heeft voorgedaan en ongeacht in welke landen de indirecte gevolgen van die gebeurtenis zich voordoen.
Anders dan Kuminda, die in dit verband aanwijzingen ziet voor gedeeltelijke toepassing van Chinees recht (maar aangeeft de inhoud daarvan niet te kennen), oordeelt de rechtbank dat in beginsel Deens recht van toepassing is, omdat Maersk als schadelijdende partij haar vestigingsplaats in Denemarken heeft. In dit geval is echter Nederlands recht van toepassing, omdat uit het geheel der omstandigheden blijkt dat de beweerde onrechtmatige daad een nauwere band heeft met Nederland (artikel 4 lid 3 Rome II). Die omstandigheden zijn dat Kuminda en Logix in Nederland zijn gevestigd, de lading is uitgevoerd uit Nederland en is teruggestuurd naar Nederland en op instructie van de NVWA in Nederland is vernietigd. Ook partijen gaan overigens uit van Nederlands recht, gelet op de aangehaalde wetsartikelen en jurisprudentie.
in de hoofdzaak
tegen Logix
6.6.
Maersk grondt haar vordering jegens Logix op de vervoerovereenkomst. Maersk stelt daartoe het volgende. Logix is als afzender en merchant op grond van artikel 14, 15 en 22 van de algemene voorwaarden aansprakelijk voor de schade die Maersk heeft geleden, omdat Logix haar verplichtingen als afzender en “Merchant” (in de zin van artikel 1 jo 15 van de algemene voorwaarden) niet is nagekomen.
6.7.
Logix voert aan dat zij niet kan worden aangesproken voor de schade die Maersk heeft geleden, omdat zij het vervoer slechts heeft geboekt als expediteur in opdracht van SKIP.
6.8.
De vraag die partijen verdeeld houdt is dus in welke hoedanigheid Logix met Mearsk heeft gecontracteerd terzake van het onderhavige vervoer. De rechtbank overweegt als volgt.
Als uitgangspunt geldt dat een vertegenwoordiger (bijvoorbeeld een expediteur) die in naam van zijn principaal (de afzender) een overeenkomst sluit, een overeenkomst tussen de wederpartij (vervoerder) en de principaal (afzender) tot stand doet komen. De vertegenwoordiger is in beginsel niet gebonden aan de door hem gesloten overeenkomst en de daarop van toepassing zijnde algemene voorwaarden.
6.9.
Het antwoord op de onder 6.8 vermelde vraag of partijen bij het sluiten van de vervoerovereenkomst hebben bedoeld dat Logix zelf als wederpartij van Maersk heeft te gelden of dat Logix heeft gehandeld namens een derde (in welk geval deze derde als wederpartij van Maersk geldt), hangt af van wat Logix en Maersk daarover jegens elkaar hebben verklaard en over en weer uit elkaars verklaringen en gedragingen hebben afgeleid en mochten afleiden (vgl. HR 11 maart 1977, NJ 1977, 521 (Kribbebijter)). Ook kunnen eerdere contracten tussen partijen daarbij een rol spelen.
Maersk draagt ingevolge de hoofdregel van artikel 150 Wetboek van Burgerlijke rechtsvordering in beginsel de stelplicht en – bij voldoende betwisting – bewijslast van haar stelling dat de vervoerovereenkomst is gesloten met Logix.
6.10.
Tijdens de mondelinge behandeling is vast komen te staan dat Maersk en Logix al langere tijd zaken met elkaar doen, dat Maersk weet dat Logix als expediteur optreedt voor haar opdrachtgevers en dat de gebruikelijke gang van zaken tussen Maersk en Logix is dat Logix vervoer boekt bij Maersk en Logix pas als de container al in het schip zit aan Maersk doorgeeft welke afzender en consignee er op het cognossement moeten komen te staan. Ook in het onderhavige geval was dit de gang van zaken. Logix heeft het vervoer op 22 september 2015 bij Maersk geboekt en toen de lading in het schip zat aan Maersk doorgegeven dat SKIP als afzender op het cognossement moest komen te staan (de consignee was “to order”). Maersk was dus ruim voor de afgifte van het cognossement op de hoogte van het feit dat Logix optrad als expediteur. Daaruit kan een indicatie voor directe vertegenwoordiging worden afgeleid die door de cognossementsinstructies van Logix om SKIP als shipper op het cognossement te vermelden wordt versterkt. Maersk heeft deze instructie uitgevoerd en daarmee SKIP als haar contractuele wederpartij bij de vervoerovereenkomst aanvaard.
Hoewel onderaan het “BOOKING AMENDMENT” is vermeld dat de algemene voorwaarden van Maersk op deze booking van toepassing zijn, is gesteld en ook niet gebleken dat Maersk, die weet dat het gebruikelijk is dat een expediteur optreedt voor een opdrachtgever, ervan uitging dat het deze keer anders was en dat ook Logix de algemene voorwaarden zou hebben aanvaard en daaraan gebonden zou zijn (vgl. “Golden Med”, rechtbank Rotterdam 9 maart 1990, ECLI:NL:RBROT:1990:AJ2505 en Hof ’s-Gravenhage 17 december 1991, ECLI:NL:GHSGR:1991:AL6979). Dat dit zou volgen uit een onderliggend service contract, zoals gesteld door Maersk, maar betwist door Logix, is ook niet gebleken.
6.11.
Dat betekent dat niet Logix maar SKIP afzender en contractuele wederpartij van Maersk is. Dat Logix de Merchant Clause (artikel 1 van de algemene voorwaarden) heeft aanvaard en daarmee is toegetreden tot de vervoerovereenkomst is gesteld noch gebleken. Er is dan ook geen sprake van dat Logix verplichtingen als “Merchant” in de zin van artikel 1 jo 15 (Merchant’s Responsibility) van de algemene voorwaarden van Maersk niet is nagekomen. De rechtbank wijst de daarop gegronde vordering jegens Logix daarom af.
tegen Kuminda
6.12.
Maersk grondt de aansprakelijkheid van Kuminda B voor de schade die Maersk heeft geleden op onrechtmatige daad. Maersk stelt daartoe het volgende. Kuminda heeft de lading in 2015 als verkoper, exporteur en exploitant verkocht met eindbestemming China. Kuminda B heeft deze lading laten uitvoeren naar China, een niet OESO-land.
Conclusie
USD 223.000,00 (200.000,00 + 23.000,00)
EUR 713.116,04 (505.129,00 + 4.230,00 + 25.866,17 + 133.724,30 + 23.723,72 + 20.442,85)
CNY 2.450,00.
eigen schuld
6.48.
In beginsel is Kuminda aansprakelijk voor de schade die Maersk als gevolg van bovenvermeld onrechtmatig handelen heeft geleden. Uit artikel 6:101 lid 1 BW vloeit echter voort dat wanneer de schade mede een gevolg is van een omstandigheid die aan de benadeelde kan worden toegerekend, de vergoedingsplicht wordt verminderd door de schade over de benadeelde en de vergoedingsplichtige(n) te verdelen in evenredigheid met de mate waarin de aan ieder toe te rekenen omstandigheden tot de schade hebben bijgedragen, met dien verstande dat een andere verdeling plaatsvindt of de vergoedingsplicht geheel vervalt of in stand blijft, indien de billijkheid dit wegens de uiteenlopende ernst van de gemaakte fouten of andere omstandigheden van het geval eist.
6.49.
Kuminda doet een beroep op eigen schuld van Maersk, in die zin dat Maersk niet heeft voldaan aan haar schadebeperkingsplicht. De overliggelden en de kosten voor vernietiging van de glycerine komen volgens Kuminda dan ook niet voor vergoeding in aanmerking en ook had ook een groot deel van de expertisekosten en buitengerechtelijke advocatenkosten voorkomen kunnen worden. Kuminda voert daartoe het volgende aan.
Maersk heeft, in de (meer dan een jaar) tijd dat de lading na het lossen in China in december 2015 heeft (stil) gelegen, niet naar oplossingen gezocht en (vrijwel) geen actie ondernomen. Zij heeft geen contact opgenomen met Kuminda of met Fujian. Verder is Maersk niet in bezwaar gegaan om het vervoer terug naar Nederland te voorkomen toen de Chinese douaneautoriteiten het vernietigingsproces in gang hadden gezet. Zij heeft ook geen poging ondernomen om de lading in China te laten testen om ervoor te zorgen dat deze toch in China werd toegelaten, wat voor de hand zou liggen, omdat het gaat om Cat. 1 glycerine (en niet om afval) en de glycerine in China waarde vertegenwoordigde.
Ook toen de lading omstreeks 15 april 2017 werd gelost in Rotterdam heeft Maersk niet schadebeperkend opgetreden. Zij heeft geen GDB’s (laten) opmaken voor de glycerine, zodat deze kon worden ingeklaard en zij heeft pas na ruim twee jaar dat de lading in de haven van China was blijven staan, opdracht verstrekt om de lading te laten vernietigen.
6.50.
Maersk betwist dat er sprake is van eigen schuld. Maersk stelt dat zij als vervoerder meer heeft gedaan dan van haar verwacht mocht worden. Het was aan Logix en SKIP om Maersk instructies te geven over de lading. Er is met Logix naar een oplossing gezocht in de vorm van de lading doorverkopen en uitvoeren en weer invoeren. Die oplossing is niet geslaagd, omdat Logix het vervoer te duur vond en volledige kwijtschelding van demurrage wenste.
Het was volgens Maersk niet aan haar om bezwaar te maken bij de douane en Kuminda heeft niet onderbouwd dat dit schadebeperkend zou hebben gewerkt.
Het GDB heeft Maersk opgevraagd bij Kuminda. Na vele toezeggingen gaf Kuminda in september 2018 aan dat het document niet beschikbaar was. Daarna heeft Maersk zelf actie ondernomen en heeft het nog enige tijd geduurd, omdat moest worden uitgezocht of de lading goedkoop kon worden vernietigd.
6.51.
De rechtbank overweegt als volgt.
De ontvanger Fujian heeft de lading in China niet opgehaald. Vanaf dat moment was demurrage verschuldigd. Zoals hiervoor onder (6.19 en 6.20) geoordeeld is Kuminda aansprakelijk voor de door de onrechtmatige uitvoer veroorzaakte schade.
6.52.
Container demurrage tarieven van rederijen zijn liquidated damages: het door partijen bij de totstandkoming van een overeenkomst bepaalde bedrag dat de benadeelde partij moet innen als vergoeding bij een specifieke schending. Demurrage is een forfaitaire vergoeding van contractuele schade. De kosten zijn verschuldigd ingevolge een schadebeding. Dat levert voor Maersk het voordeel op dat zij niet moet bewijzen weldegelijk schade te hebben geleden en in welke omvang. Demurrage heeft het karakter van een boetebeding, in die zin dat het een prikkel vormt voor de partij die dit in zijn macht heeft, om de containers zo snel mogelijk leeg in te leveren. Wanneer de betreffende partij het niet in zijn macht heeft om de containers leeg terug te leveren, heeft de vervoerder er geen redelijk belang bij om vergoeding van de demurrage van die partij te blijven vorderen, in plaats van het van die partij vorderen van haar daadwerkelijke schade. Demurrage tarieven als liquidated damages staan dan niet meer in verhouding tot de daadwerkelijke schade vanwege het niet tijdig leeg terug leveren van de containers. Op de zitting van 30 september 2021 heeft Maersk verduidelijkt dat zij alleen de door haar gemaakte kosten vordert en dat zij die heeft geschat. Omdat het hierna strikt genomen dan ook niet meer gaat om demurrage in eigenlijke zin, zal de gevorderde demurrage hierna tussen aanhalingstekens worden geplaatst.
6.53.
Ter voorkoming van het almaar doorlopen van “demurrage” mag niet alleen van de ladingbelanghebbende, maar ook van de vervoerder een actieve houding worden verwacht bij het zoeken naar een oplossing voor de gestrande lading. In dat verband staat als niet, althans onvoldoende weersproken het volgende vast.
Maersk heeft in 2015 geen contact opgenomen met Kuminda of met Fujian. Verder is de verkoop en levering in China aan de door Logix aangedragen “salvage buyer”, Apeiron, niet doorgegaan omdat Maersk China en Logix het niet eens konden worden over tarieven die Maersk China daarvoor zou hanteren. Voorts is een poging van Maersk China tot vernietiging van de lading in China niet doorgegaan, omdat dit door de Chinese douaneautoriteiten niet zou zijn toegestaan, en heeft Maersk, toen de lading terug was in Nederland, uiteindelijk zelf gezorgd voor het benodigde GDB en na ruim twee jaar opdracht gegeven om de lading te vernietigen. Maersk had zich hierin anders kunnen en moeten opstellen. Maersk had haar medewerking kunnen verlenen om de lading te verkopen aan Apeiron, bijvoorbeeld door akkoord te gaan met lagere tarieven voor de verscheping, zij had meerdere pogingen kunnen doen om de lading in China te laten vernietigen en zij had twee jaar eerder opdracht kunnen geven om de lading in Nederland te vernietigen. Maersk had ook Kuminda in een eerder stadium op de hoogte kunnen brengen van de gestrande containers. Maersk heeft dit allemaal niet gedaan en heeft ook niet nader toegelicht waarom niet. Dit zijn omstandigheden die aan Maersk kunnen worden toegerekend in de zin van artikel 6:101 BW. De door Maersk geleden schade als gevolg van het oponthoud van de containers is mede een gevolg van die omstandigheden. Het door Kuminda gedane beroep op eigen schuld slaagt.
6.54.
Op grond van het voorgaande ziet de rechtbank aanleiding om de vergoedingsplicht van Kuminda B op de voet van artikel 6:101 BW te verminderen door de schade over Maersk enerzijds en Kuminda B anderzijds te verdelen in evenredigheid met de mate waarin de aan ieder toe te rekenen omstandigheden tot de schade hebben bijgedragen. De rechtbank stelt de bijdrage van de aan Maersk toe te rekenen omstandigheden aan de schade vast op 50% en de bijdrage van Kuminda B op 50%. Dat betekent dat de vergoedingsplicht van Kuminda B wordt verminderd tot 50% en 50% van de onder 6.47 vermelde bedragen, te weten de volgende bedragen worden toegewezen:
USD 111.500,00
EUR 356.558,02
CNY 1.225
buitengerechtelijke incassokosten
6.55.
Maersk vordert vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten.
Dictum
De rechtbank
in de hoofdzaak
tegen Logix
7.1.
wijst de vordering af,
7.2.
veroordeelt Maersk in de proceskosten van Logix van € 12.663,50,
tegen Kuminda
7.3.
veroordeelt Kuminda B tot betaling aan Maersk van:
- USD 111.500,00
- EUR 356.558,02
- CNY 1.225
- EUR 4002,00,
te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 12 augustus 2020, tot aan de dag van volledige betaling,
7.4.
veroordeelt Kuminda B in de proceskosten van Maersk van € 12.764,39, te vermeerderen met de wettelijke rente zoals bedoeld in artikel 6:119 BW over dit bedrag vanaf veertien dagen na dagtekening van dit vonnis, tot aan de dag der algehele voldoening,
7.5.
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad,
7.6.
wijst het meer of anders gevorderde af,
in de vrijwaringszaak van Logix tegen Kuminda
7.7.
wijst de vordering af,
7.8.
veroordeelt Logix in de proceskosten van Kuminda van € 6.826,00, te vermeerderen met de wettelijke rente zoals bedoeld in artikel 6:119 BW over dit bedrag vanaf veertien dagen na dagtekening van dit vonnis, tot aan de dag der algehele voldoening,
7.9.
verklaart dit vonnis wat de veroordeling betreft uitvoerbaar bij voorraad,
in de vrijwaringszaak van Kuminda tegen Logix
7.10.
wijst de vordering af,
7.11.
veroordeelt Kuminda in de proceskosten van Logix van € 6.826,00.
Dit vonnis is gewezen door mr. C. Sikkel en in het openbaar uitgesproken op 13 september 2023.
615/1573
Inleiding
vonnis
RECHTBANK ROTTERDAM
Team handel en haven
Vonnis in hoofdzaak en vrijwaringen van 13 september 2023
in de zaak met zaaknummer / rolnummer: C/10/603771 / HA ZA 20-866 van
de vennootschap naar buitenlands recht
MAERSK A/S, v.h.o.d.n. Maersk Line A/S,
gevestigd te Kopenhagen, Denemarken,
eiseres,
advocaat mr. M. Wattel te Rotterdam,
tegen
1. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
LOGIX FORWARDING NEDERLAND B.V.,
gevestigd te Rotterdam,
gedaagde,
advocaat mr. K.H.L. van Waasbergen te Rotterdam,
2. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
KUMINDA B B.V.,
gevestigd te Lijnden, gemeente Haarlemmermeer,
gedaagde,
advocaat mr. J.W. de Groot te Amsterdam,
3. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
KUMINDA BRE B.V.,
gevestigd te Lijnden, gemeente Haarlemmermeer,
gedaagde,
advocaat mr. J.W. de Groot te Amsterdam,
4. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
KUMINDA HOLDING B.V.,
gevestigd te Lijnden, gemeente Haarlemmermeer,
gedaagde,
advocaat mr. J.W. de Groot te Amsterdam,
en in de zaak met zaaknummer / rolnummer C/10/613716 / HA ZA 21-165 van
de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
LOGIX FORWARDING NEDERLAND B.V.,
gevestigd te Rotterdam,
eiseres,
advocaat mr. K.H.L. van Waasbergen te Rotterdam,
tegen
1. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
KUMINDA B B.V.,
gevestigd te Lijnden, gemeente Haarlemmermeer,
2. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
KUMINDA BRE B.V.,
gevestigd te Lijnden, gemeente Haarlemmermeer,
3. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
KUMINDA HOLDING B.V.,
gevestigd te Lijnden, gemeente Haarlemmermeer,
gedaagden,
advocaat mr. J.W. de Groot te Amsterdam,
en in de zaak met zaaknummer / rolnummer C/10/613979 / HA ZA 21-185 van
1. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
KUMINDA B B.V.,
gevestigd te Lijnden, gemeente Haarlemmermeer,
2. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
KUMINDA BRE B.V.,
gevestigd te Lijnden, gemeente Haarlemmermeer,
3. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
KUMINDA HOLDING B.V.,
gevestigd te Lijnden, gemeente Haarlemmermeer,
eiseressen,
advocaat mr. J.W. de Groot te Amsterdam,
tegen
de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
LOGIX FORWARDING NEDERLAND B.V.,
gevestigd te Rotterdam,
gedaagde,
advocaat mr. K.H.L. van Waasbergen te Rotterdam.
Partijen zullen hierna Maersk, Logix en (gezamenlijk) Kuminda genoemd worden.
Procesverloop
1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
de dagvaardingen van Maersk van 12 en 13 augustus 2020 met producties 1 tot en met 28
de conclusie van antwoord van Kuminda tevens incidentele conclusie tot oproeping in vrijwaring met producties 1 tot en met 10
de incidentele conclusie van Logix tot oproeping in vrijwaring met producties L-1 tot en met L-5
de conclusie van antwoord van Logix in het vrijwaringsincident van Kuminda tegen Maersk (Logix geeft aan dat zij deze conclusie van antwoord (referte) neemt omdat het rolbericht aangeeft dat niet alleen Maersk maar ook de gedaagden op de rol van 23 december 2020 voor antwoord moeten concluderen. De rechtbank legt deze conclusie terzijde, omdat Logix geen partij is in dit vrijwaringsincident.)
de aktes van Maersk tot referte in de incidenten
het vonnis in de incidenten van 27 januari 2021
de conclusie van antwoord van Logix met producties L-1 tot en met L-12
de brieven van 6 mei 2021 waarin de rechtbank partijen oproept voor een mondelinge behandeling
de zittingsagenda’s van 25 augustus 2021
de akte houdende overleggen producties van Maersk met producties 29 tot en met 36
de mondelinge behandeling van 30 september 2021
de spreekaantekeningen van Maersk
de pleitaantekeningen van Logix
de spreekaantekeningen van Kuminda
de mondelinge behandeling van 9 december 2021
de door Maersk ter mondelinge behandeling van 9 december 2021 overgelegde “Rate Agreement between Maersk Line and Hamburg Sud & APM Terminals Rotterdam B.V.” (hierna: APM) en factuur van APM aan Maersk
de akte uitlating producties van Kuminda
de antwoordakte van Maersk.
1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.
Procesverloop
2.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
de dagvaarding van Logix van 15 februari 2021 met producties VL-1 tot en met VL-9
de conclusie van antwoord in de vrijwaringsprocedure van Kuminda met producties 1 tot en met 5
de brieven van 6 mei 2021 waarin de rechtbank partijen oproept voor een mondelinge behandeling
de zittingsagenda’s van 25 augustus 2021
de akte houdende overlegging producties van Logix met producties VL-10 tot en met VL-12
de mondelinge behandeling van 30 september 2021
de mondelinge behandeling van 9 december 2021.
2.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.
Procesverloop
3.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
de dagvaarding van Kuminda van 16 februari 2021 met producties 1 tot en met 15
de conclusie van antwoord in de vrijwaringsprocedure van Logix met producties VL-1 tot en met VL-9
de brieven van 6 mei 2021 waarin de rechtbank partijen oproept voor een mondelinge behandeling
de zittingsagenda’s van 25 augustus 2021
de akte houdende overlegging producties van Logix met producties VL-10 tot en met VL-12
de mondelinge behandeling van 30 september 2021
de mondelinge behandeling van 9 december 2021.
3.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.
Feiten
4.1.
Kuminda B, voorheen handelende onder de namen Kuminda BDA B.V. en
Biodiesel Amsterdam B.V., kocht allerlei grondstoffen zoals afvalvetten en -oliën waarmee zij in de haven van Amsterdam biodiesel produceerde. Bij de productie van biodiesel werd glycerine gedestilleerd, dat kon worden gebruikt voor diverse technische en farmaceutische toepassingen. Deze glycerine verkocht Kuminda B aan diverse partijen.
4.2.
Op 14 mei 2015 heeft Kuminda B een partij van 1500MT Crude glycerine Cat 1 65% min met als eindbestemming China verkocht aan de inmiddels gefailleerde koper Shri Krishna International PTE Ltd. (hierna: SKIP), gevestigd te Singapore.
4.3.
Op 28 september 2015 heeft Kuminda B een partij van 2250MT Crude glycerine
65% min met als eindbestemming China aan SKIP verkocht.
4.4.
De partijen zijn in delen geleverd, waaronder de onderhavige partij van 508 MT glycerine (hierna: de lading). De lading is op basis van de volgende specificaties verkocht aan SKIP: glycerol 65% Min, Moisture 20% Max, Methanol 2% Max, MONG (Matter Organic Non Glycerol) 12% Max en ASH 8% max.
4.5.
Op 11 september 2015 is een sample van de lading getest door NofaLab. Uit deze test kwam naar voren dat de glycerine bestond uit 64,20% glycerol, 0,45% methanol,
20% vocht, 10,5% MONG (Matter Organic Non Glycerol) en 4,45% ASH.
4.6.
De glycerine werd verkocht “for industrial use only” en ex works geleverd op
basis van de Incoterms 2010.
4.7.
SKIP heeft Logix ingeschakeld om het vervoer van de lading van Nederland naar China te regelen.
4.8.
Op 12 augustus 2013 had Kuminda B een douane expeditie-overeenkomst gesloten met Logix, waarin D.T.S. Customs B.V. (hierna: DTS) als uitvoerder van de douaneactiviteiten werd genoemd. Op grond van artikel 2 (OBLIGATIONS OF THE PARTIES) van deze overeenkomst moest Kuminda B (aangeduid met Principal) aan Logix (aangeduid met Direct Representative) , althans aan DTS, alle informatie verschaffen die nodig was om de douaneactiviteiten uit te voeren:
“2.1 The Principal is obliged to provide the Direct Representative with all required records, information and data necessary for the execution of this agreement (also for each individual shipment/transaction), which may be required on the basis of the applicable rules and regulations and the present agreement.
2.2
In order to submit a correct customs declaration the Direct Representative must require from the Principal the required records, information and data, the relevance of which must be reasonably known to him/it.
2.3
The Direct Representative will make such declarations on the basis of the above data.”
4.9.
Logix heeft het vervoer van de partijen (in 20 maal 20ft dry containers) van Rotterdam naar Lianyungang, China, op 22 september 2015 bij Maersk geboekt. Logix heeft de vracht aan Maersk betaald.
4.10.
Maersk hanteert haar “Maersk Line Terms and conditions of Carriage” (hierna: “algemene voorwaarden”).
De definitie van “Merchant” is volgens artikel 1 van de algemene voorwaarden:
““Merchant” includes the Shipper, Holder, Consignee, Receiver of the Goods, any Person owning or entitled to the possession of the Goods or of this bill of lading and anyone acting on behalf of such Person.”
Artikel 15 (Merchant’s Responsibility) van de algemene voorwaarden luidt als volgt:
“15.1 All of the Persons coming within the definition of Merchant in clause 1, including
any principal of such Person, shall be jointly and severally liable to the Carrier for the due fulfilment of all obligations undertaken by the Merchant in this bill of lading.
15.2
The Merchant shall be liable for and shall indemnify the Carrier against all loss,
damage, delay, fines, attorney fees and/or expenses arising from any breach of any of the warranties in clause 14.3 or elsewhere in this bill of lading and from any other cause whatsoever in connection with the Goods for which the Carrier is not responsible.
15.3
The Merchant shall comply with all regulations or requirements of customs, port
and other authorities, and shall bear and pay all duties, taxes, fines, imposts, expenses or losses (including, without prejudice to the generality of the foregoing Freight for any additional Carriage undertaken) incurred or suffered by reason of any failure to so comply, or by reason of any illegal, incorrect or insufficient declaration, marking, numbering or addressing of the Goods, and shall indemnify the Carrier in respect thereof.
15.4
If Containers supplied by or on behalf of the Carrier are unpacked by or for the
Merchant, the Merchant is responsible for returning the empty Containers, with interiors clean, odour free and in the same condition as received, to the point or place designated by the Carrier, within the time prescribed. Should a Container not be returned in the condition required and/or within the time prescribed in the Tariff, the Merchant shall be liable for any detention, loss or expense incurred as a result thereof.
15.5
Containers released into the care of the Merchant for packing, unpacking or any
other purpose whatsoever are at the sole risk of the Merchant until redelivered to the Carrier. The Merchant shall indemnify the Carrier for all loss of and/or damage and/or delay to such Containers, and all liability claims from third parties or costs or fines resulting from Merchant’s use of such Containers. Merchants are deemed to be aware of the dimensions and capacity of any Containers released to them.”
4.11.
Voor het vervoer heeft Maersk een ordercognossement met nummer 56783639 uitgegeven. Op het cognossement staat SKIP als afzender vermeld. De ontvanger was de inmiddels gefailleerde Fujian Hopeland Chemical Co Ltd. (hierna: Fujian).
4.12.
De lading is rond 1 december 2015 gelost in de haven van Lianyungang te China.
4.13.
Fujian heeft de lading niet afgehaald. Maersk, Logix en SKIP hebben hierop geprobeerd de lading door te verkopen aan een andere partij.
4.14.
Op 23 augustus 2016 heeft Maersk Gremberghen Commodity Trading B.V. (hierna: Gremberghen) opdracht verstrekt tot vernietiging van de lading.
4.15.
Op 9 november 2016 heeft Maersk Logix als boekende partij aansprakelijk gesteld voor de door haar geleden en nog te lijden schade als gevolg van het vervoer van de lading van Nederland naar China en het niet afhalen van de lading door de ontvanger Fujian.
4.16.
Op 18 november 2016 hebben SKIP en Logix afstand gedaan van de lading.
4.17.
De lading bleef tot eind 2016 op de kade in China staan, waarna de Chinese douaneautoriteiten een procedure tot vernietiging van de lading in werking hebben gesteld.
Geschil
in de hoofdzaak
5.1.
Maersk vordert – samengevat – dat de rechtbank bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad:
voor recht verklaart dat alle onverplichte rechtshandelingen gesloten door en/of van en/of met en/of tussen Kuminda B, Kuminda BRE en Kuminda Holding die ten grondslag lagen aan enige benadeling van Maersk, per brief van 15 augustus 2019 buitengerechtelijk zijn vernietigd, althans dat de rechtbank deze rechtshandelingen bij vonnis vernietigt;
gedaagden, althans Logix en/of Kuminda B en/of Kuminda BRE en/of Kuminda Holding, hoofdelijk veroordeelt om aan Maersk te betalen:- USD 200.000,00 aan demurrage,- EUR 505.129,00 aan demurrage,- USD 23.000,00, EUR 4.230,00 en CNY 2.450,00 aan kosten voor terug vervoeren van de containers naar Nederland,- EUR 133.724,30 en EUR 25.866,17 aan vernietigingskosten en daarmee samenhangende kosten,- EUR 20.442,85 en EUR 23.723,72 aan expertisekosten,
te vermeerderen met de wettelijke handelsrente vanaf de datum van instructie Chinese Douaneautoriteiten om de lading terug te vervoeren, althans de datum van de eerste aansprakelijkstelling, althans de vervaldatum van de facturen, althans datum dagvaarding, tot aan de dag van algehele betaling;
gedaagden, althans Logix en/of Kuminda B en/of Kuminda BRE en/of Kuminda Holding, hoofdelijk veroordeelt om aan Maersk te betalen EUR 50.000,00 aan buitengerechtelijke advocaatkosten, te vermeerderen met de wettelijke handelsrente vanaf de datum van de dagvaarding tot aan de dag van algehele betaling;
gedaagden veroordeelt in de kosten van dit geding, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf veertien dagen na dagtekening van dit vonnis, tot aan de dag der algehele voldoening;
gedaagden veroordeelt in de nakosten, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf veertien dagen na dagtekening vonnis, dan wel vanaf veertien dagen na aanzegging van deze kosten, tot aan de dag der algehele voldoening.
5.1.1.
Maersk legt – kort samengevat – aan haar vorderingen jegens Logix ten grondslag dat Logix aansprakelijk is voor schade van Maersk, die het gevolg is van de door Logix en Kuminda bewerkstelligde onrechtmatige uitvoer uit de Europese gemeenschap naar China van de lading. Logix is namelijk niet alle uit de vervoersovereenkomst met Maersk voortvloeiende verplichtingen als “Merchant” nagekomen. Logix heeft niet alle douanevoorschriften en vereisten nageleefd. De lading had nooit mogen worden uitgevoerd naar China en later is ook gebleken dat er een verkeerde goederencode is gebruikt. Mogelijk zou bij gebruik van de juiste goederencode de ongeoorloofde uitvoer niet hebben kunnen plaatsvinden. Op grond van de algemene voorwaarden moet Logix de kosten en verliezen dragen die Maersk hierdoor heeft geleden.
5.1.2.
Maersk legt – kort samengevat – aan haar vorderingen jegens Kuminda ten grondslag dat Kuminda aansprakelijk is om voornoemde schade te vergoeden op basis van onrechtmatige daad jegens Maersk en bestuurdersaansprakelijkheid. Kuminda
B heeft als verkoper, exporteur en exploitant in 2015 de lading verkocht met eindbestemming China en zij heeft deze lading laten uitvoeren naar China, een niet OESO-land. Daarnaast heeft Kuminda B geen documenten opgemaakt die het terug invoeren van de lading in Nederland mogelijk zou hebben gemaakt bij eventuele weigering van de lading in China. Deze gedragingen leveren jegens Maersk als vervoerder van de lading een onrechtmatige daad ex artikel 6:162 Burgerlijk Wetboek (BW) op.
Kuminda BRE en Kuminda Holding zijn voor deze onrechtmatige daad van Kuminda B jegens Maersk aansprakelijk op grond van bestuurdersaansprakelijkheid uit hoofde van artikel 6:162 BW juncto artikel 2:11 BW.
Op dezelfde grondslag acht Maersk Kuminda BRE en Kuminda Holding aansprakelijk voor de schade die is ontstaan als gevolg van het leegtrekken van de Kuminda-vennootschappen/ paulianeus handelen door Kuminda BRE en Kuminda Holding, waardoor Maersk wordt gefrustreerd in haar verhaalsmogelijkheden.
5.2.
Gedaagden voeren verweer.
5.2.1.
Logix betwist primair dat zij de contractuele wederpartij van Maersk is onder de vervoerovereenkomst. Logix heeft niet voor zichzelf geboekt maar als expediteur voor haar opdrachtgever SKIP (die door Maersk in het cognossement is vermeld als “shipper”). Daarom kan Logix niet door
Maersk tot vergoeding van de door Maersk gevorderde kosten worden aangesproken. Subsidiair, in het geval Logix moet worden aangemerkt als “merchant”, voert Logix aan dat zij de terug levering van de (lege) containers niet in haar macht had en dat zij dat aan Maersk kenbaar heeft gemaakt. Maersk heeft dan ook geen redelijk belang om vergoeding van de demurrage (liquidated damages) jegens haar te blijven vorderen, in plaats van het vorderen van unliquidated damages (de daadwerkelijke schade).
Verder betwist Logix de (hoogte van de) schade en doet zij een beroep op de schadebeperkingsplicht van Maersk.
5.2.2.
Kuminda betwist dat zij is aan te merken als exporteur of exploitant, betwist dat sprake is van een onrechtmatige daad of bestuurdersaansprakelijkheid en betwist de (hoogte van de) schade. Verder doet Kuminda een beroep op de schadebeperkingsplicht van Maersk. Voorts voert Kuminda verweer tegen de gevorderde uitvoerbaar bij voorraad verklaring, wanneer de vordering onverhoopt toewijsbaar wordt geacht.
5.3.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.
in de vrijwaringszaak van Logix tegen Kuminda
5.4.
Logix vordert – samengevat – om bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad:
a. a) Kuminda hoofdelijk te veroordelen om Logix te vrijwaren van de aanspraken van Maersk in de hoofdzaak en
b) voor recht te verklaren dat alle onverplichte rechtshandelingen gesloten door en/of van
en/of met en/of tussen Kuminda B, Kuminda BRE en Kuminda Holding die ten grondslag lagen aan enige benadeling van Logix per brief van 29 augustus 2019 buitengerechtelijk zijn vernietigd, althans dat de rechtbank deze rechtshandelingen vernietigt.
5.4.1.
Logix legt aan de vordering ten grondslag dat Kuminda op grond van artikel 6:10 BW juncto 6:102 BW juncto 6:101 BW als de feitelijk verantwoordelijke partij de schade van Maersk in de verhouding tot Logix volledig dient te dragen.
5.5.
Kuminda voert verweer. Kuminda betwist dat sprake is van een onrechtmatige daad of van bestuurders- of aandeelhoudersaansprakelijkheid. Zij betwist dat zij juridisch, contractueel of feitelijk een rol heeft gespeeld bij de export van de lading. Verder voert Kuminda verweer tegen de gevorderde uitvoerbaar bij voorraad verklaring.
5.6.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.
in de vrijwaringszaak van Kuminda tegen Logix
5.7.
Kuminda vordert – samengevat – dat Logix wordt veroordeeld om aan Kuminda te betalen al hetgeen waartoe Kuminda in de vrijwaringszaak mocht worden veroordeeld, althans voor het gedeelte dat Logix in de onderlinge verhouding aangaat, inclusief de proceskosten van de hoofdzaak, met veroordeling van Logix in de kosten van de vrijwaring.
5.7.1.
Kuminda legt aan de vordering ten grondslag dat artikel 6:10 lid 1 BW bepaalt dat hoofdelijke schuldenaren, ieder voor het gedeelte van de schuld dat hem in onderlinge verhouding aangaat, verplicht zijn in de schuld en de kosten bij te dragen. De wet kent daarnaast in artikel 6:102 BW juncto artikel 6:101 BW een bijzondere regeling voor de omvang van de bijdrageplicht.
Beoordeling
bevoegdheid en toepasselijk recht
6.1.
De zaken zijn internationaal, omdat Maersk in Denemarken is gevestigd, sprake is van vervoer van Nederland naar China en weer terug en partijen voor de rechter in Nederland procederen. Daarom onderzoekt de rechtbank ambtshalve of de Nederlandse rechter bevoegd is om van de vorderingen kennis te nemen en welk recht van toepassing is.
6.2.
De vraag of de Nederlandse rechter bevoegd is om van de vorderingen kennis te nemen dient te worden beantwoord aan de hand van het bepaalde in de Verordening (EU) No. 1215/2012 van 12 december 2012 betreffende de rechterlijke bevoegdheid, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken (Brussel I bis-Vo). Omdat Kuminda in Nederland is gevestigd, is deze rechtbank internationaal bevoegd om van de hoofdzaak kennis te nemen (artikel 2 Brussel I bis-Vo).
6.3.
Ook in de vrijwaringszaken is deze rechtbank internationaal bevoegd (artikel 6 lid 2 Brussel I bis-Vo).
6.4.
Ingevolge artikel 10:125 BW en artikel 11 Haags Vertegenwoordigingsverdrag is op de vraag of Logix zelf partij is geworden bij de vervoersovereenkomst onder het Maersk cognossement Nederlands recht van toepassing, omdat Logix haar kantoor had (en nog steeds heeft) in Nederland op het tijdstip dat Logix het vervoer boekte bij Maersk in Nederland.
6.5.
Verordening (EG) nr. 864/2007 van het Europees Parlement en de Raad van 11 juli 2007 betreffende het recht dat van toepassing is op niet-contractuele verbintenissen (Rome II-verordening) is van toepassing, omdat het gaat om niet-contractuele verbintenissen in burgerlijke en in handelszaken ontstaan na 11 januari 2009. Ingevolge artikel 4 lid 1 Rome II-verordening is het recht dat van toepassing is op een onrechtmatige daad het recht van het land waar de schade zich voordoet, ongeacht in welk land de schadeveroorzakende gebeurtenis zich heeft voorgedaan en ongeacht in welke landen de indirecte gevolgen van die gebeurtenis zich voordoen.
Anders dan Kuminda, die in dit verband aanwijzingen ziet voor gedeeltelijke toepassing van Chinees recht (maar aangeeft de inhoud daarvan niet te kennen), oordeelt de rechtbank dat in beginsel Deens recht van toepassing is, omdat Maersk als schadelijdende partij haar vestigingsplaats in Denemarken heeft. In dit geval is echter Nederlands recht van toepassing, omdat uit het geheel der omstandigheden blijkt dat de beweerde onrechtmatige daad een nauwere band heeft met Nederland (artikel 4 lid 3 Rome II). Die omstandigheden zijn dat Kuminda en Logix in Nederland zijn gevestigd, de lading is uitgevoerd uit Nederland en is teruggestuurd naar Nederland en op instructie van de NVWA in Nederland is vernietigd. Ook partijen gaan overigens uit van Nederlands recht, gelet op de aangehaalde wetsartikelen en jurisprudentie.
in de hoofdzaak
tegen Logix
6.6.
Maersk grondt haar vordering jegens Logix op de vervoerovereenkomst. Maersk stelt daartoe het volgende. Logix is als afzender en merchant op grond van artikel 14, 15 en 22 van de algemene voorwaarden aansprakelijk voor de schade die Maersk heeft geleden, omdat Logix haar verplichtingen als afzender en “Merchant” (in de zin van artikel 1 jo 15 van de algemene voorwaarden) niet is nagekomen.
6.7.
Logix voert aan dat zij niet kan worden aangesproken voor de schade die Maersk heeft geleden, omdat zij het vervoer slechts heeft geboekt als expediteur in opdracht van SKIP.
6.8.
De vraag die partijen verdeeld houdt is dus in welke hoedanigheid Logix met Mearsk heeft gecontracteerd terzake van het onderhavige vervoer. De rechtbank overweegt als volgt.
Als uitgangspunt geldt dat een vertegenwoordiger (bijvoorbeeld een expediteur) die in naam van zijn principaal (de afzender) een overeenkomst sluit, een overeenkomst tussen de wederpartij (vervoerder) en de principaal (afzender) tot stand doet komen. De vertegenwoordiger is in beginsel niet gebonden aan de door hem gesloten overeenkomst en de daarop van toepassing zijnde algemene voorwaarden.
6.9.
Het antwoord op de onder 6.8 vermelde vraag of partijen bij het sluiten van de vervoerovereenkomst hebben bedoeld dat Logix zelf als wederpartij van Maersk heeft te gelden of dat Logix heeft gehandeld namens een derde (in welk geval deze derde als wederpartij van Maersk geldt), hangt af van wat Logix en Maersk daarover jegens elkaar hebben verklaard en over en weer uit elkaars verklaringen en gedragingen hebben afgeleid en mochten afleiden (vgl. HR 11 maart 1977, NJ 1977, 521 (Kribbebijter)). Ook kunnen eerdere contracten tussen partijen daarbij een rol spelen.
Maersk draagt ingevolge de hoofdregel van artikel 150 Wetboek van Burgerlijke rechtsvordering in beginsel de stelplicht en – bij voldoende betwisting – bewijslast van haar stelling dat de vervoerovereenkomst is gesloten met Logix.
6.10.
Tijdens de mondelinge behandeling is vast komen te staan dat Maersk en Logix al langere tijd zaken met elkaar doen, dat Maersk weet dat Logix als expediteur optreedt voor haar opdrachtgevers en dat de gebruikelijke gang van zaken tussen Maersk en Logix is dat Logix vervoer boekt bij Maersk en Logix pas als de container al in het schip zit aan Maersk doorgeeft welke afzender en consignee er op het cognossement moeten komen te staan. Ook in het onderhavige geval was dit de gang van zaken. Logix heeft het vervoer op 22 september 2015 bij Maersk geboekt en toen de lading in het schip zat aan Maersk doorgegeven dat SKIP als afzender op het cognossement moest komen te staan (de consignee was “to order”). Maersk was dus ruim voor de afgifte van het cognossement op de hoogte van het feit dat Logix optrad als expediteur. Daaruit kan een indicatie voor directe vertegenwoordiging worden afgeleid die door de cognossementsinstructies van Logix om SKIP als shipper op het cognossement te vermelden wordt versterkt. Maersk heeft deze instructie uitgevoerd en daarmee SKIP als haar contractuele wederpartij bij de vervoerovereenkomst aanvaard.
Hoewel onderaan het “BOOKING AMENDMENT” is vermeld dat de algemene voorwaarden van Maersk op deze booking van toepassing zijn, is gesteld en ook niet gebleken dat Maersk, die weet dat het gebruikelijk is dat een expediteur optreedt voor een opdrachtgever, ervan uitging dat het deze keer anders was en dat ook Logix de algemene voorwaarden zou hebben aanvaard en daaraan gebonden zou zijn (vgl. “Golden Med”, rechtbank Rotterdam 9 maart 1990, ECLI:NL:RBROT:1990:AJ2505 en Hof ’s-Gravenhage 17 december 1991, ECLI:NL:GHSGR:1991:AL6979). Dat dit zou volgen uit een onderliggend service contract, zoals gesteld door Maersk, maar betwist door Logix, is ook niet gebleken.
6.11.
Dat betekent dat niet Logix maar SKIP afzender en contractuele wederpartij van Maersk is. Dat Logix de Merchant Clause (artikel 1 van de algemene voorwaarden) heeft aanvaard en daarmee is toegetreden tot de vervoerovereenkomst is gesteld noch gebleken. Er is dan ook geen sprake van dat Logix verplichtingen als “Merchant” in de zin van artikel 1 jo 15 (Merchant’s Responsibility) van de algemene voorwaarden van Maersk niet is nagekomen. De rechtbank wijst de daarop gegronde vordering jegens Logix daarom af.
tegen Kuminda
6.12.
Maersk grondt de aansprakelijkheid van Kuminda B voor de schade die Maersk heeft geleden op onrechtmatige daad. Maersk stelt daartoe het volgende. Kuminda heeft de lading in 2015 als verkoper, exporteur en exploitant verkocht met eindbestemming China. Kuminda B heeft deze lading laten uitvoeren naar China, een niet OESO-land.
Conclusie
USD 223.000,00 (200.000,00 + 23.000,00)
EUR 713.116,04 (505.129,00 + 4.230,00 + 25.866,17 + 133.724,30 + 23.723,72 + 20.442,85)
CNY 2.450,00.
eigen schuld
6.48.
In beginsel is Kuminda aansprakelijk voor de schade die Maersk als gevolg van bovenvermeld onrechtmatig handelen heeft geleden. Uit artikel 6:101 lid 1 BW vloeit echter voort dat wanneer de schade mede een gevolg is van een omstandigheid die aan de benadeelde kan worden toegerekend, de vergoedingsplicht wordt verminderd door de schade over de benadeelde en de vergoedingsplichtige(n) te verdelen in evenredigheid met de mate waarin de aan ieder toe te rekenen omstandigheden tot de schade hebben bijgedragen, met dien verstande dat een andere verdeling plaatsvindt of de vergoedingsplicht geheel vervalt of in stand blijft, indien de billijkheid dit wegens de uiteenlopende ernst van de gemaakte fouten of andere omstandigheden van het geval eist.
6.49.
Kuminda doet een beroep op eigen schuld van Maersk, in die zin dat Maersk niet heeft voldaan aan haar schadebeperkingsplicht. De overliggelden en de kosten voor vernietiging van de glycerine komen volgens Kuminda dan ook niet voor vergoeding in aanmerking en ook had ook een groot deel van de expertisekosten en buitengerechtelijke advocatenkosten voorkomen kunnen worden. Kuminda voert daartoe het volgende aan.
Maersk heeft, in de (meer dan een jaar) tijd dat de lading na het lossen in China in december 2015 heeft (stil) gelegen, niet naar oplossingen gezocht en (vrijwel) geen actie ondernomen. Zij heeft geen contact opgenomen met Kuminda of met Fujian. Verder is Maersk niet in bezwaar gegaan om het vervoer terug naar Nederland te voorkomen toen de Chinese douaneautoriteiten het vernietigingsproces in gang hadden gezet. Zij heeft ook geen poging ondernomen om de lading in China te laten testen om ervoor te zorgen dat deze toch in China werd toegelaten, wat voor de hand zou liggen, omdat het gaat om Cat. 1 glycerine (en niet om afval) en de glycerine in China waarde vertegenwoordigde.
Ook toen de lading omstreeks 15 april 2017 werd gelost in Rotterdam heeft Maersk niet schadebeperkend opgetreden. Zij heeft geen GDB’s (laten) opmaken voor de glycerine, zodat deze kon worden ingeklaard en zij heeft pas na ruim twee jaar dat de lading in de haven van China was blijven staan, opdracht verstrekt om de lading te laten vernietigen.
6.50.
Maersk betwist dat er sprake is van eigen schuld. Maersk stelt dat zij als vervoerder meer heeft gedaan dan van haar verwacht mocht worden. Het was aan Logix en SKIP om Maersk instructies te geven over de lading. Er is met Logix naar een oplossing gezocht in de vorm van de lading doorverkopen en uitvoeren en weer invoeren. Die oplossing is niet geslaagd, omdat Logix het vervoer te duur vond en volledige kwijtschelding van demurrage wenste.
Het was volgens Maersk niet aan haar om bezwaar te maken bij de douane en Kuminda heeft niet onderbouwd dat dit schadebeperkend zou hebben gewerkt.
Het GDB heeft Maersk opgevraagd bij Kuminda. Na vele toezeggingen gaf Kuminda in september 2018 aan dat het document niet beschikbaar was. Daarna heeft Maersk zelf actie ondernomen en heeft het nog enige tijd geduurd, omdat moest worden uitgezocht of de lading goedkoop kon worden vernietigd.
6.51.
De rechtbank overweegt als volgt.
De ontvanger Fujian heeft de lading in China niet opgehaald. Vanaf dat moment was demurrage verschuldigd. Zoals hiervoor onder (6.19 en 6.20) geoordeeld is Kuminda aansprakelijk voor de door de onrechtmatige uitvoer veroorzaakte schade.
6.52.
Container demurrage tarieven van rederijen zijn liquidated damages: het door partijen bij de totstandkoming van een overeenkomst bepaalde bedrag dat de benadeelde partij moet innen als vergoeding bij een specifieke schending. Demurrage is een forfaitaire vergoeding van contractuele schade. De kosten zijn verschuldigd ingevolge een schadebeding. Dat levert voor Maersk het voordeel op dat zij niet moet bewijzen weldegelijk schade te hebben geleden en in welke omvang. Demurrage heeft het karakter van een boetebeding, in die zin dat het een prikkel vormt voor de partij die dit in zijn macht heeft, om de containers zo snel mogelijk leeg in te leveren. Wanneer de betreffende partij het niet in zijn macht heeft om de containers leeg terug te leveren, heeft de vervoerder er geen redelijk belang bij om vergoeding van de demurrage van die partij te blijven vorderen, in plaats van het van die partij vorderen van haar daadwerkelijke schade. Demurrage tarieven als liquidated damages staan dan niet meer in verhouding tot de daadwerkelijke schade vanwege het niet tijdig leeg terug leveren van de containers. Op de zitting van 30 september 2021 heeft Maersk verduidelijkt dat zij alleen de door haar gemaakte kosten vordert en dat zij die heeft geschat. Omdat het hierna strikt genomen dan ook niet meer gaat om demurrage in eigenlijke zin, zal de gevorderde demurrage hierna tussen aanhalingstekens worden geplaatst.
6.53.
Ter voorkoming van het almaar doorlopen van “demurrage” mag niet alleen van de ladingbelanghebbende, maar ook van de vervoerder een actieve houding worden verwacht bij het zoeken naar een oplossing voor de gestrande lading. In dat verband staat als niet, althans onvoldoende weersproken het volgende vast.
Maersk heeft in 2015 geen contact opgenomen met Kuminda of met Fujian. Verder is de verkoop en levering in China aan de door Logix aangedragen “salvage buyer”, Apeiron, niet doorgegaan omdat Maersk China en Logix het niet eens konden worden over tarieven die Maersk China daarvoor zou hanteren. Voorts is een poging van Maersk China tot vernietiging van de lading in China niet doorgegaan, omdat dit door de Chinese douaneautoriteiten niet zou zijn toegestaan, en heeft Maersk, toen de lading terug was in Nederland, uiteindelijk zelf gezorgd voor het benodigde GDB en na ruim twee jaar opdracht gegeven om de lading te vernietigen. Maersk had zich hierin anders kunnen en moeten opstellen. Maersk had haar medewerking kunnen verlenen om de lading te verkopen aan Apeiron, bijvoorbeeld door akkoord te gaan met lagere tarieven voor de verscheping, zij had meerdere pogingen kunnen doen om de lading in China te laten vernietigen en zij had twee jaar eerder opdracht kunnen geven om de lading in Nederland te vernietigen. Maersk had ook Kuminda in een eerder stadium op de hoogte kunnen brengen van de gestrande containers. Maersk heeft dit allemaal niet gedaan en heeft ook niet nader toegelicht waarom niet. Dit zijn omstandigheden die aan Maersk kunnen worden toegerekend in de zin van artikel 6:101 BW. De door Maersk geleden schade als gevolg van het oponthoud van de containers is mede een gevolg van die omstandigheden. Het door Kuminda gedane beroep op eigen schuld slaagt.
6.54.
Op grond van het voorgaande ziet de rechtbank aanleiding om de vergoedingsplicht van Kuminda B op de voet van artikel 6:101 BW te verminderen door de schade over Maersk enerzijds en Kuminda B anderzijds te verdelen in evenredigheid met de mate waarin de aan ieder toe te rekenen omstandigheden tot de schade hebben bijgedragen. De rechtbank stelt de bijdrage van de aan Maersk toe te rekenen omstandigheden aan de schade vast op 50% en de bijdrage van Kuminda B op 50%. Dat betekent dat de vergoedingsplicht van Kuminda B wordt verminderd tot 50% en 50% van de onder 6.47 vermelde bedragen, te weten de volgende bedragen worden toegewezen:
USD 111.500,00
EUR 356.558,02
CNY 1.225
buitengerechtelijke incassokosten
6.55.
Maersk vordert vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten.
Dictum
De rechtbank
in de hoofdzaak
tegen Logix
7.1.
wijst de vordering af,
7.2.
veroordeelt Maersk in de proceskosten van Logix van € 12.663,50,
tegen Kuminda
7.3.
veroordeelt Kuminda B tot betaling aan Maersk van:
- USD 111.500,00
- EUR 356.558,02
- CNY 1.225
- EUR 4002,00,
te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 12 augustus 2020, tot aan de dag van volledige betaling,
7.4.
veroordeelt Kuminda B in de proceskosten van Maersk van € 12.764,39, te vermeerderen met de wettelijke rente zoals bedoeld in artikel 6:119 BW over dit bedrag vanaf veertien dagen na dagtekening van dit vonnis, tot aan de dag der algehele voldoening,
7.5.
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad,
7.6.
wijst het meer of anders gevorderde af,
in de vrijwaringszaak van Logix tegen Kuminda
7.7.
wijst de vordering af,
7.8.
veroordeelt Logix in de proceskosten van Kuminda van € 6.826,00, te vermeerderen met de wettelijke rente zoals bedoeld in artikel 6:119 BW over dit bedrag vanaf veertien dagen na dagtekening van dit vonnis, tot aan de dag der algehele voldoening,
7.9.
verklaart dit vonnis wat de veroordeling betreft uitvoerbaar bij voorraad,
in de vrijwaringszaak van Kuminda tegen Logix
7.10.
wijst de vordering af,
7.11.
veroordeelt Kuminda in de proceskosten van Logix van € 6.826,00.
Dit vonnis is gewezen door mr. C. Sikkel en in het openbaar uitgesproken op 13 september 2023.
615/1573
Beoordeling
Daarnaast heeft Kuminda geen documenten opgemaakt die het terug invoeren van de lading in Nederland mogelijk zou hebben gemaakt bij eventuele weigering van de lading in China. Deze gedragingen leveren jegens Maersk als vervoerder van de lading een onrechtmatige daad ex artikel 6:162 BW op.
6.13.
Kuminda betwist dat zij is aan te merken als exporteur of exploitant en betwist dat zij een onrechtmatige daad heeft gepleegd.
6.14.
De rechtbank overweegt als volgt.
Kuminda B is aan te merken als exporteur in de zin van artikel 788 lid 1 Verordening (EEG) Nr. 2454/93 van de Commissie van 2 juli 1993 houdende vaststelling van enkele bepalingen ter uitvoering van Verordening (EEG) nr. 2913/92 van de Raad tot vaststelling van het communautair douanewetboek (Uitvoeringverordening Douanewetboek). Dit artikellid bepaalt immers, dat als exporteur in de zin van artikel 161 lid 5 van het douanewetboek wordt aangemerkt de persoon voor wiens rekening de aangifte ten uitvoer wordt gedaan en die op het tijdstip van aanvaarding van deze aangifte eigenaar is van de betrokken goederen (of die dienaangaande gelijkaardig beschikkingsrecht heeft). Tussen partijen is niet in geschil dat Kuminda B de lading heeft verkocht aan SKIP waardoor het eigendom berust bij een buiten de Gemeenschap gevestigde partij waardoor Kuminda B als de in de Gemeenschap gevestigde partij wettelijk gezien als exporteur wordt beschouwd. Uit de e-mail van Kuminda B (Zuurbier) van 4 januari 2018 (productie 4 cva) volgt dat Kuminda B een CMR en het handelsdocument heeft opgemaakt. DTS heeft de aangifte ten uitvoer voor Kuminda gedaan. Daarmee staat voldoende vast dat Kuminda B feitelijk als exporteur is opgetreden.
6.15.
Kuminda B is ook aan te merken als exploitant in de zin van artikel 3 lid 11 Verordening (EG) nr. 1774/2002 (hierna: verordening dierlijke bijproducten). Dit artikellid bepaalt immers, dat als exploitant wordt aangemerkt de natuurlijke of rechtspersonen die de feitelijke controle hebben over een dierlijk bijproduct of een afgeleid product, waaronder vervoerders, handelaren en gebruikers. Kuminda B is handelaar (verkoper) die de feitelijke controle had over de glycerine. Zij heeft de in haar productieproces vrijgekomen glycerine voor export naar China aan de in Singapore gevestigde SKIP verkocht en geleverd. Dat Kuminda B - zoals zij aanvoert - de glycerine Ex Works heeft geleverd en (slechts) tot die tijd de feitelijke controle had over de glycerine, doet daar niet aan af.
6.16.
Partijen zijn het erover eens dat de betreffende glycerine, die Kuminda B heeft gedestilleerd bij de productie van biodiesel, categorie 1-materiaal betreft in de zin van artikel 8 van de verordening dierlijke bijproducten. Partijen zijn het er ook over eens dat de glycerine bestemd was om er glycol van te maken. Artikel 43 lid 1 van de verordening dierlijke bijproducten bepaalt dat de uitvoer van dierlijke bijproducten en afgeleide producten die bestemd is om te worden verbrand of gestort, verboden is.
Artikel 43 lid 2 bepaalt dat de uitvoer van dierlijke bijproducten en afgeleide producten naar derde landen die geen lid zijn van de OESO voor gebruik in een biogas- of composteerinstallatie, verboden is.
Artikel 43 lid 3 luidt dat categorie 1-materiaal, categorie 2-materiaal en daarvan afgeleide producten slechts voor andere doeleinden dan de in de leden 1 en 2 genoemde doeleinden mogen worden uitgevoerd, mits voorschriften voor de uitvoer daarvan zijn vastgesteld.
6.17.
Categorie-1 materiaal en daarvan afgeleide producten mogen op grond van artikel 43 lid 3 dus slechts voor andere doeleinden, dan te worden verbrand, gestort of te gebruiken in een biogas- of composteerinstallatie, worden uitgevoerd als er voorschriften voor de uitvoer daarvan zijn vastgesteld. De verordening (EU) Nr. 142/2011 van de commissie van 25 februari 2011 tot uitvoering van Verordening (EG) nr. 1069/2009 van het Europees Parlement en de Raad tot vaststelling van gezondheidsvoorschriften inzake niet voor menselijke consumptie bestemde dierlijke bijproducten en afgeleide producten en tot uitvoering van Richtlijn 97/78/EG van de Raad wat betreft bepaalde monsters en producten die vrijgesteld zijn van veterinaire controles aan de grens krachtens die richtlijn, is de bij de verordening dierlijke bijproducten behorende uitvoeringsverordening (hierna: de uitvoeringsverordening). In deze uitvoeringsverordening staat in artikel 26 opgesomd aan welke eisen moet worden voldaan, wil de bevoegde autoriteit toestemming verlenen om bepaald categorie 1-materiaal in de handel te brengen en uit te voeren. Tussen partijen staat vast dat de glycerine is uitgevoerd met de bedoeling om er glycol van te maken. Er zijn echter geen voorschriften voor de uitvoer daarvan vastgesteld. De lading had dus niet mogen worden uitgevoerd.
6.18.
Kuminda B heeft desondanks de lading verkocht met eindbestemming China met, zoals Kuminda op de zitting heeft verklaard, een verkeerde goederencode, terwijl Kuminda B wist dan wel behoorde te weten dat dit niet mocht. Zij heeft daarbij geen rekening gehouden met het gevaar/risico dat de lading in China zou kunnen worden geweigerd en weer moest worden terug ingevoerd in Nederland, waarbij de aankomst van deze containers moest worden gemeld bij de NVWA en iedere container bij terugkeer in de Europese Unie moest zijn voorzien van een GDB. Vast staat immers dat de lading, die met de originele zegels intact is aangekomen, residuen bevatte van dierlijke oorsprong. Kuminda B was daarom als exploitant op grond van artikel 21 lid 2 verordening dierlijke bijproducten gehouden om voor een handelsdocument en later de GDB’s te zorgen. Kuminda B heeft dat nagelaten, waardoor de lading niet kon worden terug ingevoerd in Nederland.
6.19.
Door de glycerine in strijd met de verordening dierlijke bijproducten uit te voeren naar China en niet te voorzien van een GDB in geval van terug invoer in Nederland, heeft Kuminda B onzorgvuldig en daarmee onrechtmatig gehandeld. Zij heeft niet de zorgvuldigheid in acht genomen die van haar als verkoper, exploitant en exporteur in het maatschappelijk verkeer mocht worden verwacht. Kuminda B, als grote marktpartij in de handel in glycerine, had op de hoogte moeten zijn van de geldende regelgeving. Dat zij zich daarin niet heeft verdiept, zoals zij aanvoert, komt voor haar risico. Dat de uitvoering van glycerine naar China kennelijk jarenlang goed is gegaan met de door Kuminda B aan DTS (als uitvoerder van de douaneactiviteiten) verschafte onjuiste informatie, maakt dit niet anders.
6.20.
Er is sprake van causaal verband tussen dit onrechtmatig handelen van Kuminda B en de schade. Immers heeft Kuminda B de lading verkocht aan SKIP met bestemming China, heeft de gefailleerde Fujian de lading niet afgehaald in China en zijn de containers op de kade in China blijven staan. Vervolgens hebben de Chinese douaneautoriteiten de lading als “industrial waste” bestempeld en bevolen dat de lading moest worden geretourneerd. De lading kon echter niet worden (terug) ingevoerd in Nederland, omdat deze niet was voorzien van een GDB. Als Kuminda B de lading niet had verkocht aan SKIP met eindbestemming China en laten uitvoeren naar China onder een onjuiste goederencode en zonder GDB's
, dan had Maersk geen schade geleden.Aldus is het voor de vestiging van aansprakelijkheid vereiste condicio sine qua non-verband tussen het onrechtmatig handelen van Kuminda B en de geleden schade gegeven.
Ook is voldaan aan het relativiteitsvereiste. Anders dan Kuminda B aanvoert had zij wel anders moeten handelen dan zij heeft gedaan. Zij had de glycerine immers moeten voorzien van een juiste goederencode.
Conclusie
De hoofdvordering valt niet onder het toepassingsbereik van het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten (hierna: het Besluit). De rechtbank toetst daarom de gevorderde vergoeding aan de oriëntatiepunten voor de beoordeling van dergelijke vorderingen uit het Rapport BGK-integraal, maar met toepassing van de wettelijke tarieven die geacht worden redelijk te zijn.
Ter onderbouwing van het gevorderde bedrag van € 50.000,00 voert Maersk aan dat zij in het kader van een buitengerechtelijke afdoening van dit geschil al vanaf een vroeg stadium is bijgestaan door haar advocaat, dat er diverse inhoudelijke brieven zijn gestuurd en er over de jaren substantieel overleg is gevoerd met Logix en Kuminda over dit geschil. Maersk laat echter na om het bedrag concreet te onderbouwen. Mede gelet op de betwisting van Kuminda is dit dan ook niet voldoende voor toewijzing van het genoemde bedrag. Wel is vast komen te staan dat enige correspondentie en overleg heeft plaatsgevonden, zodat de rechtbank de vordering vaststelt op het in het Besluit bepaalde tarief van € 4.002,00 bij voornoemde bedragen in hoofdsom. De rechtbank wijst daarom € 4.002,00 toe.
rente
6.56.
Omdat tussen Maersk en Kuminda geen sprake is van een handelsovereenkomst, wijst de rechtbank niet de gevorderde wettelijke handelsrente, maar de wettelijke rente toe. Gelet op de gedeeltelijke afwijzing van de vordering, wordt de rente toegewezen vanaf 12 augustus 2020, zijnde de dag van de dagvaarding.
proceskosten
6.57.
Maersk zal als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de proceskosten van Logix. Deze kosten worden vastgesteld op € 4.131,00 aan griffierecht en € 8.532,50 (2,50 punten × € 3.413,00) aan salaris advocaat. Totaal € 12.663,50.
6.58.
Kuminda zal als de grotendeels in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de proceskosten van Maersk. Deze kosten worden vastgesteld op:
- € 100,89 aan kosten van de dagvaarding
- € 4.131,00 aan griffierecht
- € 8.532,50 (2,50 punten × € 3.413,00) aan salaris advocaat.
Totaal € 12.764,39.
6.59.
Uit de uitspraak van 10 juni 2022 van de Hoge Raad (ECLI:NL:HR:2022:853), onder nummer 2.3, leidt de rechtbank af dat in dit vonnis geen aparte beslissingen hoeven te worden genomen over nakosten en wettelijke rente daarover.
uitvoerbaarheid bij voorraad
6.60.
Kuminda verzoekt de rechtbank om de veroordeling niet uitvoerbaar bij voorraad te verklaren. Omdat Kuminda dit verzoek niet onderbouwt, wordt het afgewezen.
in de vrijwaringszaak van Logix tegen Kuminda
6.61.
In de hoofdzaak is de vordering van Maersk tegen Logix afgewezen (6.11). Daarmee wordt ook de vordering van Logix tegen Kuminda afgewezen. Logix vordert immers Kuminda te veroordelen om Logix te vrijwaren voor de aanspraken van Maersk in de hoofdzaak en die zijn er niet.
6.62.
Logix zal als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de proceskosten. Tot aan dit vonnis worden de proceskosten aan de zijde van Kuminda vastgesteld op € 6.826,00 (2 punten × € 3.413,00) aan salaris advocaat, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf veertien dagen na dagtekening van dit vonnis, tot aan de dag der algehele voldoening.
6.63.
Uit de uitspraak van 10 juni 2022 van de Hoge Raad (ECLI:NL:HR:2022:853), onder nummer 2.3, leidt de rechtbank af dat in dit vonnis geen aparte beslissingen hoeven te worden genomen over nakosten en wettelijke rente daarover.
in de vrijwaringszaak van Kuminda tegen Logix
6.64.
Ter onderbouwing van haar stelling dat de door Maersk gestelde schade geheel aan Logix dient te worden toegerekend en dat Logix daarom moet instaan voor de negatieve gevolgen van haar handelen en Kuminda moet vrijwaren voert Kuminda aan dat:
Logix verantwoordelijkheid draagt voor het opmaken van de exportdocumenten waarbij Kuminda B ten onrechte als exporteur is aangemerkt,
Logix als exploitant, in de zin van de Verordening (EG) nr. 1069/2009 van het Europees Parlement en de Raad van 21 oktober 2009 tot vaststelling van gezondheidsvoorschriften inzake niet voor menselijke consumptie bestemde dierlijke bijproducten en afgeleide producten en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 1774/2002 (“verordening dierlijke bijproducten”), kwalificeert,
Logix haar verantwoordelijkheid voor de mislukte invoer en alle verdere consequenties daarvan expliciet heeft erkend,
de verantwoordelijkheid van Logix bovendien volgt uit de contractuele overeenkomst die zij heeft gesloten met Maersk.
6.65.
Logix brengt daar tegenin dat Kuminda als de feitelijk verantwoordelijke partij de schade van Maersk in de verhouding tot Logix volledig dient te dragen. Kuminda heeft immers een onrechtmatige daad gepleegd door in strijd met artikel 43 van de verordening dierlijke bijproducten de lading voor export naar China te verkopen aan SKIP, waarvan de in de hoofdzaak door Maersk gevorderde schade het gevolg is. Ook Kuminda BRE en Kuminda Holding zijn daarvoor aansprakelijk.
6.66.
De rechtbank overweegt als volgt.
Zoals onder (6.14 en 6.15) geoordeeld is Kuminda B aan te merken als exporteur en exploitant.
Logix heeft in dit verband het volgende aangevoerd. De aangiften ten uitvoer voor de verschepingen glycerine Cat. 1 65% (die SKIP van Kuminda B had gekocht en waarvoor Kuminda B verkoopfacturen zonder BTW aan SKIP heeft gestuurd) zijn in naam van Kuminda B als exporteur bij de douane ingediend. Dit is de gangbare werkwijze sinds de eerste verscheping glycerine Cat. 1 65% (in 2013) vanaf het fabrieksterrein van Kuminda B naar China,. Logix en Kuminda B hebben daar in 2013, bij aanvang van de logistieke dienstverlening door Logix ter zake van de glycerine-goederenstroom vanuit Kuminda B, uitdrukkelijk overleg over gevoerd. Zij hebben de afspraak over de hoedanigheid van Kuminda B als exporteur van de door haar voor export naar China uitgevoerde glycerine stroom, vastgelegd in de douane expeditie-overeenkomst van 12 augustus 2013 (deels geciteerd onder 4.8). In het kader van de meerdere in vervolg op die eerste verscheping door Logix als expediteur ten behoeve van de kopers/afnemers van Kuminda B verzorgde export-transporten, heeft Kuminda B telkens de benodigde exportdocumentatie aan Logix aangereikt voor het (laten) doen van de aangifte ten uitvoer en heeft Logix de aangiften ten uitvoer, overeenkomstig de voor onbepaalde tijd verstrekte machtiging van Kuminda B, in naam van Kuminda B als exporteur laten indienen.
Kuminda B heeft hier slechts tegenin gebracht dat de douane expeditie-overeenkomst niet was ondertekend door Logix. Dit is echter onvoldoende. Dat de exportaangifte door DTS namens Kuminda B is ingediend op basis van directe vertegenwoordiging en niet Logix maar Kuminda B de verantwoordelijkheid draagt voor het opmaken van de exportdocumenten, blijkt ook uit het uitvoergeleide document. Op dat document wordt de lading omschreven als “glycerol/glycerine Cat. 1 65%” en wordt in vak 2 Kuminda B als afzender/exporteur genoemd. In vak 14, onder “aangever/vertegenwoordiger”, wordt ook verwezen naar vak 2, inhoudende dat de aangifte voor rekening van Kuminda B is gedaan.
Inmiddels staat vast dat Kuminda verkeerde informatie heeft verschaft aan Logix, althans aan DTS, met alle gevolgen van dien.
Beoordeling
Daarnaast heeft Kuminda geen documenten opgemaakt die het terug invoeren van de lading in Nederland mogelijk zou hebben gemaakt bij eventuele weigering van de lading in China. Deze gedragingen leveren jegens Maersk als vervoerder van de lading een onrechtmatige daad ex artikel 6:162 BW op.
6.13.
Kuminda betwist dat zij is aan te merken als exporteur of exploitant en betwist dat zij een onrechtmatige daad heeft gepleegd.
6.14.
De rechtbank overweegt als volgt.
Kuminda B is aan te merken als exporteur in de zin van artikel 788 lid 1 Verordening (EEG) Nr. 2454/93 van de Commissie van 2 juli 1993 houdende vaststelling van enkele bepalingen ter uitvoering van Verordening (EEG) nr. 2913/92 van de Raad tot vaststelling van het communautair douanewetboek (Uitvoeringverordening Douanewetboek). Dit artikellid bepaalt immers, dat als exporteur in de zin van artikel 161 lid 5 van het douanewetboek wordt aangemerkt de persoon voor wiens rekening de aangifte ten uitvoer wordt gedaan en die op het tijdstip van aanvaarding van deze aangifte eigenaar is van de betrokken goederen (of die dienaangaande gelijkaardig beschikkingsrecht heeft). Tussen partijen is niet in geschil dat Kuminda B de lading heeft verkocht aan SKIP waardoor het eigendom berust bij een buiten de Gemeenschap gevestigde partij waardoor Kuminda B als de in de Gemeenschap gevestigde partij wettelijk gezien als exporteur wordt beschouwd. Uit de e-mail van Kuminda B (Zuurbier) van 4 januari 2018 (productie 4 cva) volgt dat Kuminda B een CMR en het handelsdocument heeft opgemaakt. DTS heeft de aangifte ten uitvoer voor Kuminda gedaan. Daarmee staat voldoende vast dat Kuminda B feitelijk als exporteur is opgetreden.
6.15.
Kuminda B is ook aan te merken als exploitant in de zin van artikel 3 lid 11 Verordening (EG) nr. 1774/2002 (hierna: verordening dierlijke bijproducten). Dit artikellid bepaalt immers, dat als exploitant wordt aangemerkt de natuurlijke of rechtspersonen die de feitelijke controle hebben over een dierlijk bijproduct of een afgeleid product, waaronder vervoerders, handelaren en gebruikers. Kuminda B is handelaar (verkoper) die de feitelijke controle had over de glycerine. Zij heeft de in haar productieproces vrijgekomen glycerine voor export naar China aan de in Singapore gevestigde SKIP verkocht en geleverd. Dat Kuminda B - zoals zij aanvoert - de glycerine Ex Works heeft geleverd en (slechts) tot die tijd de feitelijke controle had over de glycerine, doet daar niet aan af.
6.16.
Partijen zijn het erover eens dat de betreffende glycerine, die Kuminda B heeft gedestilleerd bij de productie van biodiesel, categorie 1-materiaal betreft in de zin van artikel 8 van de verordening dierlijke bijproducten. Partijen zijn het er ook over eens dat de glycerine bestemd was om er glycol van te maken. Artikel 43 lid 1 van de verordening dierlijke bijproducten bepaalt dat de uitvoer van dierlijke bijproducten en afgeleide producten die bestemd is om te worden verbrand of gestort, verboden is.
Artikel 43 lid 2 bepaalt dat de uitvoer van dierlijke bijproducten en afgeleide producten naar derde landen die geen lid zijn van de OESO voor gebruik in een biogas- of composteerinstallatie, verboden is.
Artikel 43 lid 3 luidt dat categorie 1-materiaal, categorie 2-materiaal en daarvan afgeleide producten slechts voor andere doeleinden dan de in de leden 1 en 2 genoemde doeleinden mogen worden uitgevoerd, mits voorschriften voor de uitvoer daarvan zijn vastgesteld.
6.17.
Categorie-1 materiaal en daarvan afgeleide producten mogen op grond van artikel 43 lid 3 dus slechts voor andere doeleinden, dan te worden verbrand, gestort of te gebruiken in een biogas- of composteerinstallatie, worden uitgevoerd als er voorschriften voor de uitvoer daarvan zijn vastgesteld. De verordening (EU) Nr. 142/2011 van de commissie van 25 februari 2011 tot uitvoering van Verordening (EG) nr. 1069/2009 van het Europees Parlement en de Raad tot vaststelling van gezondheidsvoorschriften inzake niet voor menselijke consumptie bestemde dierlijke bijproducten en afgeleide producten en tot uitvoering van Richtlijn 97/78/EG van de Raad wat betreft bepaalde monsters en producten die vrijgesteld zijn van veterinaire controles aan de grens krachtens die richtlijn, is de bij de verordening dierlijke bijproducten behorende uitvoeringsverordening (hierna: de uitvoeringsverordening). In deze uitvoeringsverordening staat in artikel 26 opgesomd aan welke eisen moet worden voldaan, wil de bevoegde autoriteit toestemming verlenen om bepaald categorie 1-materiaal in de handel te brengen en uit te voeren. Tussen partijen staat vast dat de glycerine is uitgevoerd met de bedoeling om er glycol van te maken. Er zijn echter geen voorschriften voor de uitvoer daarvan vastgesteld. De lading had dus niet mogen worden uitgevoerd.
6.18.
Kuminda B heeft desondanks de lading verkocht met eindbestemming China met, zoals Kuminda op de zitting heeft verklaard, een verkeerde goederencode, terwijl Kuminda B wist dan wel behoorde te weten dat dit niet mocht. Zij heeft daarbij geen rekening gehouden met het gevaar/risico dat de lading in China zou kunnen worden geweigerd en weer moest worden terug ingevoerd in Nederland, waarbij de aankomst van deze containers moest worden gemeld bij de NVWA en iedere container bij terugkeer in de Europese Unie moest zijn voorzien van een GDB. Vast staat immers dat de lading, die met de originele zegels intact is aangekomen, residuen bevatte van dierlijke oorsprong. Kuminda B was daarom als exploitant op grond van artikel 21 lid 2 verordening dierlijke bijproducten gehouden om voor een handelsdocument en later de GDB’s te zorgen. Kuminda B heeft dat nagelaten, waardoor de lading niet kon worden terug ingevoerd in Nederland.
6.19.
Door de glycerine in strijd met de verordening dierlijke bijproducten uit te voeren naar China en niet te voorzien van een GDB in geval van terug invoer in Nederland, heeft Kuminda B onzorgvuldig en daarmee onrechtmatig gehandeld. Zij heeft niet de zorgvuldigheid in acht genomen die van haar als verkoper, exploitant en exporteur in het maatschappelijk verkeer mocht worden verwacht. Kuminda B, als grote marktpartij in de handel in glycerine, had op de hoogte moeten zijn van de geldende regelgeving. Dat zij zich daarin niet heeft verdiept, zoals zij aanvoert, komt voor haar risico. Dat de uitvoering van glycerine naar China kennelijk jarenlang goed is gegaan met de door Kuminda B aan DTS (als uitvoerder van de douaneactiviteiten) verschafte onjuiste informatie, maakt dit niet anders.
6.20.
Er is sprake van causaal verband tussen dit onrechtmatig handelen van Kuminda B en de schade. Immers heeft Kuminda B de lading verkocht aan SKIP met bestemming China, heeft de gefailleerde Fujian de lading niet afgehaald in China en zijn de containers op de kade in China blijven staan. Vervolgens hebben de Chinese douaneautoriteiten de lading als “industrial waste” bestempeld en bevolen dat de lading moest worden geretourneerd. De lading kon echter niet worden (terug) ingevoerd in Nederland, omdat deze niet was voorzien van een GDB. Als Kuminda B de lading niet had verkocht aan SKIP met eindbestemming China en laten uitvoeren naar China onder een onjuiste goederencode en zonder GDB's
, dan had Maersk geen schade geleden.Aldus is het voor de vestiging van aansprakelijkheid vereiste condicio sine qua non-verband tussen het onrechtmatig handelen van Kuminda B en de geleden schade gegeven.
Ook is voldaan aan het relativiteitsvereiste. Anders dan Kuminda B aanvoert had zij wel anders moeten handelen dan zij heeft gedaan. Zij had de glycerine immers moeten voorzien van een juiste goederencode.
Conclusie
De hoofdvordering valt niet onder het toepassingsbereik van het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten (hierna: het Besluit). De rechtbank toetst daarom de gevorderde vergoeding aan de oriëntatiepunten voor de beoordeling van dergelijke vorderingen uit het Rapport BGK-integraal, maar met toepassing van de wettelijke tarieven die geacht worden redelijk te zijn.
Ter onderbouwing van het gevorderde bedrag van € 50.000,00 voert Maersk aan dat zij in het kader van een buitengerechtelijke afdoening van dit geschil al vanaf een vroeg stadium is bijgestaan door haar advocaat, dat er diverse inhoudelijke brieven zijn gestuurd en er over de jaren substantieel overleg is gevoerd met Logix en Kuminda over dit geschil. Maersk laat echter na om het bedrag concreet te onderbouwen. Mede gelet op de betwisting van Kuminda is dit dan ook niet voldoende voor toewijzing van het genoemde bedrag. Wel is vast komen te staan dat enige correspondentie en overleg heeft plaatsgevonden, zodat de rechtbank de vordering vaststelt op het in het Besluit bepaalde tarief van € 4.002,00 bij voornoemde bedragen in hoofdsom. De rechtbank wijst daarom € 4.002,00 toe.
rente
6.56.
Omdat tussen Maersk en Kuminda geen sprake is van een handelsovereenkomst, wijst de rechtbank niet de gevorderde wettelijke handelsrente, maar de wettelijke rente toe. Gelet op de gedeeltelijke afwijzing van de vordering, wordt de rente toegewezen vanaf 12 augustus 2020, zijnde de dag van de dagvaarding.
proceskosten
6.57.
Maersk zal als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de proceskosten van Logix. Deze kosten worden vastgesteld op € 4.131,00 aan griffierecht en € 8.532,50 (2,50 punten × € 3.413,00) aan salaris advocaat. Totaal € 12.663,50.
6.58.
Kuminda zal als de grotendeels in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de proceskosten van Maersk. Deze kosten worden vastgesteld op:
- € 100,89 aan kosten van de dagvaarding
- € 4.131,00 aan griffierecht
- € 8.532,50 (2,50 punten × € 3.413,00) aan salaris advocaat.
Totaal € 12.764,39.
6.59.
Uit de uitspraak van 10 juni 2022 van de Hoge Raad (ECLI:NL:HR:2022:853), onder nummer 2.3, leidt de rechtbank af dat in dit vonnis geen aparte beslissingen hoeven te worden genomen over nakosten en wettelijke rente daarover.
uitvoerbaarheid bij voorraad
6.60.
Kuminda verzoekt de rechtbank om de veroordeling niet uitvoerbaar bij voorraad te verklaren. Omdat Kuminda dit verzoek niet onderbouwt, wordt het afgewezen.
in de vrijwaringszaak van Logix tegen Kuminda
6.61.
In de hoofdzaak is de vordering van Maersk tegen Logix afgewezen (6.11). Daarmee wordt ook de vordering van Logix tegen Kuminda afgewezen. Logix vordert immers Kuminda te veroordelen om Logix te vrijwaren voor de aanspraken van Maersk in de hoofdzaak en die zijn er niet.
6.62.
Logix zal als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de proceskosten. Tot aan dit vonnis worden de proceskosten aan de zijde van Kuminda vastgesteld op € 6.826,00 (2 punten × € 3.413,00) aan salaris advocaat, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf veertien dagen na dagtekening van dit vonnis, tot aan de dag der algehele voldoening.
6.63.
Uit de uitspraak van 10 juni 2022 van de Hoge Raad (ECLI:NL:HR:2022:853), onder nummer 2.3, leidt de rechtbank af dat in dit vonnis geen aparte beslissingen hoeven te worden genomen over nakosten en wettelijke rente daarover.
in de vrijwaringszaak van Kuminda tegen Logix
6.64.
Ter onderbouwing van haar stelling dat de door Maersk gestelde schade geheel aan Logix dient te worden toegerekend en dat Logix daarom moet instaan voor de negatieve gevolgen van haar handelen en Kuminda moet vrijwaren voert Kuminda aan dat:
Logix verantwoordelijkheid draagt voor het opmaken van de exportdocumenten waarbij Kuminda B ten onrechte als exporteur is aangemerkt,
Logix als exploitant, in de zin van de Verordening (EG) nr. 1069/2009 van het Europees Parlement en de Raad van 21 oktober 2009 tot vaststelling van gezondheidsvoorschriften inzake niet voor menselijke consumptie bestemde dierlijke bijproducten en afgeleide producten en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 1774/2002 (“verordening dierlijke bijproducten”), kwalificeert,
Logix haar verantwoordelijkheid voor de mislukte invoer en alle verdere consequenties daarvan expliciet heeft erkend,
de verantwoordelijkheid van Logix bovendien volgt uit de contractuele overeenkomst die zij heeft gesloten met Maersk.
6.65.
Logix brengt daar tegenin dat Kuminda als de feitelijk verantwoordelijke partij de schade van Maersk in de verhouding tot Logix volledig dient te dragen. Kuminda heeft immers een onrechtmatige daad gepleegd door in strijd met artikel 43 van de verordening dierlijke bijproducten de lading voor export naar China te verkopen aan SKIP, waarvan de in de hoofdzaak door Maersk gevorderde schade het gevolg is. Ook Kuminda BRE en Kuminda Holding zijn daarvoor aansprakelijk.
6.66.
De rechtbank overweegt als volgt.
Zoals onder (6.14 en 6.15) geoordeeld is Kuminda B aan te merken als exporteur en exploitant.
Logix heeft in dit verband het volgende aangevoerd. De aangiften ten uitvoer voor de verschepingen glycerine Cat. 1 65% (die SKIP van Kuminda B had gekocht en waarvoor Kuminda B verkoopfacturen zonder BTW aan SKIP heeft gestuurd) zijn in naam van Kuminda B als exporteur bij de douane ingediend. Dit is de gangbare werkwijze sinds de eerste verscheping glycerine Cat. 1 65% (in 2013) vanaf het fabrieksterrein van Kuminda B naar China,. Logix en Kuminda B hebben daar in 2013, bij aanvang van de logistieke dienstverlening door Logix ter zake van de glycerine-goederenstroom vanuit Kuminda B, uitdrukkelijk overleg over gevoerd. Zij hebben de afspraak over de hoedanigheid van Kuminda B als exporteur van de door haar voor export naar China uitgevoerde glycerine stroom, vastgelegd in de douane expeditie-overeenkomst van 12 augustus 2013 (deels geciteerd onder 4.8). In het kader van de meerdere in vervolg op die eerste verscheping door Logix als expediteur ten behoeve van de kopers/afnemers van Kuminda B verzorgde export-transporten, heeft Kuminda B telkens de benodigde exportdocumentatie aan Logix aangereikt voor het (laten) doen van de aangifte ten uitvoer en heeft Logix de aangiften ten uitvoer, overeenkomstig de voor onbepaalde tijd verstrekte machtiging van Kuminda B, in naam van Kuminda B als exporteur laten indienen.
Kuminda B heeft hier slechts tegenin gebracht dat de douane expeditie-overeenkomst niet was ondertekend door Logix. Dit is echter onvoldoende. Dat de exportaangifte door DTS namens Kuminda B is ingediend op basis van directe vertegenwoordiging en niet Logix maar Kuminda B de verantwoordelijkheid draagt voor het opmaken van de exportdocumenten, blijkt ook uit het uitvoergeleide document. Op dat document wordt de lading omschreven als “glycerol/glycerine Cat. 1 65%” en wordt in vak 2 Kuminda B als afzender/exporteur genoemd. In vak 14, onder “aangever/vertegenwoordiger”, wordt ook verwezen naar vak 2, inhoudende dat de aangifte voor rekening van Kuminda B is gedaan.
Inmiddels staat vast dat Kuminda verkeerde informatie heeft verschaft aan Logix, althans aan DTS, met alle gevolgen van dien.
Beoordeling
bestuurdersaansprakelijkheid
6.21.
Kuminda BRE is bestuurder en enig aandeelhouder van Kuminda B.
Kuminda Holding was ten tijde van het ontstaan van de aansprakelijkheid bestuurder van Kuminda SH B.V., die op haar beurt weer bestuurder was van Kuminda BRE. Kuminda Holding is derhalve indirect bestuurder van Kuminda B.
6.22.
Maersk stelt dat Kuminda BRE en Kuminda Holding als bestuurder aansprakelijk zijn voor de onrechtmatige daad van Kuminda B (schade vanwege de onrechtmatige uitvoer) en voor de schade die is ontstaan als gevolg van het vermoedelijk leegtrekken van de Kuminda-vennootschappen door Kuminda BRE en Kuminda Holding, waardoor Maersk wordt gefrustreerd in haar verhaalsmogelijkheden. Ter onderbouwing van haar stelling dat Kuminda BRE en Kuminda Holding een persoonlijk ernstig verwijt kunnen worden gemaakt van de onrechtmatige uitvoer, voert Maersk aan dat Kuminda BRE zich als bestuurder en enig aandeelhouder intensief met het beleid en de bedrijfsvoering van Kuminda B heeft bemoeid, dat Kuminda BRE verantwoordelijk was voor de algemene gang van zaken bij Kuminda B en zij volledige zeggenschap had over Kuminda B en dat Kuminda BRE heeft bewerkstelligd, althans heeft toegelaten dat Kuminda B in strijd met Europese regelgeving handelde. Voor Kuminda Holding geldt volgens Maersk hetzelfde op grond van artikel 2:11 BW.
6.23.
Volgens Kuminda volgt uit deze onderbouwing van Maersk niet dat Kuminda BRE en Kuminda Holding een persoonlijk ernstig verwijt kunnen worden gemaakt.
6.24.
Volgens vaste rechtspraak kan de bestuurder van een vennootschap aansprakelijk zijn jegens benadeelde schuldeisers van die vennootschap als de bestuurder van deze benadeling persoonlijk een ernstig verwijt kan worden gemaakt. Van een persoonlijk ernstig verwijt is in beginsel sprake indien:
de bestuurder bij het namens de vennootschap aangaan van verbintenissen wist of redelijkerwijs moest begrijpen dat de vennootschap niet aan haar verplichtingen zou kunnen voldoen en geen verhaal zou bieden voor de daardoor ontstane schade. Met andere woorden, de bestuurder is in beginsel aansprakelijk als hij tegen beter weten in verbintenissen aangaat namens de vennootschap (hierna ook: de eerste situatie);
indien de bestuurder wist of redelijkerwijs moest begrijpen dat de door hem bewerkstelligde of toegelaten handelwijze van de vennootschap tot gevolg zou hebben dat deze haar verplichtingen niet zou nakomen en ook geen verhaal zou bieden voor de als gevolg daarvan optredende schade. Met andere woorden, de bestuurder is in beginsel aansprakelijk als sprake is van, kort gezegd, frustratie van betaling en verhaal (hierna ook: de tweede situatie).
de eerste situatie
6.25.
Met Kuminda is de de rechtbank van oordeel dat Maersk onvoldoende gemotiveerd heeft gesteld dat Kuminda BRE of Kuminda Holding tegen beter weten in verbintenissen is aangegaan namens Kuminda B. Kuminda heeft uitdrukkelijk betwist dat Kuminda B niet in staat was en/of is om de schade te vergoeden. Zij heeft aangevoerd dat Kuminda B over voldoende middelen beschikt(e) om – indien zij aansprakelijk is – eventuele schade te vergoeden. De schade is niet vergoed, omdat Kuminda van oordeel was daartoe niet gehouden te zijn. Er is dus geen sprake van de situatie dat Kuminda B haar verplichtingen niet zou kunnen nakomen en ook geen verhaal zou bieden voor daaruit voortvloeiende schade, aldus Kuminda. Gelet op dat verweer had het op de weg van Maersk gelegen om de verwijten die zij Kuminda maakt nader te onderbouwen. Maersk heeft dat niet gedaan. Haar enkele stelling dat zij het risico loopt dat Kuminda B geen verhaal biedt is in dat kader niet voldoende.
de tweede situatie
6.26.
Maersk heeft verder aangevoerd dat zij als schuldeiser van Kuminda B is gefrustreerd in haar verhaalsmogelijkheden.
6.27.
Met het voorgaande heeft Maersk onvoldoende onderbouwd gesteld dat sprake is van frustratie van betaling en verhaal. Dat Kuminda zich op het standpunt stelde dat zij niet gehouden was de schade te vergoeden betekent niet dat haar een persoonlijk ernstig verwijt kan worden gemaakt. Ook in zoverre heeft te gelden dat, gelet op de betwisting daarvan door Kuminda, niet vast is komen te staan dat Kuminda B onvoldoende middelen zou hebben om Maersk te voldoen. Of Kuminda B, Kuminda BRE en Kuminda Holding nog activa bezitten of werkzaamheden verrichten is tussen partijen in geschil. Wat daar ook van zij: dat enkele feit is – gelet op de hoge drempel – in de gegeven omstandigheden niet voldoende om bestuurdersaansprakelijkheid aan te kunnen nemen.
aandeelhoudersaansprakelijkheid
6.28.
Op grond van vaste rechtspraak kan aansprakelijkheid van een aandeelhouder van een vennootschap worden aangenomen, als:
sprake is van een hechte concernstructuur en een intensieve bemoeienis van de aandeelhouder;
op grond waarvan de aandeelhouder een zorgplicht heeft tegenover de schuldeisers van de vennootschap;
de aandeelhouder wist of behoorde te weten dat de vennootschap haar verplichtingen jegens de schuldeisers niet kon nakomen;
e aandeelhouder haar zorgplicht niet (in voldoende mate) is nagekomen.
6.29.
Maersk heeft aangevoerd dat Kuminda BRE wist of behoorde te begrijpen dat Kuminda B haar verplichtingen jegens Maersk voortvloeiende uit de door haar gepleegde onrechtmatige daad niet zou kunnen nakomen en ook geen verhaal zou bieden voor de daardoor door Maersk geleden en nog te lijden schade.
6.30.
Gelet op de betwisting door Kuminda heeft Maersk haar vordering ook op dit punt onvoldoende onderbouwd. Dat Kuminda BRE en Kuminda Holding zich in hun hoedanigheid van aandeelhouder intensief hebben bemoeid met het beleid van Kuminda B en uit dien hoofde hun zorgplicht jegens Maersk hebben geschonden, is onvoldoende door Maersk toegelicht. Daarbij neemt de rechtbank in aanmerking dat ook in dit kader niet vast is komen te staan dat Kuminda haar verplichting tot schadevergoeding jegens Maersk niet kan nakomen en Maersk schade lijdt door het onverhaalbaar blijven van haar vorderingen.
leegtrekken van de vennootschappen/paulianeus handelen
6.31.
Maersk Maersk grondt haar stelling, dat de Kuminda vennootschappen zijn leeggetrokken en Kuminda een lege huls is geworden waarin geen activiteiten meer worden uitgeoefend, op een vermoeden dat de activiteiten c.q. activa zijn overgedragen en/of een uitkering van dividend heeft plaatsgevonden, waarbij geen voorziening of reservering is getroffen voor de vordering van Maersk. MaerskMaersk denkt dat de overdracht alleen heeft plaatsgevonden ter benadeling van haar.
6.32.
Kuminda heeft daar tegenin gebracht dat Kuminda B haar activa en passiva heeft verkocht, maar daar een koopprijs tegenover stond waarvoor zij een vordering heeft op Kuminda Holding. Zowel Kuminda als Kuminda BRE hadden na deze transactie tientallen miljoenen aan activa op de balans staan per 31 december 2018 en het vermogen van Kuminda B bedroeg op het moment van de conclusie van antwoord méér dan € 10 miljoen. Volgens Kuminda zijn Kuminda B en Kuminda Holding in staat om de vordering van MaerskMaersk te voldoen, mocht er sprake zijn van een schadevergoedingsplicht.
6.33.
De rechtbank overweegt als volgt.
Kuminda heeft gemotiveerd en onderbouwd aangevoerd dat de vennootschappen niet zijn leegetrokken.
Beoordeling
bestuurdersaansprakelijkheid
6.21.
Kuminda BRE is bestuurder en enig aandeelhouder van Kuminda B.
Kuminda Holding was ten tijde van het ontstaan van de aansprakelijkheid bestuurder van Kuminda SH B.V., die op haar beurt weer bestuurder was van Kuminda BRE. Kuminda Holding is derhalve indirect bestuurder van Kuminda B.
6.22.
Maersk stelt dat Kuminda BRE en Kuminda Holding als bestuurder aansprakelijk zijn voor de onrechtmatige daad van Kuminda B (schade vanwege de onrechtmatige uitvoer) en voor de schade die is ontstaan als gevolg van het vermoedelijk leegtrekken van de Kuminda-vennootschappen door Kuminda BRE en Kuminda Holding, waardoor Maersk wordt gefrustreerd in haar verhaalsmogelijkheden. Ter onderbouwing van haar stelling dat Kuminda BRE en Kuminda Holding een persoonlijk ernstig verwijt kunnen worden gemaakt van de onrechtmatige uitvoer, voert Maersk aan dat Kuminda BRE zich als bestuurder en enig aandeelhouder intensief met het beleid en de bedrijfsvoering van Kuminda B heeft bemoeid, dat Kuminda BRE verantwoordelijk was voor de algemene gang van zaken bij Kuminda B en zij volledige zeggenschap had over Kuminda B en dat Kuminda BRE heeft bewerkstelligd, althans heeft toegelaten dat Kuminda B in strijd met Europese regelgeving handelde. Voor Kuminda Holding geldt volgens Maersk hetzelfde op grond van artikel 2:11 BW.
6.23.
Volgens Kuminda volgt uit deze onderbouwing van Maersk niet dat Kuminda BRE en Kuminda Holding een persoonlijk ernstig verwijt kunnen worden gemaakt.
6.24.
Volgens vaste rechtspraak kan de bestuurder van een vennootschap aansprakelijk zijn jegens benadeelde schuldeisers van die vennootschap als de bestuurder van deze benadeling persoonlijk een ernstig verwijt kan worden gemaakt. Van een persoonlijk ernstig verwijt is in beginsel sprake indien:
de bestuurder bij het namens de vennootschap aangaan van verbintenissen wist of redelijkerwijs moest begrijpen dat de vennootschap niet aan haar verplichtingen zou kunnen voldoen en geen verhaal zou bieden voor de daardoor ontstane schade. Met andere woorden, de bestuurder is in beginsel aansprakelijk als hij tegen beter weten in verbintenissen aangaat namens de vennootschap (hierna ook: de eerste situatie);
indien de bestuurder wist of redelijkerwijs moest begrijpen dat de door hem bewerkstelligde of toegelaten handelwijze van de vennootschap tot gevolg zou hebben dat deze haar verplichtingen niet zou nakomen en ook geen verhaal zou bieden voor de als gevolg daarvan optredende schade. Met andere woorden, de bestuurder is in beginsel aansprakelijk als sprake is van, kort gezegd, frustratie van betaling en verhaal (hierna ook: de tweede situatie).
de eerste situatie
6.25.
Met Kuminda is de de rechtbank van oordeel dat Maersk onvoldoende gemotiveerd heeft gesteld dat Kuminda BRE of Kuminda Holding tegen beter weten in verbintenissen is aangegaan namens Kuminda B. Kuminda heeft uitdrukkelijk betwist dat Kuminda B niet in staat was en/of is om de schade te vergoeden. Zij heeft aangevoerd dat Kuminda B over voldoende middelen beschikt(e) om – indien zij aansprakelijk is – eventuele schade te vergoeden. De schade is niet vergoed, omdat Kuminda van oordeel was daartoe niet gehouden te zijn. Er is dus geen sprake van de situatie dat Kuminda B haar verplichtingen niet zou kunnen nakomen en ook geen verhaal zou bieden voor daaruit voortvloeiende schade, aldus Kuminda. Gelet op dat verweer had het op de weg van Maersk gelegen om de verwijten die zij Kuminda maakt nader te onderbouwen. Maersk heeft dat niet gedaan. Haar enkele stelling dat zij het risico loopt dat Kuminda B geen verhaal biedt is in dat kader niet voldoende.
de tweede situatie
6.26.
Maersk heeft verder aangevoerd dat zij als schuldeiser van Kuminda B is gefrustreerd in haar verhaalsmogelijkheden.
6.27.
Met het voorgaande heeft Maersk onvoldoende onderbouwd gesteld dat sprake is van frustratie van betaling en verhaal. Dat Kuminda zich op het standpunt stelde dat zij niet gehouden was de schade te vergoeden betekent niet dat haar een persoonlijk ernstig verwijt kan worden gemaakt. Ook in zoverre heeft te gelden dat, gelet op de betwisting daarvan door Kuminda, niet vast is komen te staan dat Kuminda B onvoldoende middelen zou hebben om Maersk te voldoen. Of Kuminda B, Kuminda BRE en Kuminda Holding nog activa bezitten of werkzaamheden verrichten is tussen partijen in geschil. Wat daar ook van zij: dat enkele feit is – gelet op de hoge drempel – in de gegeven omstandigheden niet voldoende om bestuurdersaansprakelijkheid aan te kunnen nemen.
aandeelhoudersaansprakelijkheid
6.28.
Op grond van vaste rechtspraak kan aansprakelijkheid van een aandeelhouder van een vennootschap worden aangenomen, als:
sprake is van een hechte concernstructuur en een intensieve bemoeienis van de aandeelhouder;
op grond waarvan de aandeelhouder een zorgplicht heeft tegenover de schuldeisers van de vennootschap;
de aandeelhouder wist of behoorde te weten dat de vennootschap haar verplichtingen jegens de schuldeisers niet kon nakomen;
e aandeelhouder haar zorgplicht niet (in voldoende mate) is nagekomen.
6.29.
Maersk heeft aangevoerd dat Kuminda BRE wist of behoorde te begrijpen dat Kuminda B haar verplichtingen jegens Maersk voortvloeiende uit de door haar gepleegde onrechtmatige daad niet zou kunnen nakomen en ook geen verhaal zou bieden voor de daardoor door Maersk geleden en nog te lijden schade.
6.30.
Gelet op de betwisting door Kuminda heeft Maersk haar vordering ook op dit punt onvoldoende onderbouwd. Dat Kuminda BRE en Kuminda Holding zich in hun hoedanigheid van aandeelhouder intensief hebben bemoeid met het beleid van Kuminda B en uit dien hoofde hun zorgplicht jegens Maersk hebben geschonden, is onvoldoende door Maersk toegelicht. Daarbij neemt de rechtbank in aanmerking dat ook in dit kader niet vast is komen te staan dat Kuminda haar verplichting tot schadevergoeding jegens Maersk niet kan nakomen en Maersk schade lijdt door het onverhaalbaar blijven van haar vorderingen.
leegtrekken van de vennootschappen/paulianeus handelen
6.31.
Maersk Maersk grondt haar stelling, dat de Kuminda vennootschappen zijn leeggetrokken en Kuminda een lege huls is geworden waarin geen activiteiten meer worden uitgeoefend, op een vermoeden dat de activiteiten c.q. activa zijn overgedragen en/of een uitkering van dividend heeft plaatsgevonden, waarbij geen voorziening of reservering is getroffen voor de vordering van Maersk. MaerskMaersk denkt dat de overdracht alleen heeft plaatsgevonden ter benadeling van haar.
6.32.
Kuminda heeft daar tegenin gebracht dat Kuminda B haar activa en passiva heeft verkocht, maar daar een koopprijs tegenover stond waarvoor zij een vordering heeft op Kuminda Holding. Zowel Kuminda als Kuminda BRE hadden na deze transactie tientallen miljoenen aan activa op de balans staan per 31 december 2018 en het vermogen van Kuminda B bedroeg op het moment van de conclusie van antwoord méér dan € 10 miljoen. Volgens Kuminda zijn Kuminda B en Kuminda Holding in staat om de vordering van MaerskMaersk te voldoen, mocht er sprake zijn van een schadevergoedingsplicht.
6.33.
De rechtbank overweegt als volgt.
Kuminda heeft gemotiveerd en onderbouwd aangevoerd dat de vennootschappen niet zijn leegetrokken.
Beoordeling
Waarschijnlijk is aan de kant van MaerskMaersk sprake van een misverstand door de op de zitting besproken brief van (de raadsman van) Kuminda van 24 december 2018 (productie 29 van Maersk), waarin werd bevestigd dat Kuminda op dat moment nagenoeg geen activa meer bezat en geen werkzaamheden meer verrichtte. Hoe dan ook, Maerskheeft na het verweer van Kuminda geen stellingen meer ingenomen die, wanneer ze zouden komen vast te staan, erop wijzen dat de vennootschappen zijn leeggetrokken. Tegen deze achtergrond heeft MaerskMaersk ten aanzien van de benadeling niet voldaan aan haar stelplicht. De vordering om voor recht te verklaren dat alle onverplichte rechtshandelingen gesloten door en/of van en/of met en/of tussen Kuminda B, Kuminda BRE en Kuminda Holding die ten grondslag lagen aan enige benadeling van Maersk per brief van 15 augustus 2019 buitengerechtelijk zijn vernietigd, wordt afgewezen.
schade
6.34.
Maersk stelt de volgende schade te hebben geleden:
demurrage kosten
kosten voor het terug vervoeren van de lading naar Nederland
vernietigingskosten
expertisekosten.
Deze schadeposten komen hierna achtereenvolgens aan de orde.
demurrage
6.35.
Ter onderbouwing van deze schade stelt Maersk het volgende. Maersk heeft als vervoerder en houder van de lading schade geleden doordat de 20 containers in de periode van 30 november 2015 tot en met 6 maart 2017 niet zijn afgehaald in de loshaven in China. De demurrage over die periode bedraagt USD 200.000,00. Ook heeft Maersk schade geleden doordat de 20 containers, althans een deel daarvan, vanaf 15 april 2017 tot en met 31 december 2019 op de kade in de Rotterdamse haven hebben gestaan. De demurrage over die periode bedraagt € 505.129,00.
6.36.
Kuminda betwist de schade en voert aan dat Maersk deze onvoldoende heeft onderbouwd.
6.37.
De rechtbank overweegt als volgt.
Kuminda betwist niet dat de containers in de betreffende periode op de terminal hebben gestaan en dat Maersk door de terminal is belast voor de kosten op basis van de Rate Agreement. Vast staat dat Maersk bedragen aan de betreffende terminals heeft betaald op door Maersk genoemde “groupage invoices” en dat deze bedragen niet zijn te herleiden naar specifieke containers. De door Maersk gemaakte kosten is schade in de zin van artikel 6:95 BW.
6.38.
Bij e-mail van 6 december 2018 heeft een medewerker van het claimsdepartment van Maersk de kosten in China geschat op USD 200.000,00. Het betreft volgens de betreffende medewerker een “grove schatting”.
Als productie 32 heeft Maersk een overzicht van de “East China – Import Demurrage”
tarieven in het geding gebracht. Weliswaar betreft dit een intern overzicht, zoals Kuminda aanvoert, maar de rechtbank gaat van dit overzicht uit, omdat Kuminda zelf niet met andere tarieven komt en de rechtbank geen reden heeft om te twijfelen aan de tarieven. De wisselkoers van Chinese renminbi (RMB/yuan) naar USD bedroeg in 2016: ¥1 CNY = $0.1521.
De kosten voor een 20 ft dry container bedragen volgens dat overzicht:
“1-7 days Free
8-12 days 70 RMB = USD 10,65
13-20 days 150 RMB = USD 22,82
21 days onwards 300 RMB = USD 45,63”
De containers hebben vanaf 30 november 2015 tot en met 6 maart 2017 (462 dagen) in de loshaven in China gestaan. Het daarmee gemoeide bedrag komt op USD403.369,20.
Het door Maersk gevorderde bedrag aan kosten van USD 200.000,00 is derhalve toewijsbaar.
6.39.
Op de zitting van 9 december 2021 heeft Maersk een “Rate Agreement between Maersk Line and Hamburg Sud & APM Terminals Rotterdam B.V.” overgelegd en een factuur van 26 augustus 2019 van APM Terminals aan Maersk Line A/S c/o Maersk Line Netherlands B.V. Uit deze rate agreement en factuur blijkt dat de opslag van een 20 ft dry container in de Rotterdamse haven bedraagt:
“Day 1-8 = freetime
Day 9-14 = 4,67 euro per day
Day 15-30 = 12,04 euro per day
31> = 27,49 per day”
De containers hebben vanaf omstreeks 15 april 2017 tot op of omstreeks 31 december 2019 (989 dagen) op de kade in de haven van Rotterdam gestaan. Het daarmee gemoeide bedrag komt op:
€ 527.258,20.
Het door Maerks gevorderde bedrag van € 505.129,00 is derhalve toewijsbaar.
terug vervoeren containers naar Nederland
6.40.
Maersk vordert de kosten die zij heeft moeten maken in verband met het terug vervoeren van de lading naar Nederland. Zij heeft deze kosten als volgt onderbouwd:
per container:
- Basic Ocean freight: 1150 USD
- Export Service: 100 Yuan Renminbi
- Terminal Handling Service: 210 EUR
per booking:
- Documentation fee - Destination 30 EUR
- Documentation fee - Origin 450 Yuan Renminbi
in totaal: USD 23.000,00, EUR 4.230,00 en CNY 2.450,00.
6.41.
Kuminda heeft deze kosten op zichzelf niet betwist, zodat ze toewijsbaar zijn.
vernietigingskosten
6.42.
Vast staat dat de lading op instructie van de NVWA moest worden vernietigd, omdat invoer van de lading in Nederland niet mogelijk was. Gremberghen heeft namens Maersk [naam bedrijf] daarvoor ingeschakeld. [naam bedrijf] heeft een bedrag van € 25.866,17 gefactureerd aan Gremberghen, die deze kosten één op één heeft door gefactureerd aan Maersk. De door Ecoson voor de vernietiging in rekening gebrachte kosten bedragen € 133.724,30.
6.43.
Kuminda heeft deze kosten op zichelf niet betwist, zodat ze toewijsbaar zijn.
expertisekosten
6.44.
Ter onderbouwing van deze schade stelt Maersk dat zij kosten heeft gemaakt in verband met het zoveel mogelijk beperken en vaststellen van haar schade. In dat kader heeft zij Gremberghen ingeschakeld, die vanaf augustus 2016 bezig is geweest met onder meer onderhandelen met de NVWA aangaande de invoer dan wel vernietiging van de lading en de mogelijkheden die daaromtrent aan Maersk openstonden. Gremberghen heeft twee facturen gezonden voor haar werkzaamheden. De eerste factuur beslaat de periode van 23 augustus 2016 tot en met 15 februari 2019 en bedroeg € 23.723,72. De tweede factuur beslaat de periode van 18 februari 2019 tot en met 23 januari 2020 en bedroeg € 20.442,85 (productie 22).
6.45.
Kuminda betwist de schade en voert aan dat Maersk deze onvoldoende heeft onderbouwd.
6.46.
De rechtbank overweegt als volgt.
De kosten kwalificeren als redelijke kosten ter vaststelling van schade en aansprakelijkheid en ter beperking van de schade in de zin van artikel 6:96 lid 2 sub a en b BW en komen voor vergoeding als vermogensschade in aanmerking. De kosten zijn het redelijkerwijs te verwachten gevolg van de schadeveroorzakende gedragingen van Kuminda en waren redelijkerwijs noodzakelijk en verantwoord om te maken, omdat er zo snel mogelijk door een expert in kaart moest worden gebracht wat de mogelijkheden waren nu de lading in China was geweigerd. Nu de kosten bovendien in een redelijke verhouding staan tot de omvang van de totale schade, zijn ze toewijsbaar.
6.47.
Beoordeling
Waarschijnlijk is aan de kant van MaerskMaersk sprake van een misverstand door de op de zitting besproken brief van (de raadsman van) Kuminda van 24 december 2018 (productie 29 van Maersk), waarin werd bevestigd dat Kuminda op dat moment nagenoeg geen activa meer bezat en geen werkzaamheden meer verrichtte. Hoe dan ook, Maerskheeft na het verweer van Kuminda geen stellingen meer ingenomen die, wanneer ze zouden komen vast te staan, erop wijzen dat de vennootschappen zijn leeggetrokken. Tegen deze achtergrond heeft MaerskMaersk ten aanzien van de benadeling niet voldaan aan haar stelplicht. De vordering om voor recht te verklaren dat alle onverplichte rechtshandelingen gesloten door en/of van en/of met en/of tussen Kuminda B, Kuminda BRE en Kuminda Holding die ten grondslag lagen aan enige benadeling van Maersk per brief van 15 augustus 2019 buitengerechtelijk zijn vernietigd, wordt afgewezen.
schade
6.34.
Maersk stelt de volgende schade te hebben geleden:
demurrage kosten
kosten voor het terug vervoeren van de lading naar Nederland
vernietigingskosten
expertisekosten.
Deze schadeposten komen hierna achtereenvolgens aan de orde.
demurrage
6.35.
Ter onderbouwing van deze schade stelt Maersk het volgende. Maersk heeft als vervoerder en houder van de lading schade geleden doordat de 20 containers in de periode van 30 november 2015 tot en met 6 maart 2017 niet zijn afgehaald in de loshaven in China. De demurrage over die periode bedraagt USD 200.000,00. Ook heeft Maersk schade geleden doordat de 20 containers, althans een deel daarvan, vanaf 15 april 2017 tot en met 31 december 2019 op de kade in de Rotterdamse haven hebben gestaan. De demurrage over die periode bedraagt € 505.129,00.
6.36.
Kuminda betwist de schade en voert aan dat Maersk deze onvoldoende heeft onderbouwd.
6.37.
De rechtbank overweegt als volgt.
Kuminda betwist niet dat de containers in de betreffende periode op de terminal hebben gestaan en dat Maersk door de terminal is belast voor de kosten op basis van de Rate Agreement. Vast staat dat Maersk bedragen aan de betreffende terminals heeft betaald op door Maersk genoemde “groupage invoices” en dat deze bedragen niet zijn te herleiden naar specifieke containers. De door Maersk gemaakte kosten is schade in de zin van artikel 6:95 BW.
6.38.
Bij e-mail van 6 december 2018 heeft een medewerker van het claimsdepartment van Maersk de kosten in China geschat op USD 200.000,00. Het betreft volgens de betreffende medewerker een “grove schatting”.
Als productie 32 heeft Maersk een overzicht van de “East China – Import Demurrage”
tarieven in het geding gebracht. Weliswaar betreft dit een intern overzicht, zoals Kuminda aanvoert, maar de rechtbank gaat van dit overzicht uit, omdat Kuminda zelf niet met andere tarieven komt en de rechtbank geen reden heeft om te twijfelen aan de tarieven. De wisselkoers van Chinese renminbi (RMB/yuan) naar USD bedroeg in 2016: ¥1 CNY = $0.1521.
De kosten voor een 20 ft dry container bedragen volgens dat overzicht:
“1-7 days Free
8-12 days 70 RMB = USD 10,65
13-20 days 150 RMB = USD 22,82
21 days onwards 300 RMB = USD 45,63”
De containers hebben vanaf 30 november 2015 tot en met 6 maart 2017 (462 dagen) in de loshaven in China gestaan. Het daarmee gemoeide bedrag komt op USD403.369,20.
Het door Maersk gevorderde bedrag aan kosten van USD 200.000,00 is derhalve toewijsbaar.
6.39.
Op de zitting van 9 december 2021 heeft Maersk een “Rate Agreement between Maersk Line and Hamburg Sud & APM Terminals Rotterdam B.V.” overgelegd en een factuur van 26 augustus 2019 van APM Terminals aan Maersk Line A/S c/o Maersk Line Netherlands B.V. Uit deze rate agreement en factuur blijkt dat de opslag van een 20 ft dry container in de Rotterdamse haven bedraagt:
“Day 1-8 = freetime
Day 9-14 = 4,67 euro per day
Day 15-30 = 12,04 euro per day
31> = 27,49 per day”
De containers hebben vanaf omstreeks 15 april 2017 tot op of omstreeks 31 december 2019 (989 dagen) op de kade in de haven van Rotterdam gestaan. Het daarmee gemoeide bedrag komt op:
€ 527.258,20.
Het door Maerks gevorderde bedrag van € 505.129,00 is derhalve toewijsbaar.
terug vervoeren containers naar Nederland
6.40.
Maersk vordert de kosten die zij heeft moeten maken in verband met het terug vervoeren van de lading naar Nederland. Zij heeft deze kosten als volgt onderbouwd:
per container:
- Basic Ocean freight: 1150 USD
- Export Service: 100 Yuan Renminbi
- Terminal Handling Service: 210 EUR
per booking:
- Documentation fee - Destination 30 EUR
- Documentation fee - Origin 450 Yuan Renminbi
in totaal: USD 23.000,00, EUR 4.230,00 en CNY 2.450,00.
6.41.
Kuminda heeft deze kosten op zichzelf niet betwist, zodat ze toewijsbaar zijn.
vernietigingskosten
6.42.
Vast staat dat de lading op instructie van de NVWA moest worden vernietigd, omdat invoer van de lading in Nederland niet mogelijk was. Gremberghen heeft namens Maersk [naam bedrijf] daarvoor ingeschakeld. [naam bedrijf] heeft een bedrag van € 25.866,17 gefactureerd aan Gremberghen, die deze kosten één op één heeft door gefactureerd aan Maersk. De door Ecoson voor de vernietiging in rekening gebrachte kosten bedragen € 133.724,30.
6.43.
Kuminda heeft deze kosten op zichelf niet betwist, zodat ze toewijsbaar zijn.
expertisekosten
6.44.
Ter onderbouwing van deze schade stelt Maersk dat zij kosten heeft gemaakt in verband met het zoveel mogelijk beperken en vaststellen van haar schade. In dat kader heeft zij Gremberghen ingeschakeld, die vanaf augustus 2016 bezig is geweest met onder meer onderhandelen met de NVWA aangaande de invoer dan wel vernietiging van de lading en de mogelijkheden die daaromtrent aan Maersk openstonden. Gremberghen heeft twee facturen gezonden voor haar werkzaamheden. De eerste factuur beslaat de periode van 23 augustus 2016 tot en met 15 februari 2019 en bedroeg € 23.723,72. De tweede factuur beslaat de periode van 18 februari 2019 tot en met 23 januari 2020 en bedroeg € 20.442,85 (productie 22).
6.45.
Kuminda betwist de schade en voert aan dat Maersk deze onvoldoende heeft onderbouwd.
6.46.
De rechtbank overweegt als volgt.
De kosten kwalificeren als redelijke kosten ter vaststelling van schade en aansprakelijkheid en ter beperking van de schade in de zin van artikel 6:96 lid 2 sub a en b BW en komen voor vergoeding als vermogensschade in aanmerking. De kosten zijn het redelijkerwijs te verwachten gevolg van de schadeveroorzakende gedragingen van Kuminda en waren redelijkerwijs noodzakelijk en verantwoord om te maken, omdat er zo snel mogelijk door een expert in kaart moest worden gebracht wat de mogelijkheden waren nu de lading in China was geweigerd. Nu de kosten bovendien in een redelijke verhouding staan tot de omvang van de totale schade, zijn ze toewijsbaar.
6.47.