Rechtspraak
Rechtbank Rotterdam
2023-09-01
ECLI:NL:RBROT:2023:13037
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
2,961 tokens
Inleiding
RECHTBANK ROTTERDAM
Bestuursrecht
zaaknummer: ROT 22/2434
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 1 september 2023 in de zaak tussen
[naam eiser] , uit Rotterdam, eiser,
gemachtigde: mr. W.H. van Zundert,
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (het UWV), verweerder,
gemachtigde: mr. R. Nalinci.
Inleiding
Voor een weergave van het procesverloop tot aan de tussenuitspraak van 9 maart 2023 verwijst de rechtbank naar de tussenuitspraak.
In haar tussenuitspraak heeft de rechtbank verweerder in de gelegenheid gesteld een gebrek in het besluit op bezwaar van 7 april 2022 (het bestreden besluit) te herstellen.
Bij brief van 23 maart 2023 heeft verweerder een rapport van de verzekeringsarts bezwaar en beroep van 21 maart 2023 overgelegd.
Eiser heeft bij brief van 17 april 2023 zijn zienswijze naar voren gebracht.
De rechtbank sluit het onderzoek.
Overwegingen
2.1.
In haar tussenuitspraak heeft de rechtbank geoordeeld dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep niet heeft gemotiveerd waarom in het licht van de aard van de klachten en de beschikbare medische informatie kon worden afgezien van een fysiek (lichamelijk en/of psychisch) onderzoek. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft in de bezwaarfase de hoorzitting op 28 maart 2022 bijgewoond, maar heeft niet gemotiveerd waarom een spreekuurcontact in bezwaar geen toegevoegde waarde had. De rechtbank heeft verweerder in de gelegenheid gesteld het gebrek te herstellen door met inachtneming van wat de rechtbank hiervoor heeft overwogen, nader te motiveren waarom volgens hem in dit geval van een fysiek (lichamelijk en/of psychisch) onderzoek in bezwaar afgezien kon worden.
3.1.
Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder met overlegging van het rapport van de verzekeringsarts bezwaar en beroep van 21 maart 2022 het gebrek in het bestreden besluit hersteld. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft in zijn rapport op voldoende inzichtelijke en toereikende wijze uiteengezet waarom volgens hem in dit geval van een fysiek (lichamelijk en/of psychisch) onderzoek in bezwaar afgezien kon worden. Volgens de verzekeringsarts bezwaar en beroep had een fysiek onderzoek in bezwaar geen toegevoegde waarde, omdat de datum in geding (17 augustus 2017) ver in het verleden ligt. Fysieke onderzoeksbevindingen nu geven maar zeer beperkt zicht op de situatie in 2017. Daarom is met name afgegaan op informatie van de reumatoloog en de huisarts omstreeks deze periode. De uitgebreide informatie van de huisarts, inclusief de hierin opgenomen specialistenberichten, geeft een meer gedetailleerd beeld van het beloop van de aandoening en de situatie omstreeks de datum in geding (de rechtbank begrijpt: meer dan een fysiek onderzoek nu op kan leveren). Bovendien heeft de reumatoloog specifieke bevindingen van lichamelijk onderzoek weergegeven, zodat het volgens de verzekeringsarts bezwaar en beroep in 2022 geen toegevoegde waarde meer had om eiser lichamelijke bewegingen te laten doen tijdens een fysiek onderzoek. De rechtbank kan de conclusies van de verzekeringsarts bezwaar en beroep goed volgen.
3.2.
Wat eiser naar aanleiding van het rapport van de verzekeringsarts bezwaar en beroep van 21 maart 2023 heeft aangevoerd, kan niet leiden tot het oordeel dat verweerder met overlegging van dit rapport het gebrek in het bestreden besluit niet zou hebben hersteld.
Eiser heeft in zijn zienswijze van 17 april 2023 gesteld dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep niet is uitgegaan van de informatie van de reumatoloog en de huisarts (en de hierin opgenomen specialistenberichten), omdat de verzekeringsarts bezwaar en beroep en de verzekeringsarts hebben gezegd dat het niet nodig was dat eiser die informatie zou overhandigen en er geen informatie is opgevraagd bij de reumatoloog en de huisarts. Eiser is van mening dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep de informatie van de reumatoloog en de huisarts en de informatie van de primaire verzekeringsarts niet kan toetsen, indien hij zelf geen onderzoek heeft verricht. Verder valt het eiser op dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep van oordeel is dat een fysiek onderzoek/spreekuurcontact geen toegevoegde waarde heeft, maar dat hij de informatie van de reumatoloog en de huisarts wel als basis noemt van zijn conclusie, hoewel hij dit niet eerder heeft geconcludeerd. Volgens eiser blijkt uit de informatie van de reumatoloog en de huisarts dat hij volledig arbeidsongeschikt is. Eiser vraagt zich af waarom de verzekeringsarts bezwaar en beroep de reumatoloog en de huisarts niet (nader) heeft gehoord.
3.3.
Zoals uit zijn rapport van 28 maart 2022 blijkt, heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep de door eiser ten behoeve van de hoorzitting in bezwaar overgelegde dossiergegevens van de huisarts en de reeds in het dossier aanwezige brief van de reumatoloog van 30 maart 2016 meegewogen. De stelling van eiser dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep de informatie van de huisarts, de reumatoloog en de primaire verzekeringsarts niet kan toetsen, indien hij zelf geen onderzoek heeft verricht, volgt de rechtbank niet.
4.1.
Het medisch onderzoek door de verzekeringsarts bezwaar en beroep is, na herstel van het gebrek, zorgvuldig verricht. Het onderzoek is namelijk gebaseerd op dossieronderzoek, wat in bezwaar en op de hoorzitting is aangevoerd en op de stukken van de huisarts (het complete dossier van 2015 tot en met 2021 met de daarin opgenomen specialistenberichten) en met name de brief van de reumatoloog van 30 maart 2016. Ook heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep inzichtelijk en overtuigend gemotiveerd waarom van een fysiek (lichamelijk en/of psychisch) onderzoek in bezwaar afgezien kon worden.
4.2.
Het betoog van eiser dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep bij zijn huisarts en reumatoloog informatie op had moeten vragen (hen nader had moeten horen), slaagt niet. Volgens vaste rechtspraak (zie bijvoorbeeld de uitspraken van 12 januari 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:3233 en 15 april 2016, ECLI:NL:CRVB:2016:1385) behoort het tot de specifieke taak en deskundigheid van een verzekeringsarts om medische gegevens te wegen en te vertalen in medische beperkingen. Daarbij mag een verzekeringsarts in beginsel varen op zijn eigen medisch oordeel wat betreft de aan te nemen beperkingen. Raadpleging van de behandelend sector is aangewezen in die gevallen waarin een behandeling een beduidend effect zal hebben op de mogelijkheden tot het verrichten van arbeid van de betrokkene of indien de betrokkene stelt dat de behandelend sector een beredeneerde afwijkende opvatting heeft over zijn beperkingen. Hiervan is niet gebleken. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft op basis van zijn onderzoek een voldoende duidelijk beeld gekregen van de medische toestand van eiser op de datum in geding en heeft naar het oordeel van de rechtbank geen aanleiding hoeven zien meer informatie op te vragen. De beantwoording van de vraag of eiser in staat is de geselecteerde functies te verrichten, behoort niet tot de specifieke deskundigheid van de reumatoloog, maar tot die van de arbeidsdeskundige. Eiser heeft verder niet aangegeven welke informatie van de huisarts en de reumatoloog nog ontbrak en door de verzekeringsarts (bezwaar en beroep) had moeten worden opgevraagd. Eiser heeft in beroep zelf ook geen nieuwe informatie overgelegd die een nieuw licht werpt op de situatie op de datum in geding.
5. De rechtbank heeft geen reden het medisch oordeel dat aan het bestreden besluit ten grondslag ligt onjuist te achten. Niet gebleken is dat het UWV een onvolledig beeld heeft gehad van de medische situatie van eiser. Met de klachten van eiser heeft het UWV rekening gehouden bij het opstellen van de FML van 28 maart 2022. Hierbij is van belang dat het niet gaat om de door eiser ervaren medische klachten als zodanig, maar om als gevolg van ziekte of gebrek objectief vastgestelde beperkingen bij het verrichten van arbeid.
Wat eiser in beroep heeft aangevoerd, legt tegenover het gemotiveerde medisch oordeel van de verzekeringsarts bezwaar en beroep onvoldoende gewicht in de schaal om op grond daarvan verdergaande beperkingen aan te nemen dan neergelegd in de FML van 28 maart 2022, geldend op 17 augustus 2017. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft inzichtelijk en overtuigend gemotiveerd dat en waarom er geen reden is verdergaande beperkingen aan te nemen. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft er in zijn rapport van 28 maart 2022 op gewezen dat er beperkingen zijn aangenomen voor onder meer lopen, staan en zitten. Er is specifiek een beperking aangenomen voor de duur van het zitten, zodat er gelegenheid tot vertreden is. Eiser heeft niet onderbouwd dat hij geen zittend werk kan verrichten en dat hij ook niet staand of lopend kan werken.
Conclusie
Gelet op het in de tussenuitspraak geconstateerde motiveringsgebrek, is het beroep gegrond. De rechtbank zal het bestreden besluit vernietigen. Omdat het UWV in zijn reactie op de tussenuitspraak het gebrek heeft hersteld, zal de rechtbank de rechtsgevolgen van het te vernietigen bestreden besluit in stand laten.
Omdat de rechtbank het beroep gegrond verklaart, moet het UWV aan eiser het door hem betaalde griffierecht vergoeden.
Omdat het beroep gegrond is, krijgt eiser een vergoeding voor de proceskosten die hij heeft gemaakt. Het UWV moet die vergoeding betalen. De vergoeding wordt met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht als volgt berekend. De bijstand door een gemachtigde levert 2,5 punten op (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen op de zitting en 0,5 punt voor het indienen van een schriftelijke zienswijze na een bestuurlijke lus, met een waarde per punt van € 837,- en bij een wegingsfactor 1. Toegekend wordt € 2.092,50. Omdat de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand blijven, bestaat geen aanleiding voor vergoeding van de kosten voor de bezwaarfase.
Dictum
De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het bestreden besluit;
- bepaalt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde bestreden besluit in stand blijven;
- draagt het UWV op het betaalde griffierecht van € 50,- aan eiser te vergoeden;
- veroordeelt het UWV in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 2.092,50.
Deze uitspraak is gedaan door mr. S.M. Dielemans-Goossens, rechter, in aanwezigheid van mr. Y.W. Geerts, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op
1 september 2023.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.