Rechtspraak
Rechtbank Rotterdam
2023-12-14
ECLI:NL:RBROT:2023:12426
Civiel recht; Insolventierecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
2,548 tokens
Inleiding
Rechtbank Rotterdam
Team insolventie
rekestnummer: [nummer]
uitspraakdatum: 14 december 2023
afwijzen gedwongen schuldregeling
in de zaak van:
[verzoeker]
,
wonende te [adres]
[woonplaats],
verzoeker.
Procesverloop
Verzoeker heeft op 5 oktober 2023, tezamen met een verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling, een verzoek ingevolge artikel 287a lid 1 Faillissementswet ingediend om een aantal schuldeisers, te weten:
[schuldeiser 1], in behandeling bij LAVG Gerechtsdeurwaarders, hierna te noemen: [schuldeiser 1];
[schuldeiser 2], in behandeling bij LAVG, hierna te noemen: [schuldeiser 2];
[schuldeiser 3], in behandeling bij Yards gerechtsdeurwaarders, hierna te noemen: [schuldeiser 3];
die weigeren mee te werken aan een door verzoeker aangeboden schuldregeling, te bevelen in te stemmen met deze schuldregeling.
LAVG heeft op 1 december 2023 namens [schuldeiser 1] en [schuldeiser 2] voorafgaand aan de zitting een verweerschrift ingediend.
Ter zitting van 6 december 2023 zijn verschenen en gehoord:
verzoeker;
mevrouw Pauli, werkzaam bij de Kredietbank Rotterdam, hierna: schuldhulpverlening;
mevrouw Van Berkel, werkzaam bij het CVD, hierna: maatschappelijk werkster.
De schuldeisers zijn, hoewel daartoe behoorlijk opgeroepen, niet verschenen.
De uitspraak is bepaald op heden.
2Het verzoek
Verzoeker heeft volgens het ingediende verzoekschrift zeventien schuldeisers, waarvan twee preferente en vijftien concurrente schuldeisers. Deze schuldeisers hebben in totaal een bedrag van € 25.061,09 van verzoeker te vorderen. Verzoeker heeft bij brief van 20 januari 2023 een schuldregeling aangeboden aan zijn schuldeisers, inhoudende een betaling van 12,63% aan de preferente schuldeisers en 6,32% aan de concurrente schuldeisers tegen finale kwijting. De schuldenlast bedroeg op dat moment € 25.283,59. De schuldenlast uit het WSNP-verzoek blijkt lager te zijn, te weten € 25.061,09.
Het aangeboden akkoord heeft de volgende inhoud en achtergrond. De aangeboden regeling is gebaseerd op de NVVK-norm. De afloscapaciteit van verzoeker is gebaseerd op ongewijzigde voortzetting van zijn PW-uitkering. Volgens de aangeboden schuldregeling wordt het aangeboden percentage – door middel van een door schuldhulpverlening ter beschikking gesteld saneringskrediet – in één keer aan de schuldeisers uitgekeerd.
Verzoeker heeft zich op het standpunt gesteld dat hij al het mogelijke heeft gedaan om het aangeboden percentage aan zijn schuldeisers aan te bieden. Verzoeker heeft sinds de aanmelding bij schuldhulpverlening geen nieuwe schulden of achterstanden meer laten ontstaan en zijn vaste lasten worden inmiddels door zijn budgetbeheerder voldaan. Schuldhulpverlening heeft bij het aanbod aan de schuldeisers gevraagd de ontvangen € 10.000,- van de kindregeling buiten beschouwing te laten.
Vijftien schuldeisers stemmen met de aangeboden schuldregeling in. [schuldeiser 1], [schuldeiser 2] en [schuldeiser 3] stemmen hier niet mee in. Zij hebben een vordering van € 1.910,39 op verzoeker.
3Het verweer
LAVG heeft namens [schuldeiser 1] en [schuldeiser 2] een verweerschrift ingediend. In haar verweerschrift geeft LAVG aan dat de schulden niet te goede trouw zijn ontstaan. Verzoeker heeft namelijk getankt zonder te betalen. In dit kader kan van [schuldeiser 1] en [schuldeiser 2] niet in redelijkheid en billijkheid worden verwacht dat zij akkoord gaan met het aangeboden voorstel. In de visie van LAVG heeft verzoeker voorts niet het maximaal haalbare aangeboden. De aangeboden regeling is immers gebaseerd op een ongewijzigde voortzetting van zijn PW-uitkering, terwijl de inkomenspositie van verzoeker de komende tijd nog zou kunnen verbeteren.
Hoewel behoorlijk opgeroepen hebben de weigerende schuldeisers geen gebruik gemaakt van de mogelijkheid hun standpunten ter zitting toe te lichten.
Beoordeling
Uitgangspunt is dat het iedere schuldeiser in beginsel vrij staat om te verlangen dat 100% van zijn vordering, vermeerderd met rente, wordt voldaan. Nu de aangeboden regeling voorziet in een lagere uitkering dan de volledige vordering, staat het belang van [schuldeiser 1], [schuldeiser 2] en [schuldeiser 3] bij hun weigering vast.
De rechtbank ziet zich gesteld voor het beantwoorden van de vraag of [schuldeiser 1], [schuldeiser 2] en [schuldeiser 3] in redelijkheid niet tot weigering van instemming met de schuldregeling hebben kunnen komen, in aanmerking genomen de onevenredigheid tussen het belang dat zij hebben bij uitoefening van de bevoegdheid tot weigering en de belangen van verzoeker of de overige schuldeisers die door de weigering worden geschaad.
De rechtbank beantwoordt deze vraag ontkennend en overweegt daartoe als volgt.
Het voorstel is niet transparant en verzoeker heeft zijn schuldeisers niet gelijkelijk behandeld en benadeeld. De rechtbank komt tot deze conclusie op grond van het volgende.
Verzoeker heeft vanaf november 2022 schulddienstverlening gekregen van de Kredietbank Rotterdam (KBR). Vanaf 8 november 2022 is verzoeker in budgetbeheer bij KBR gegaan. Verzoeker is kind van erkende slachtoffers van de zogenaamde Toeslagaffaire. Kort voor de start van de schulddienstverlening heeft verzoeker bericht ontvangen dat hij in aanmerking zou gaan komen voor een tegemoetkoming van de belastingdienst in het kader van de zogenaamde Kindregeling. KBR heeft met verzoeker besproken dat verzoeker de tegemoetkoming zou (moeten) reserveren, waarna aan de schuldeisers zou worden voorgesteld om de tegemoetkoming buiten beschouwing te laten.
Verzoeker is tijdens de loop van de schulddienstverlening enkele maanden ‘van de radar’ van KBR geweest. In deze periode heeft verzoeker de tegemoetkoming ontvangen en uitgegeven. Verzoeker zegt bedrag van € 10.000 te hebben besteed aan uitgaven voor zijn kinderen en betalingen aan mensen binnen de familie en sociale omgeving aan wie verzoeker naar zijn zeggen nog geld schuldig was. Deze laatste schulden heeft verzoeker overigens niet opgegeven aan het KBR zo is tijdens de zitting besproken en zo blijkt dat ook uit de schuldenlijst van 15 december 2022 die verzoeker voor juist- en volledigheid heeft ondertekend. Ter zitting heeft verzoeker deze mensen en schulden niet nader gespecificeerd. Het restant zegt verzoeker voor zichzelf te hebben uitgegeven.
KBR heeft vervolgens aan de schuldeisers een minnelijk voorstel gedaan waarin hij aangeeft in aanmerking te komen voor de Kindregeling met het verzoek de tegemoetkoming buiten beschouwing te laten.
Verzoeker was ervan op de hoogte dat de tegemoetkoming diende te worden gereserveerd voor de betaling aan zijn schuldeisers, behalve wanneer deze zouden instemmen met het voorstel om de tegemoetkoming buiten beschouwing te laten. Verzoeker heeft de stemming onder de schuldeisers kennelijk niet willen afwachten en heeft de tegemoetkoming tegen beter weten in onttrokken aan het zicht van en verhaal door zijn schuldeisers. En verder heeft verzoeker kennelijk onbekende schuldeisers voorgetrokken boven zijn bekende schuldeisers.
Het overgrote deel van de schuldeisers is weliswaar akkoord gegaan met het buiten beschouwing laten van de tegemoetkoming maar deze schuldeisers zijn niet of onvolledig geïnformeerd. Verzoeker heeft immers in zijn voorstel aan de schuldeisers geen openheid van zaken gegeven over het niet langer beschikbaar zijn van de tegemoetkoming.
Als dit aanbod vergeleken wordt met de situatie dat verzoeker zou worden toegelaten tot de wettelijke schuldsaneringsregeling, dan geldt dat dit aanbod gunstiger is voor de schuldeisers omdat daarbij, anders dan in de schuldsaneringsregeling, geen kosten voor bewindvoerderssalaris en griffierecht verschuldigd zijn. Zoals de rechtbank echter heden bij afzonderlijke uitspraak zal beslissen, voldoet verzoeker niet aan de vereisten voor toelating tot de wettelijke schuldsaneringsregeling. Hiervan uitgaande, dient het aanbod vergeleken te worden met de situatie dat geen sprake is van een toepassing van de wettelijke schuldsaneringsregeling. Die vergelijking leidt tot de vaststelling dat onvoldoende aannemelijk is dat het voorstel het uiterste is waartoe verzoeker in staat moeten worden geacht. Immers, verzoeker kan geacht worden in staat te zijn om ook na 36 maanden nog aflossingen te doen aan zijn schuldeisers.
Op grond van het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat de belangen van [schuldeiser 1], [schuldeiser 2] en [schuldeiser 3] als weigerende schuldeisers en de overige schuldeisers zwaarder wegen dan die van verzoeker. Het verzoek om [schuldeiser 1], [schuldeiser 2] en [schuldeiser 3] te bevelen in te stemmen met de door verzoeker aangeboden schuldregeling wordt daarom afgewezen.
De rechtbank zal bij afzonderlijke beslissing op het verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling beslissen.
Dictum
De rechtbank:
- wijst af het verzoek om een gedwongen schuldregeling te bevelen.
Dit vonnis is gewezen door mr. M. Aukema, rechter, en in aanwezigheid van S.R.L.T. Peek, griffier, in het openbaar uitgesproken op 14 december 2023.
Tegen deze uitspraak kan degene aan wie de Faillissementswet dat recht toekent, gedurende acht dagen na de dag van deze uitspraak, hoger beroep instellen. Het hoger beroep kan uitsluitend door een advocaat worden ingesteld bij een verzoekschrift, in te dienen ter griffie van het gerechtshof dat van deze zaak kennis moet nemen.