Rechtspraak
Rechtbank Rotterdam
2023-12-27
ECLI:NL:RBROT:2023:12402
Civiel recht; Burgerlijk procesrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
3,330 tokens
Inleiding
vonnis
RECHTBANK ROTTERDAM
Team handel en haven
zaaknummer / rolnummer: C/10/658976 / HA ZA 23-503
Vonnis in incident van 27 december 2023
in de zaak van
de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
HOOGWEGT CHEESE B.V.
,
gevestigd te Arnhem,
eiseres in de hoofdzaak,
verweerster in het incident,
advocaat mr. T.F.J. van Oorschot te Stevensbeek,
tegen
de vennootschap naar Duits recht
GIROLAC GmbH
,
gevestigd te Ludwigsburg, Duitsland,
gedaagde in de hoofdzaak,
eiseres in het incident,
advocaten mr. K.S. Guldemond en mr. S.A. Lang te Amsterdam.
Partijen worden hierna Hoogwegt en Girolac genoemd.
Procesverloop
1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
de dagvaarding van 5 april 2023, met de bij afzonderlijke akte in het geding gebrachte producties 1 tot en met 20 en een niet als productie genummerde factuur voor de kosten voor vertaling van de dagvaarding;
de conclusie in incident ex artikel 11 en 1022 Rv, met producties 1 en 2;
Dictum
1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald in het incident.
2
De vorderingen in de hoofdzaak
2.1.
Hoogwegt vordert – samengevat – dat de rechtbank bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, Girolac veroordeelt tot betaling aan Hoogwegt van:
a. € 502.208,06, te vermeerderen met de wettelijke rente ex artikel 6:119a BW, althans artikel 6:119 BW, over het bedrag van € 485.931,62 vanaf 7 juni 2023;
b. € 5.617,57, te vermeerderen met de wettelijke rente ex artikel 6:119a BW, althans artikel 6:119 BW vanaf 7 juni 2023;
c. € 4.294,13 aan buitengerechtelijke incassokosten;
d. de proceskosten en de nakosten;
waarbij het te wijzen vonnis wordt gewaarmerkt als Europese executoriale titel als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van de Verordening (EG) nr. 805/2004 van het Europees Parlement en de Raad van 21 april 2004 tot invoering van een Europese executoriale titel voor niet-betwiste schuldvorderingen, en naast een Nederlandstalig exemplaar een via de Europese Justitiële Atlas Duitse versie daarvan wordt afgegeven, kosten rechtens.
2.2.
Hoogwegt legt aan haar vorderingen ten grondslag dat tussen haar en Girolac drie afzonderlijke overeenkomsten (hierna afzonderlijk genoemd ‘Overeenkomst I’, ‘Overeenkomst II’ en ‘Overeenkomst III’, aansluitend bij de door partijen gehanteerde terminologie) zijn gesloten met betrekking tot de verkoop, levering en periodieke afname van partijen kaas. Girolac is tekortgeschoten in haar afnameverplichtingen en dient de als gevolg daarvan door Hoogwegt geleden en te lijden schade te vergoeden.
2.3.
Girolac heeft nog niet voor antwoord geconcludeerd.
Geschil
3.1.
Girolac vordert – samengevat – dat de rechtbank zich bij uitvoerbaar bij voorraad
te verklaren vonnis onbevoegd verklaart om van de geschillen in de hoofdzaak kennis te nemen, met veroordeling van Hoogwegt in de kosten van dit geding, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de veertiende dag na het vonnis.
3.2.
De grondslag van het door Girolac opgeworpen bevoegdheidsincident is tweeledig. Ten aanzien van Overeenkomst I en Overeenkomst III geldt dat partijen bij het aangaan van die overeenkomsten via het handelsplatform voor de zuivelindustrie NUI Marketplace, ook wel bekend als het DAO-platform (hierna: ‘DAO-platform’), toepasselijkheid van de MPC-condities voor de zuivelbranche zijn overeengekomen. Daarin is arbitrage als exclusieve wijze van geschilbeslechting bepaald. Op grond van artikel 1022 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (hierna: ‘Rv’) is deze rechtbank daarom niet bevoegd om kennis te nemen van het geschil tussen partijen.
3.3.
De door Hoogwegt gestelde Overeenkomst II is volgens Girolac nooit tot stand gekomen (primair) omdat, ondanks dat telefonisch is gesproken over de levering van partijen kaas, over de essentialia – waaronder de herkomst van de kaas – geen wilsovereenstemming is bereikt. Dit betekent dat ook de volgens Hoogwegt van die overeenkomst deel uitmakende algemene voorwaarden van Hoogwegt, met het daarin opgenomen forumkeuzebeding, niet zijn aanvaard en daarom toepassing missen. Bovendien geldt ook hier dat partijen enkel met elkaar zaken deden via het DAO-platform als gevolg waarvan bij een eventuele overeenkomst de MPC-condities zouden hebben gegolden en niet de algemene voorwaarden van Hoogwegt. Geschillen over het al dan niet bestaan van Overeenkomst II moeten, gelet op de woonplaats van Girolac in Duitsland, door de Duitse rechter worden behandeld, aldus Girolac.
3.4.
Hoogwegt heeft in het incident geen verweer gevoerd.
Beoordeling
4.1.
In dit incident is, nadat Girolac voor alle weren tijdig een exceptie van onbevoegdheid heeft ingeroepen, de vraag aan de orde of deze rechtbank internationaal bevoegd is om in de hoofdzaak kennis te nemen van het geschil tussen de in Nederland en Duitsland gevestigde partijen.
4.2.
Op dit geschil met een internationaal karakter is de verordening (EU) nr. 1215/2012 van het Europees Parlement en de Raad van 12 december 2012 betreffende de rechterlijke bevoegdheid, erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken (hierna: ‘Brussel I bis-Vo’) zowel materieel, temporeel als formeel van toepassing.
4.3.
Aangezien Girolac geen woonplaats heeft in Nederland, heeft de Nederlandse rechter geen rechtsmacht op grond van de hoofdregel van bevoegdheid zoals geregeld in artikel 4 lid 1 Brussel I bis-Vo. Van een bevoegdheid scheppende uitzondering als bedoeld in afdelingen 2 tot en met 6 van Hoofdstuk II Brussel I bis-Vo is evenmin sprake.
4.4.
Hoogwegt beroept zich in de dagvaarding ter onderbouwing van de bevoegdheid van deze rechtbank op de toepasselijkheid van het in artikel 16 van haar algemene voorwaarden opgenomen forumkeuzebeding. Dit beding luidt:
“2. All disputes between Hoogwegt Cheese and the Customer shall be settled by the competent court of Rotterdam.”
4.5.
Girolac betwist dat de algemene voorwaarden, met de daarin opgenomen forumkeuze voor de rechtbank te Rotterdam, zijn overeengekomen.
Bevoegdheid ten aanzien van het geschil over Overeenkomst I en Overeenkomst III
4.6.
Uit artikel 1022 Rv volgt dat de rechter bij wie een geschil aanhangig is gemaakt
waarover een overeenkomst tot arbitrage is gesloten, zich onbevoegd verklaart indien een partij zich voor alle weren op het bestaan van deze overeenkomst beroept, tenzij de overeenkomst ongeldig is.
4.7.
Girolac heeft zich voor alle weren op het in artikel 15 van de MPC-condities
opgenomen arbitragebeding beroepen. Het arbitragebeding luidt:
“1. Alle geschillen die tussen een verkoper en koper mochten ontstaan, zowel juridische als feitelijke, van welk aard ook, naar aanleiding van of in verband met een overeenkomst waarop de “MPC-condities” van toepassing zijn, of van andere overeenkomsten die daarmee in verband staan, zullen met uitsluiting van de gewone rechterlijke macht ter beslissing worden onderworpen aan scheidslieden; het “MPC-arbitragereglement” is daarop van toepassing.
2. Bij arbitrage zullen de scheidslieden met uitsluiting van de gewone rechter uitspraak doen als goede mannen naar billijkheid, op grond van de “MPC-condities” en met inachtneming van het “MPC-arbitragereglement”, zoals dat op het moment van het aanvragen der arbitrage geldt.
(…)”
Het in het arbitragebeding genoemde MPC-Arbitragereglement vermeldt verder, voor zover van belang, in artikel 7:
“1. De plaats van arbitrage is in Nederland te ’s-Gravenhage.”
4.8.
Girolac stelt dat Overeenkomst I en Overeenkomst III tussen partijen zijn gesloten via het DAO-platform. Ten aanzien van Overeenkomst I stelt ook Hoogwegt in haar dagvaarding dat die via dit platform tot stand is gekomen. Girolac stelt dat voor overeenkomsten die via het DAO-platform tot stand zijn gekomen, tussen partijen gebruikelijk is dat de MPC-condities, waaraan Hoogwegt zelf op haar website expliciet refereert, met uitsluiting van andere algemene voorwaarden van toepassing zijn.
4.9.
Girolac heeft voldoende gemotiveerd gesteld dat het geschil tussen partijen over Overeenkomst I en Overeenkomst III exclusief dient te worden beslecht door arbitrage. Hoogwegt heeft daartegen in het bevoegdheidsincident, hoewel zij daartoe wel in de gelegenheid is gesteld, geen verweer gevoerd. Als Hoogwegt het niet eens was met de stelling van Girolac dat voor geschilbeslechting arbitrage is overeengekomen, dan had het op haar weg gelegen om die stelling in het incident te bestrijden. Nu Hoogwegt die gelegenheid onbenut heeft gelaten, heeft zij haar stelling in de dagvaarding ten aanzien van de uit haar algemene voorwaarden voortvloeiende forumkeuze onvoldoende gemotiveerd gehandhaafd.
4.10.
De incidentele vordering van Girolac tot onbevoegdverklaring zal op deze onderdelen worden toegewezen. De conclusie hiervan is dat deze rechtbank op grond van het arbitragebeding, het arbitragereglement en artikel 1022 Rv onbevoegd is om van het geschil over Overeenkomst I en Overeenkomst III kennis te nemen.
Bevoegdheid ten aanzien van het geschil over Overeenkomst II
4.11.
Tussen partijen is de totstandkoming van Overeenkomst II in geschil. Volgens Girolac moet dat geschil worden beoordeeld door de enige bevoegde rechter in Duitsland. Zij voert hiertoe primair aan dat Overeenkomst II niet tot stand is gekomen en dat daarom de door Hoogwegt gestelde, uit haar algemene voorwaarden voortvloeiende, forumkeuze evenmin tussen partijen geldt.
4.12.
Uitgangspunt bij beantwoording van de vraag of partijen een rechtsgeldige forumkeuze hebben gemaakt is artikel 25 Brussel I bis-Vo. Dit artikel luidt, voor zover van belang:
“1. Indien de partijen, ongeacht hun woonplaats, een gerecht of de gerechten van een lidstaat hebben aangewezen voor de kennisneming van geschillen die naar aanleiding van een bepaalde rechtsbetrekking zijn ontstaan of zullen ontstaan, is dit gerecht of zijn de gerechten van die lidstaat bevoegd, tenzij de overeenkomst krachtens het recht van die lidstaat nietig is wat haar materiële geldigheid betreft. Deze bevoegdheid is exclusief, tenzij de partijen anders zijn overeengekomen. De overeenkomst tot aanwijzing van een bevoegd gerecht wordt gesloten:
a. a) hetzij bij een schriftelijke overeenkomst of bij een schriftelijk bevestigde mondelinge overeenkomst;
b) hetzij in een vorm die wordt toegelaten door de handelwijzen die tussen de partijen gebruikelijk zijn geworden;
c) hetzij, in de internationale handel, in een vorm die overeenstemt met een gewoonte waarvan de partijen op de hoogte zijn of hadden behoren te zijn en die in de internationale handel algemeen bekend is en door partijen bij dergelijke overeenkomsten in de betrokken handelsbranche doorgaans in acht wordt genomen.
(..)
5. Een beding tot aanwijzing van een bevoegd gerecht dat deel uitmaakt van een overeenkomst, wordt aangemerkt als een beding dat los staat van de overige bepalingen van de overeenkomst.
De geldigheid van het beding tot aanwijzing van een bevoegd gerecht kan niet worden bestreden op grond van het enkele feit dat de overeenkomst niet geldig is.”
4.13.
Uit vaste rechtspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie (onder andere het arrest van 7 juli 2016, C-222/15 - Höszig Kft./Alstom Power Termal Services, ECLI:EU:C:2016:525) volgt dat artikel 25 Brussel I bis-Vo vereist dat het forumkeuzebeding daadwerkelijk het voorwerp is geweest van wilsovereenstemming tussen partijen, die duidelijk en nauwkeurig tot uiting moet komen. Verder is voor de geldigheid van een forumkeuzebeding in algemene voorwaarden, naast de kenbare verwijzing naar deze algemene voorwaarden, vereist dat vaststaat dat deze algemene voorwaarden daadwerkelijk aan de andere contractspartij zijn meegedeeld. Daarvoor is terhandstelling voldoende.
4.14.
Gesteld noch gebleken is dat de forumkeuze waarop Hoogwegt zich beroept, wordt toegelaten door de handelwijzen die tussen partijen gebruikelijk zijn geworden (het vormvereiste onder b van artikel 25 Brussel I bis-Vo). Dat geldt ook voor de vraag of deze forumkeuze overeenstemt met een gewoonte waarvan de partijen op de hoogte zijn of hadden behoren te zijn en die in de internationale handel algemeen bekend is en door partijen bij dergelijke overeenkomsten in de betrokken handelsbranche doorgaans in acht wordt genomen (het vormvereiste onder c).
4.15.
Dictum
De rechtbank
in het incident
5.1.
wijst toe de vordering tot onbevoegdverklaring,
5.2.
veroordeelt Hoogwegt in de proceskosten van € 598,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe,
in de hoofdzaak
5.3.
verklaart zich onbevoegd om van het geschil in de hoofdzaak kennis te nemen,
5.4.
veroordeelt Hoogwegt in de proceskosten van € 5.737,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe,
in het incident en de hoofdzaak
5.5.
veroordeelt Hoogwegt in de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 Burgerlijk Wetboek over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn voldaan,
5.6.
verklaart dit vonnis onder 5.2, 5.4 en 5.5 uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. J.M.J. Arts en in het openbaar uitgesproken op 27 december 2023.
[3758/3268/3455]