Rechtspraak
Rechtbank Rotterdam
2023-11-10
ECLI:NL:RBROT:2023:12362
Civiel recht; Personen- en familierecht
Beschikking
2,777 tokens
Inleiding
Rechtbank Rotterdam
Team familie
Zaaknummer / rekestnummer: C/10/653993 / FA RK 23-1739
Zaaknummer / rekestnummer: C/10/626621 / FA RK 21-7538
Beschikking van 10 november 2023 over het ouderlijk gezag en de regeling van de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken dan wel de regeling inzake de uitoefening van het omgangsrecht
in de zaken van:
[vrouw01]
, hierna: de vrouw,
wonende te [woonplaats01] , gemeente [gemeente01] ,
advocaat mr. C.N.M. Schep te Oud-Beijerland, gemeente Hoeksche Waard.
t e g e n
[man01]
, hierna: de man,
wonende te [woonplaats02] , gemeente [gemeente01] ,
1
De (verdere) procedure
1.1.
Het verloop van de (verdere) procedure blijkt uit:
Zaaknummer / rekestnummer: C/10/653993 / FA RK 23-1739
- het verzoekschrift met bijlagen van de vrouw, ingekomen op 8 maart 2023.
Zaaknummer / rekestnummer: C/10/626621 / FA RK 21-7538
de beschikking van deze rechtbank van 5 juli 2022;
het rapport van de raad voor de kinderbescherming Rotterdam-Dordrecht (hierna: de raad) van 7 september 2023;
het bericht met bijlagen van de man van 4 september 2023;
het bericht met bijlagen van de vrouw van 2 oktober 2023.
1.2.
De (verdere) mondelinge behandeling van de zaken heeft plaatsgevonden op 13 oktober 2023. De beide zaken zijn gezamenlijk behandeld. Daarbij zijn verschenen:
de vrouw, bijgestaan door haar advocaat;
de man;
de raad, vertegenwoordigd door [naam01] .
2
De (verdere) beoordeling
Zaaknummer / rekestnummer: C/10/653993 / FA RK 23-1739
2.1.
Ouderlijk gezag
2.1.1.
De vrouw verzoekt te bepalen dat het gezamenlijk ouderlijk gezag over de minderjarige wordt beëindigd en dat het ouderlijk gezag over de minderjarige alleen aan haar toekomt.
2.1.2.
De man voert gemotiveerd verweer.
2.1.3.
Het gezamenlijk ouderlijk gezag kan op grond van artikel 1:253n BW worden beëindigd bij gewijzigde omstandigheden sinds de aanvang van het gezamenlijk ouderlijk gezag of als bij de beslissing tot gezamenlijk ouderlijk gezag van onjuiste of onvolledige gegevens is uitgegaan. Indien één van deze gevallen zich voordoet, zal vervolgens beoordeeld moeten worden of er reden is voor beëindiging van het gezamenlijk ouderlijk gezag. Van toepassing is het in artikel 1:251a BW genoemde criterium dat er een onaanvaardbaar risico is dat een kind klem of verloren dreigt te raken tussen de ouders en dat niet te verwachten is dat hierin binnen afzienbare tijd voldoende verbetering zal komen of dat wijziging van het gezag anderszins in het belang van het kind noodzakelijk is. Doet dit zich voor dan bepaalt de rechtbank aan wie van de ouders voortaan het ouderlijk gezag over de minderjarige toekomt.
2.1.4.
De rechtbank zal het verzoek van de vrouw toewijzen en overweegt daartoe als volgt. Voor gezamenlijk ouderlijk gezag is vereist dat de partijen in staat zijn tot een behoorlijke gezamenlijke gezagsuitoefening. Zij moeten hiervoor belangrijke beslissingen over de minderjarige samen kunnen nemen of in ieder geval in staat zijn vooraf afspraken te maken over situaties die zich rond de minderjarige kunnen voordoen. Uit de overgelegde stukken en wat is besproken tijdens de mondelinge behandeling is gebleken dat de basis voor constructief overleg tussen partijen volledig ontbreekt. De man is kennelijk niet in staat is om op een ‘normale’ manier met de vrouw te communiceren. Uit een veelvoud aan overgelegde berichten blijkt dat de man zich op een beledigende, bedreigende en denigrerende manier uitlaat. Ook tijdens de mondelinge behandeling erkent de man dat hij explosief is van karakter en dat de communicatie tussen partijen vanaf dag één niet goed is, ook wordt de vrouw door de man uitgemaakt voor ‘toneelspeler’. Die manier van communiceren hanteert de man overigens niet alleen richting de vrouw; tijdens de mondelinge behandeling heeft de man verteld dat hij ook naar derden, zoals de KNO-arts en medewerkers van de peuterspeelzaal zich ‘fel’ kan uiten, als hij “geen gewoon antwoord” krijgt. De man volgt al 2 jaar emotieregulatietherapie via Impegno, maar erkent dat als hem iets niet zint, hij “nog steeds als een vuurpijl in de lucht kan gaan”.
2.1.5.
Het ontbreken van een goede communicatie tussen partijen brengt niet zonder meer met zich dat er geen gezamenlijk ouderlijk gezag kan zijn. De rechtbank is echter ook van oordeel dat de man het ouderlijk gezag misbruikt, althans de vrouw dwarszit in het nemen van gezagsbeslissingen. Niet alleen heeft de vrouw een kort-gedingprocedure moeten starten voor vervangende toestemming voor de inschrijving van de minderjarige op de peuterspeelzaal en een vakantie met de minderjarige naar Kroatië, ook heeft de man tijdens de mondelinge behandeling erkend dat hij zijn toestemming onthoudt voor de bezoeken van de vrouw met de minderjarige aan een voor de vrouw goede vriendin in België, omdat hij “dat kan en niet wil dat zijn dochter contact heeft met die vrouw”.
2.1.6.
Het handelen en nalaten van de man heeft de vrouw de afgelopen periode uitgeput. Het kost de vrouw veel tijd, energie en geld om gezagsbeslissingen over de minderjarige samen met de man of via een gerechtelijke procedure te kunnen nemen. Dit heeft, of heeft op ten duur, ook zijn uitwerking op de minderjarige, terwijl de vrouw als hoofdverzorger van de minderjarige fysiek en emotioneel beschikbaar moet zijn voor de minderjarige. In deze situatie is het in het belang van de minderjarige noodzakelijk dat de vrouw, zonder in overleg te hoeven treden met de man en alle strijd die daarmee gepaard gaat, beslissingen kan nemen over de minderjarige. Mogelijk kan deze situatie in de toekomst anders zijn als de man dan daadwerkelijk in staat is zijn emoties onder controle te houden en hij niet langer het gevoel heeft dat er pas rekening met zijn mening wordt gehouden als hij beslissingen blokkeert. Hieraan zal de man met zowel Impegno als met de reclassering, die sinds kort de man eveneens begeleidt, moeten werken.
2.1.7.
Gelet op het voorgaande is de rechtbank anders dan de raad die mede gelet op het hulpverleningstraject in het kader van de conactregeling, aanhouding van de beslissing adviseerde, van oordeel dat het in het belang van de minderjarige noodzakelijk is dat het gezamenlijk ouderlijk gezag nu wordt beëindigd. De rechtbank zal het verzoek van de vrouw toewijzen.
Zaaknummer / rekestnummer: C/10/626621 / FA RK 21-7538
2.2.
Omgangsregeling
2.2.1.
Omdat bij deze beschikking het gezamenlijk ouderlijk gezag zal worden beëindigd, wordt in het vervolg gesproken van een regeling inzake de uitoefening van het omgangsrecht (hierna ook: omgangsregeling). De man verzoekt bij zelfstandig verzoek een omgangsregeling vast te stellen.
2.2.2.
De vrouw voert gemotiveerd verweer.
2.2.3.
Bij beschikking van deze rechtbank van 5 juli 2022 is (onder andere) een voorlopige omgangsregeling bepaald, inhoudende dat de minderjarige iedere maandag en donderdag van 09:30 tot 11:30 uur in het huis van de oma vaderszijde en in aanwezigheid van de oma vaderszijde omgang met de man zal hebben. De vrouw zal de minderjarige brengen en weer ophalen. Daarnaast is de raad verzocht om onderzoek of andere bemoeienis met betrekking tot de omgangsregeling. De rechtbank verwijst naar en neemt over wat ten aanzien van die onderwerpen is opgenomen in die beschikking.
2.2.4.
Op 7 september 2023 heeft de raad zijn raadsrapport uitgebracht. De raad adviseert het verzoek van de man af te wijzen, tenzij de man alsnog bereid is mee te werken aan en traject bij het Omgangshuis (omgangsbegeleiding).
2.2.5.
Dictum
De rechtbank:
zaaknummer / rekestnummer: C/10/653993 / FA RK 23-1739
3.1.
beëindigt het gezamenlijk ouderlijk gezag en bepaalt dat het ouderlijk gezag over de minderjarige voortaan aan de vrouw toekomt;
3.2.
bepaalt dat van deze beslissing aantekening wordt gemaakt in het in artikel 1:244 BW genoemde openbare gezagsregister;
3.3.
verklaart deze beslissing tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
zaaknummer / rekestnummer: C/10/626621 / FA RK 21-7538
3.4.
wijzigt de bij beschikking van deze rechtbank van 5 juli 2022 gegeven beslissing van de regeling van de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken (nu: de regeling van de uitoefening van het omgangsrecht) in die zin dat er geen voorlopige omgangsregeling tussen de man en de minderjarige zal zijn;
3.5.
stelt vast dat partijen, te weten:
[vrouw01] ,
wonende [woonplaats01] , gemeente [gemeente01] ,
en
[man01] ,
wonende te [woonplaats02] , gemeente [gemeente01] ,
bij proces-verbaal van doorverwijzing zijn verwezen naar(De Rotterdamse omgangsbegeleiding voorziet blijkens haar folder in omgangsbegeleiding voor de duur van in beginsel maximaal zes maanden, overeenkomend met acht à negen contacten.) het hulpverleningstraject omgangsbegeleiding en dat het routeringspunt zorgt voor aanmelding bij de uitvoerende hulpverleningsinstantie;
3.6.
bepaalt dat partijen met behulp van dit hulpverleningstraject zich zullen inspannen dat de omgang tussen de man en de minderjarige wordt hersteld en dat zij afspraken zullen maken aan de hand waarvan de minderjarige onbelast omgang kan hebben met beide partijen;
3.7.
beveelt de griffier binnen twee dagen na heden een afschrift van deze beschikking naar het routeringspunt te versturen;
3.8.
bepaalt dat het routeringspunt vóór na te melden pro-formadatum het eindverslag van de hulpverleningsinstantie aan de rechtbank verzendt en daarvan gelijktijdig een kopie aan de raad voor de kinderbescherming verzendt, als het hulpverleningstraject niet of deels is geslaagd;
3.9.
beveelt de griffier na ontvangst van het eindverslag een kopie daarvan aan beide partijen en hun advocaten te versturen;
3.10.
verzoekt partijen, na ontvangst van het eindverslag van het hulpverleningstraject, binnen een termijn van twee weken schriftelijk hierop te reageren en hun proceswensen mee te delen;
3.11.
verklaart deze beslissing tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
3.12.
houdt iedere verdere beslissing ten aanzien van de omgangsregeling en de proceskosten aan tot
1 augustus 2024 PRO FORMA
.
Deze beschikking is gegeven door mr. H.C.A. de Groot, (kinder)rechter, en in het openbaar uitgesproken in aanwezigheid van mr. D. Mühlbacher, griffier, op 10 november 2023.
Tegen deze beschikking kan – voor zover er definitief is beslist – hoger beroep worden ingesteld bij het gerechtshof Den Haag. Het hoger beroep kan slechts worden ingesteld door een advocaat.
Door verzoeker en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden moet het hoger beroep worden ingesteld binnen drie maanden na de dag van de beschikking. Voor andere belanghebbenden geldt voor het instellen van hoger beroep een termijn van drie maanden na de betekening van de beschikking of nadat de beschikking hun op andere manier bekend is geworden.