Rechtspraak
Rechtbank Rotterdam
2023-12-20
ECLI:NL:RBROT:2023:12222
Civiel recht
Eerste aanleg - enkelvoudig
1,984 tokens
Inleiding
vonnis
RECHTBANK ROTTERDAM
Team handel en haven
zaaknummer / rolnummer: C/10/664207 / HA ZA 23-723
Vonnis van 20 december 2023
in de zaak van
de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
SLOBBE MEAT TRADING B.V.,
gevestigd te Den Haag,
eiseres,
advocaat mr. D.B. Dubach te Den Bosch,
tegen
de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
CHEN'S SAUZEN B.V.,
gevestigd te Bergschenhoek,
gedaagde,
advocaat mr. S.A.P. van den Berg te Den Haag.
Partijen worden hierna SMT en CS genoemd.
1De kern van het geschil
SMT heeft vlees verkocht en geleverd aan CS. CS heeft een groot deel van haar betalingsverplichtingen aan SMT niet voldaan, ook niet nadat zij verschillende betalingsregelingen met elkaar hebben getroffen. SMT vordert betaling van de openstaande facturen, wettelijke (handels)rente hierover en vergoeding van de buitengerechtelijk kosten en de proceskosten. CS heeft geen verweer gevoerd. De rechtbank zal de vorderingen van SMT toewijzen.
Procesverloop
2.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
de dagvaarding van 14 augustus 2023 met producties 1 tot en met 6; en
Feiten
3.1.
SMT drijft een onderneming die zich bezighoudt met de handel en verkoop van vlees, bestemd voor de horeca. SMT heeft in de periode van mei 2017 tot en met november 2018 vlees aan CS geleverd voor een totaalbedrag van € 137.200,52. De laatste factuur van SMT aan CS dateert van 30 november 2018.
3.2.
Omdat betalingen van CS uitbleven, hebben SMT en CS op zowel 3 januari als 24 juli 2019 een betalingsregeling getroffen. CS is de betalingsregelingen niet nagekomen.
3.3.
Later heeft CS nog enkele betalingen aan SMT gedaan. CS heeft tot op heden € 100.071,55 van het totaalbedrag van € 137.200,52 onbetaald gelaten.
Geschil
4.1.
SMT vordert dat de rechtbank CS bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, veroordeelt om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan SMT te betalen:
een bedrag in hoofdsom van € 100.071,55;
een bedrag van € 44.595,95 aan wettelijke handelsrente als bedoeld in artikel 6:119a Burgerlijk Wetboek (“BW”) over de hoofdsom vanaf 1 januari 2019 tot en met 1 augustus 2023, te vermeerderen met de wettelijke rente over de hoofdsom en de daarover verschuldigde rente voor zover er een jaar is verstreken vanaf 2 augustus 2023, tot en met de dag van volledige betaling;
een bedrag van € 1.775,00 aan buitengerechtelijke kosten; en
de proceskosten, de nakosten daaronder begrepen.
4.2.
SMT legt – verkort en zakelijk weergegeven – het volgende aan haar vordering ten grondslag.
SMT en CS hebben (een) koopovereenkomst(en) gesloten voor de levering van vlees aan CS door SMT. CS zou SMT een koopsom betalen voor het geleverde vlees binnen acht dagen na ontvangst van de factuur. SMT heeft geen volledige betaling van CS ontvangen ondanks herhaaldelijke verzoeken en meerdere betalingsregelingen. CS moet haar nog openstaande betalingsverplichting jegens SMT nakomen.
4.3.
CS heeft geen verweer gevoerd.
Beoordeling
Hoofdsom
5.1.
Voor de toewijsbaarheid van een vordering tot nakoming van een verbintenis uit een overeenkomst, moet sprake zijn van een overeenkomst en een daaruit voortvloeiende opeisbare verbintenis. Uit de onweersproken stellingen van SMT volgt dat SMT en CS een overeenkomst hebben gesloten en dat CS de daaruit voortvloeiende koopprijs nog niet volledig aan SMT heeft voldaan. CS is daarom gehouden het restant van de koopprijs van € 100.071,55 nog aan SMT te voldoen. De rechtbank zal de vordering tot betaling van de hoofdsom daarom toewijzen.
Wettelijke handelsrente (artikel 6:119a BW)
5.2.
De door SMT gevorderde wettelijke handelsrente als bedoeld in artikel 6:119a BW zal worden toegewezen als gevorderd. De vordering strekt namelijk tot nakoming van een primaire betalingsverbintenis op grond van een handelsovereenkomst in de zin van artikel 6:119a BW. SMT heeft onweersproken gesteld dat CS niet binnen de overeengekomen en op de factuur vermelde termijn van acht dagen heeft betaald. Over de laatste factuur van 30 november 2018 kan daarom vanaf 9 december 2018 wettelijke handelsrente worden gevorderd. SMT vordert de wettelijke handelsrente pas vanaf 1 januari 2019 en doet dit alleen over het gedeelte van de hoofdsom dat nu nog openstaat. Daardoor doen de door CS na 1 januari 2019 verrichte betalingen hier niet aan af.
5.3.
SMT vordert daarnaast de wettelijke rente over de hoofdsom en de daarover verschuldigde rente voor zover er een jaar is verstreken vanaf 2 augustus 2023. De rechtbank begrijpt deze vordering aldus dat SMT de wettelijke handelsrente vordert over de hoofdsom en over het in 5.2 genoemde bedrag aan rente met inachtneming van artikel 6:119a lid 3 BW. Deze vordering is toewijsbaar.
Buitengerechtelijke incassokosten
5.4.
SMT heeft gesteld buitengerechtelijke kosten als bedoeld te hebben gemaakt. Voor toewijzing van de buitengerechtelijke kosten in artikel 6:96 lid 2 sub c BW dient te worden voldaan aan het vereiste dat alleen redelijke kosten die in redelijkheid zijn gemaakt kunnen worden toegewezen. Uit de onweersproken stellingen van SMT en de door haar overgelegde stukken is het de rechtbank gebleken dat aan dit vereiste is voldaan. De rechtbank zal de gevorderde vergoeding van buitengerechtelijke kosten daarom toewijzen.
Proceskosten
5.5.
CS is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskoten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van SMT worden begroot op:
- dagvaarding € 109,33
- griffierecht € 5.737,00
- salaris advocaat € 1.880,00 (1 punt × tarief V)
- nakosten € 173,00 (plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)
Totaal € 7.899,33
Dictum
De rechtbank
6.1.
veroordeelt CS om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan SMT te betalen een bedrag van € 100.071,55;
6.2.
veroordeelt CS om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan SMT te betalen een bedrag van € 44.595,95 aan wettelijke handelsrente over de hoofdsom van 1 januari 2019 tot en met 1 augustus 2023;
6.3.
veroordeelt CS tegen behoorlijk bewijs van kwijting in de wettelijke handelsrente over de hoofdsom en het in 6.2 bedoelde bedrag voor zover er een jaar is verstreken vanaf 2 augustus 2023 tot en met de dag van volledige betaling, een en ander met in achtneming van artikel 6:119a lid 3 BW;
6.4.
veroordeelt CS om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan SMT te betalen een bedrag van € 1.775,00 aan buitengerechtelijke kosten;
6.5.
veroordeelt CS tegen behoorlijk bewijs van kwijting in de proceskosten, aan de zijde van SMT tot op heden begroot op € 7.899,33, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe; als CS niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend, dan moet CS € 90,00 extra betalen, plus de kosten van betekening; en
6.6.
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. Th. Veling en in het openbaar uitgesproken op 20 december 2023.
[3718/1451/1980]