Rechtspraak
Rechtbank Rotterdam
2023-12-19
ECLI:NL:RBROT:2023:12101
Civiel recht; Arbeidsrecht
Beschikking
6,764 tokens
Inleiding
RECHTBANK ROTTERDAM
locatie Rotterdam
zaaknummer: 10709152 VZ VERZ 23-8992
datum uitspraak: 19 december 2023
Beschikking van de kantonrechter
in de zaak van:
[verzoekster]
,
woonplaats: [woonplaats 1],
verzoekster,
gemachtigde: mr. H.E. Borgman.
tegen
[verweerder], die handelt onder de naam [handelsnaam],
woonplaats: [woonplaats 2],
verweerder,
die niet is verschenen.
De partijen worden ‘[verzoekster]’ en ‘[verweerder]’ genoemd.
Procesverloop
1.1.
Het dossier bestaat uit de volgende processtukken:
het verzoekschrift, met bijlagen, dat op 15 september 2023 op de rechtbank is ontvangen;
het oproepingsexploot van 20 november 2023, waarbij het verzoekschrift aan [verweerder] is betekend en [verweerder] is opgeroepen om op 5 december 2023 bij de mondelinge behandeling te verschijnen.
1.2.
Op 5 december 2023 is de zaak tijdens een mondelinge behandeling besproken. Daarbij was [verzoekster] aanwezig, bijgestaan door haar gemachtigde mr. H.E. Borgman. [verweerder] is niet op de zitting verschenen.
Beoordeling
Wat is de kern van de zaak?
2.1.
[verzoekster] (35 jaar oud) werkt sinds 10 november 2022 als administratief medewerker bij [verweerder]. Het loon van [verzoekster] bedraagt € 1.400,- per vier weken, exclusief 8% vakantietoeslag. In de arbeidsovereenkomst is bepaald dat [verzoekster] als werkneemster valt onder de verplichte pensioenregeling van BpfBOUW. [verzoekster] verzoekt in deze procedure aan de kantonrechter om de arbeidsovereenkomst tussen partijen te ontbinden. De reden hiervan is dat zij vindt dat de arbeidsverhouding duurzaam is verstoord, waarvoor [verweerder] als werkgever een ernstig verwijt gemaakt kan worden. Volgens [verzoekster] heeft zij sinds aanvang van de arbeidsovereenkomst geen loon ontvangen en is zij niet door [verweerder] als werkneemster aangemeld bij het UWV en het pensioenfonds, waardoor er geen ziektewetpremies en pensioenpremies zijn afgedragen. [verzoekster] verzoekt daarnaast om [verweerder] te veroordelen het loon vanaf 10 november 2022 inclusief vakantiegeld met de wettelijke verhoging te betalen en daarnaast de transitievergoeding en een billijke vergoeding van € 5.000,-, met de rente over alle genoemde bedragen. Ten slotte verzoekt [verzoekster] te bepalen dat [verweerder] de pensioenpremies vanaf 10 november 2022 aan het pensioenfonds afdraagt, salarisspecificaties vanaf 10 november 2022 verstrekt en binnen 30 dagen na het einde van de arbeidsovereenkomst een correcte eindafrekening verstrekt, dit alles op straffe van een dwangsom. [verweerder] heeft geen verweer gevoerd tegen de verzoeken van [verzoekster].
2.2.
De kantonrechter wijst alle verzoeken van [verzoekster] toe, waaronder de ontbinding van de arbeidsovereenkomst per 1 februari 2024. Hierna wordt uitgelegd hoe de kantonrechter tot dit oordeel komt.
Tegen [verweerder] wordt verstek verleend
2.3.
Het verzoekschrift is per deurwaardersexploot aan het zaakadres van [verweerder] betekend, waarbij [verweerder] ook is opgeroepen bij de mondelinge behandeling van 5 december 2023 te verschijnen. Omdat [verweerder] niet op de zitting is verschenen en bij het uitbrengen van het exploot alle wettelijke termijnen en formaliteiten in acht zijn genomen, wordt tegen [verweerder] verstek verleend.
De arbeidsovereenkomst wordt ontbonden wegens een verstoorde arbeidsverhouding
2.4.
[verzoekster] heeft onbetwist gesteld dat zij al sinds het begin van de arbeidsovereenkomst op 10 november 2022 geen loon en vakantiegeld heeft ontvangen en dat [verweerder] [verzoekster] niet als werkneemster heeft aangemeld bij het UWV en het pensioenfonds. Gebleken is dat [verzoekster] [verweerder] meerdere keren heeft aangeschreven om zijn verplichtingen na te komen maar dat [verweerder] tot op heden geen enkele medewerking heeft verleend. Daarnaast is onbetwist gesteld dat tussen [verzoekster] en [verweerder] al snel na het begin van de arbeidsovereenkomst spanningen zijn ontstaan, waardoor de affectieve relatie, die partijen hadden, in april 2023 tot een einde is gekomen. Naar het oordeel van de kantonrechter is uit deze omstandigheden - en met name het handelen van [verweerder] - voldoende komen vast te staan dat de vertrouwensbasis is komen te vervallen, die noodzakelijk is om in de toekomst nog vruchtbaar te kunnen samenwerken. Zeker nu niet gebleken is dat [verweerder] na zijn
e-mail van 27 juni 2023 nog op enige wijze contact met [verzoekster] heeft opgenomen, valt redelijkerwijs niet te verwachten dat de arbeidsovereenkomst in de toekomst nog kan worden voortgezet.
2.5.
Uit het bovenstaande volgt dan ook in voldoende mate dat de verhouding tussen [verzoekster] en [verweerder] zodanig ernstig en duurzaam is verstoord dat herstel van de arbeidsrelatie niet meer mogelijk is. Herplaatsing behoort, gelet op de zeer geringe omvang van de onderneming van [verweerder], niet tot de mogelijkheden. De kantonrechter zal de arbeidsovereenkomst daarom op grond van artikel 7:669 lid 3 sub g BW ontbinden.
2.6.
De arbeidsovereenkomst wordt ontbonden per 1 februari 2024. Dat is de datum waarop de arbeidsovereenkomst bij regelmatige opzegging, rekening houdend met de geldende opzegtermijn van één maand (artikel 7:672 lid 4 BW), zou zijn geëindigd.
[verweerder] moet het loon vanaf 10 november 2022 en het vakantiegeld aan [verzoekster] betalen
2.7.
Als niet weersproken is komen vast te staan dat [verzoekster] vanaf 10 november 2022 (het begin van de arbeidsovereenkomst) geen loon heeft ontvangen en ook geen vakantiegeld aan haar is uitbetaald. Het verzoek van [verzoekster] om [verweerder] te veroordelen het verschuldigde loon vanaf 10 november 2022, vermeerderd met 8% vakantietoeslag, en het vakantiegeld aan [verzoekster] te betalen, wordt dan ook toegewezen. Omdat [verzoekster] per 3 mei 2023 - en tot op heden - arbeidsongeschikt is, moet [verweerder] vanaf die datum 70% van het loon aan [verzoekster] betalen (artikel 7:629 lid 1 BW). De wettelijke rente over het achterstallige loon en vakantiegeld wordt toegewezen, op de wijze zoals hierna bij de beslissing vermeld.
[verweerder] moet de wettelijke verhoging aan [verzoekster] betalen
2.8.
Omdat [verweerder] vanaf het begin van de arbeidsovereenkomst geen enkele maal het verschuldigde loon aan [verzoekster] heeft betaald, heeft [verzoekster] op grond van artikel 7:625 lid 1 BW recht op de wettelijke verhoging van 50% over het achterstallige loon. Dat geldt ook voor het niet betaalde vakantiegeld. De kantonrechter ziet onder de gegeven omstandigheden geen aanleiding de wettelijke verhoging te matigen, zodat ook dit deel van het verzoek wordt toegewezen. De wettelijke rente over de wettelijke verhoging is ook toewijsbaar, op de wijze zoals hierna bij de beslissing vermeld.
[verweerder] moet een transitievergoeding van € 669,60 bruto aan [verzoekster] betalen
2.9.
Op grond van artikel 7:673 lid 1 sub b onder 2 BW is de werkgever een transitievergoeding aan de werknemer verschuldigd als de ontbinding van de arbeidsovereenkomst het gevolg is van ernstig verwijtbaar handelen van de werkgever. Daarvan is naar het oordeel van de kantonrechter in dit geval sprake. [verweerder] heeft in ernstige mate zijn verplichtingen uit de arbeidsovereenkomst geschonden door vanaf de indiensttreding van [verzoekster] geen enkele keer loon te betalen en [verzoekster] niet aan te melden bij het UWV en het pensioenfonds. Daarnaast is door [verzoekster] onweersproken gesteld dat [verweerder] ook de op hem rustende verplichtingen naar aanleiding van de arbeidsongeschiktheid van [verzoekster] niet is nagekomen, omdat van inschakeling van de arbodienst tot op heden niet is gebleken. [verweerder] heeft hiermee ernstig verwijtbaar gehandeld en heeft daarmee de verstoring van de arbeidsverhouding veroorzaakt.
2.10.
Het verzoek om [verweerder] te veroordelen tot betaling van een transitievergoeding wordt daarom toegewezen. Op basis van het loon en de duur van de arbeidsovereenkomst is de hoogte van de vergoeding € 669,90 bruto. Dit bedrag moet [verweerder] aan [verzoekster] betalen. De wettelijke rente over de transitievergoeding wordt toegewezen vanaf een maand na de dag waarop de arbeidsovereenkomst is geëindigd (artikel 7:686a lid 1 BW).
[verweerder] moet een billijke vergoeding van € 5.000,- bruto aan [verzoekster] betalen
2.11.
Omdat [verweerder] ernstig verwijtbaar heeft gehandeld, heeft [verzoekster] recht op een billijke vergoeding. De Hoge Raad heeft uitgangspunten gegeven voor het bepalen van de hoogte van de billijke vergoeding.
Dictum
De kantonrechter:
3.1.
ontbindt de arbeidsovereenkomst tussen partijen met ingang van 1 februari 2024;
3.2.
veroordeelt [verweerder] om aan [verzoekster] te betalen het verschuldigde loon van
€ 1.400,- bruto per vier weken, vermeerderd met 8% vakantietoeslag, over de periode van 10 november 2022 tot 3 mei 2023 en 70% van het verschuldigde loon van € 1.400,- bruto per vier weken, vermeerderd met 8% vakantietoeslag, over de periode van 3 mei 2023 tot 1 februari 2024, met de wettelijke rente zoals bedoeld in artikel 6:119 BW vanaf de respectievelijke data van opeisbaarheid tot de dag dat volledig is betaald;
3.3.
veroordeelt [verweerder] om aan [verzoekster] te betalen het netto-equivalent van het bruto vakantiegeld over de periode van 10 november 2022 tot en met 30 juni 2023, met de wettelijke rente zoals bedoeld in artikel 6:119 BW vanaf de datum van opeisbaarheid tot de dag dat volledig is betaald;
3.4.
veroordeelt [verweerder] om aan [verzoekster] te betalen de wettelijke verhoging van 50% in de zin van artikel 7:625 BW over de dagen en maanden dat [verweerder] het bij 3.2 genoemde loon en het bij 3.3 genoemde vakantiegeld niet tijdig heeft voldaan, met de wettelijke rente zoals bedoeld in artikel 6:119 BW vanaf de respectievelijke data van opeisbaarheid tot de dag dat volledig is betaald;
3.5.
veroordeelt [verweerder] om aan [verzoekster] te betalen een transitievergoeding van
€ 669,90 bruto, met de wettelijke rente zoals bedoeld in artikel 6:119 BW over dat bedrag vanaf een maand na de dag waarop de arbeidsovereenkomst is geëindigd tot de dag dat volledig is betaald;
3.6.
veroordeelt [verweerder] om aan [verzoekster] te betalen een billijke vergoeding van
€ 5.000,- bruto;
3.7.
veroordeelt [verweerder] om de op grond van de arbeidsovereenkomst en de pensioenregeling voor [verzoekster] verschuldigde pensioenpremies over de periode van 10 november 2022 tot 1 februari 2024 aan BpfBOUW af te dragen, op straffe van een dwangsom van € 100,00 voor iedere dag dat [verweerder] daaraan - vanaf vijf dagen na vandaag - niet voldoet, waarbij [verweerder] maximaal een bedrag van € 5.000,- aan dwangsommen zal kunnen verbeuren;
3.8.
veroordeelt [verweerder] om aan [verzoekster] te verstrekken de salarisspecificaties vanaf november 2022, waarin de betalingen van de in 3.2, 3.3 en 3.7 genoemde bedragen zijn verwerkt, op straffe van een dwangsom van € 100,00 voor iedere dag dat [verweerder] daaraan - vanaf vijf dagen na vandaag - niet voldoet, waarbij [verweerder] maximaal een bedrag van
€ 1.000,- aan dwangsommen zal kunnen verbeuren;
3.9.
veroordeelt [verweerder] om binnen dertig dagen na het einde van de arbeidsovereenkomst aan [verzoekster] te verstrekken en te betalen een correcte eindafrekening (van openstaande vakantiedagen, vanaf 1 juli 2023 ingehouden vakantiegeld, billijke vergoeding, transitievergoeding, wettelijke verhoging, wettelijke rente), op straffe van een dwangsom van € 100,00 voor iedere dag dat [verweerder] daaraan - na voornoemde termijn van dertig dagen - niet voldoet, waarbij [verweerder] maximaal een bedrag van € 1.000,- aan dwangsommen zal kunnen verbeuren;
3.10.
veroordeelt [verweerder] in de proceskosten, rechtstreeks te betalen aan de gemachtigde van [verzoekster], die aan de kant van [verzoekster] tot vandaag worden vastgesteld op
€ 615,-;
3.11.
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad;
3.12.
wijst al het andere af.
Deze beschikking is gegeven door mr. F. Aukema-Hartog en in het openbaar uitgesproken.
44487
Inleiding
RECHTBANK ROTTERDAM
locatie Rotterdam
zaaknummer: 10709152 VZ VERZ 23-8992
datum uitspraak: 19 december 2023
Beschikking van de kantonrechter
in de zaak van:
[verzoekster]
,
woonplaats: [woonplaats 1],
verzoekster,
gemachtigde: mr. H.E. Borgman.
tegen
[verweerder], die handelt onder de naam [handelsnaam],
woonplaats: [woonplaats 2],
verweerder,
die niet is verschenen.
De partijen worden ‘[verzoekster]’ en ‘[verweerder]’ genoemd.
Procesverloop
1.1.
Het dossier bestaat uit de volgende processtukken:
het verzoekschrift, met bijlagen, dat op 15 september 2023 op de rechtbank is ontvangen;
het oproepingsexploot van 20 november 2023, waarbij het verzoekschrift aan [verweerder] is betekend en [verweerder] is opgeroepen om op 5 december 2023 bij de mondelinge behandeling te verschijnen.
1.2.
Op 5 december 2023 is de zaak tijdens een mondelinge behandeling besproken. Daarbij was [verzoekster] aanwezig, bijgestaan door haar gemachtigde mr. H.E. Borgman. [verweerder] is niet op de zitting verschenen.
Beoordeling
Wat is de kern van de zaak?
2.1.
[verzoekster] (35 jaar oud) werkt sinds 10 november 2022 als administratief medewerker bij [verweerder]. Het loon van [verzoekster] bedraagt € 1.400,- per vier weken, exclusief 8% vakantietoeslag. In de arbeidsovereenkomst is bepaald dat [verzoekster] als werkneemster valt onder de verplichte pensioenregeling van BpfBOUW. [verzoekster] verzoekt in deze procedure aan de kantonrechter om de arbeidsovereenkomst tussen partijen te ontbinden. De reden hiervan is dat zij vindt dat de arbeidsverhouding duurzaam is verstoord, waarvoor [verweerder] als werkgever een ernstig verwijt gemaakt kan worden. Volgens [verzoekster] heeft zij sinds aanvang van de arbeidsovereenkomst geen loon ontvangen en is zij niet door [verweerder] als werkneemster aangemeld bij het UWV en het pensioenfonds, waardoor er geen ziektewetpremies en pensioenpremies zijn afgedragen. [verzoekster] verzoekt daarnaast om [verweerder] te veroordelen het loon vanaf 10 november 2022 inclusief vakantiegeld met de wettelijke verhoging te betalen en daarnaast de transitievergoeding en een billijke vergoeding van € 5.000,-, met de rente over alle genoemde bedragen. Ten slotte verzoekt [verzoekster] te bepalen dat [verweerder] de pensioenpremies vanaf 10 november 2022 aan het pensioenfonds afdraagt, salarisspecificaties vanaf 10 november 2022 verstrekt en binnen 30 dagen na het einde van de arbeidsovereenkomst een correcte eindafrekening verstrekt, dit alles op straffe van een dwangsom. [verweerder] heeft geen verweer gevoerd tegen de verzoeken van [verzoekster].
2.2.
De kantonrechter wijst alle verzoeken van [verzoekster] toe, waaronder de ontbinding van de arbeidsovereenkomst per 1 februari 2024. Hierna wordt uitgelegd hoe de kantonrechter tot dit oordeel komt.
Tegen [verweerder] wordt verstek verleend
2.3.
Het verzoekschrift is per deurwaardersexploot aan het zaakadres van [verweerder] betekend, waarbij [verweerder] ook is opgeroepen bij de mondelinge behandeling van 5 december 2023 te verschijnen. Omdat [verweerder] niet op de zitting is verschenen en bij het uitbrengen van het exploot alle wettelijke termijnen en formaliteiten in acht zijn genomen, wordt tegen [verweerder] verstek verleend.
De arbeidsovereenkomst wordt ontbonden wegens een verstoorde arbeidsverhouding
2.4.
[verzoekster] heeft onbetwist gesteld dat zij al sinds het begin van de arbeidsovereenkomst op 10 november 2022 geen loon en vakantiegeld heeft ontvangen en dat [verweerder] [verzoekster] niet als werkneemster heeft aangemeld bij het UWV en het pensioenfonds. Gebleken is dat [verzoekster] [verweerder] meerdere keren heeft aangeschreven om zijn verplichtingen na te komen maar dat [verweerder] tot op heden geen enkele medewerking heeft verleend. Daarnaast is onbetwist gesteld dat tussen [verzoekster] en [verweerder] al snel na het begin van de arbeidsovereenkomst spanningen zijn ontstaan, waardoor de affectieve relatie, die partijen hadden, in april 2023 tot een einde is gekomen. Naar het oordeel van de kantonrechter is uit deze omstandigheden - en met name het handelen van [verweerder] - voldoende komen vast te staan dat de vertrouwensbasis is komen te vervallen, die noodzakelijk is om in de toekomst nog vruchtbaar te kunnen samenwerken. Zeker nu niet gebleken is dat [verweerder] na zijn
e-mail van 27 juni 2023 nog op enige wijze contact met [verzoekster] heeft opgenomen, valt redelijkerwijs niet te verwachten dat de arbeidsovereenkomst in de toekomst nog kan worden voortgezet.
2.5.
Uit het bovenstaande volgt dan ook in voldoende mate dat de verhouding tussen [verzoekster] en [verweerder] zodanig ernstig en duurzaam is verstoord dat herstel van de arbeidsrelatie niet meer mogelijk is. Herplaatsing behoort, gelet op de zeer geringe omvang van de onderneming van [verweerder], niet tot de mogelijkheden. De kantonrechter zal de arbeidsovereenkomst daarom op grond van artikel 7:669 lid 3 sub g BW ontbinden.
2.6.
De arbeidsovereenkomst wordt ontbonden per 1 februari 2024. Dat is de datum waarop de arbeidsovereenkomst bij regelmatige opzegging, rekening houdend met de geldende opzegtermijn van één maand (artikel 7:672 lid 4 BW), zou zijn geëindigd.
[verweerder] moet het loon vanaf 10 november 2022 en het vakantiegeld aan [verzoekster] betalen
2.7.
Als niet weersproken is komen vast te staan dat [verzoekster] vanaf 10 november 2022 (het begin van de arbeidsovereenkomst) geen loon heeft ontvangen en ook geen vakantiegeld aan haar is uitbetaald. Het verzoek van [verzoekster] om [verweerder] te veroordelen het verschuldigde loon vanaf 10 november 2022, vermeerderd met 8% vakantietoeslag, en het vakantiegeld aan [verzoekster] te betalen, wordt dan ook toegewezen. Omdat [verzoekster] per 3 mei 2023 - en tot op heden - arbeidsongeschikt is, moet [verweerder] vanaf die datum 70% van het loon aan [verzoekster] betalen (artikel 7:629 lid 1 BW). De wettelijke rente over het achterstallige loon en vakantiegeld wordt toegewezen, op de wijze zoals hierna bij de beslissing vermeld.
[verweerder] moet de wettelijke verhoging aan [verzoekster] betalen
2.8.
Omdat [verweerder] vanaf het begin van de arbeidsovereenkomst geen enkele maal het verschuldigde loon aan [verzoekster] heeft betaald, heeft [verzoekster] op grond van artikel 7:625 lid 1 BW recht op de wettelijke verhoging van 50% over het achterstallige loon. Dat geldt ook voor het niet betaalde vakantiegeld. De kantonrechter ziet onder de gegeven omstandigheden geen aanleiding de wettelijke verhoging te matigen, zodat ook dit deel van het verzoek wordt toegewezen. De wettelijke rente over de wettelijke verhoging is ook toewijsbaar, op de wijze zoals hierna bij de beslissing vermeld.
[verweerder] moet een transitievergoeding van € 669,60 bruto aan [verzoekster] betalen
2.9.
Op grond van artikel 7:673 lid 1 sub b onder 2 BW is de werkgever een transitievergoeding aan de werknemer verschuldigd als de ontbinding van de arbeidsovereenkomst het gevolg is van ernstig verwijtbaar handelen van de werkgever. Daarvan is naar het oordeel van de kantonrechter in dit geval sprake. [verweerder] heeft in ernstige mate zijn verplichtingen uit de arbeidsovereenkomst geschonden door vanaf de indiensttreding van [verzoekster] geen enkele keer loon te betalen en [verzoekster] niet aan te melden bij het UWV en het pensioenfonds. Daarnaast is door [verzoekster] onweersproken gesteld dat [verweerder] ook de op hem rustende verplichtingen naar aanleiding van de arbeidsongeschiktheid van [verzoekster] niet is nagekomen, omdat van inschakeling van de arbodienst tot op heden niet is gebleken. [verweerder] heeft hiermee ernstig verwijtbaar gehandeld en heeft daarmee de verstoring van de arbeidsverhouding veroorzaakt.
2.10.
Het verzoek om [verweerder] te veroordelen tot betaling van een transitievergoeding wordt daarom toegewezen. Op basis van het loon en de duur van de arbeidsovereenkomst is de hoogte van de vergoeding € 669,90 bruto. Dit bedrag moet [verweerder] aan [verzoekster] betalen. De wettelijke rente over de transitievergoeding wordt toegewezen vanaf een maand na de dag waarop de arbeidsovereenkomst is geëindigd (artikel 7:686a lid 1 BW).
[verweerder] moet een billijke vergoeding van € 5.000,- bruto aan [verzoekster] betalen
2.11.
Omdat [verweerder] ernstig verwijtbaar heeft gehandeld, heeft [verzoekster] recht op een billijke vergoeding. De Hoge Raad heeft uitgangspunten gegeven voor het bepalen van de hoogte van de billijke vergoeding.
Dictum
De kantonrechter:
3.1.
ontbindt de arbeidsovereenkomst tussen partijen met ingang van 1 februari 2024;
3.2.
veroordeelt [verweerder] om aan [verzoekster] te betalen het verschuldigde loon van
€ 1.400,- bruto per vier weken, vermeerderd met 8% vakantietoeslag, over de periode van 10 november 2022 tot 3 mei 2023 en 70% van het verschuldigde loon van € 1.400,- bruto per vier weken, vermeerderd met 8% vakantietoeslag, over de periode van 3 mei 2023 tot 1 februari 2024, met de wettelijke rente zoals bedoeld in artikel 6:119 BW vanaf de respectievelijke data van opeisbaarheid tot de dag dat volledig is betaald;
3.3.
veroordeelt [verweerder] om aan [verzoekster] te betalen het netto-equivalent van het bruto vakantiegeld over de periode van 10 november 2022 tot en met 30 juni 2023, met de wettelijke rente zoals bedoeld in artikel 6:119 BW vanaf de datum van opeisbaarheid tot de dag dat volledig is betaald;
3.4.
veroordeelt [verweerder] om aan [verzoekster] te betalen de wettelijke verhoging van 50% in de zin van artikel 7:625 BW over de dagen en maanden dat [verweerder] het bij 3.2 genoemde loon en het bij 3.3 genoemde vakantiegeld niet tijdig heeft voldaan, met de wettelijke rente zoals bedoeld in artikel 6:119 BW vanaf de respectievelijke data van opeisbaarheid tot de dag dat volledig is betaald;
3.5.
veroordeelt [verweerder] om aan [verzoekster] te betalen een transitievergoeding van
€ 669,90 bruto, met de wettelijke rente zoals bedoeld in artikel 6:119 BW over dat bedrag vanaf een maand na de dag waarop de arbeidsovereenkomst is geëindigd tot de dag dat volledig is betaald;
3.6.
veroordeelt [verweerder] om aan [verzoekster] te betalen een billijke vergoeding van
€ 5.000,- bruto;
3.7.
veroordeelt [verweerder] om de op grond van de arbeidsovereenkomst en de pensioenregeling voor [verzoekster] verschuldigde pensioenpremies over de periode van 10 november 2022 tot 1 februari 2024 aan BpfBOUW af te dragen, op straffe van een dwangsom van € 100,00 voor iedere dag dat [verweerder] daaraan - vanaf vijf dagen na vandaag - niet voldoet, waarbij [verweerder] maximaal een bedrag van € 5.000,- aan dwangsommen zal kunnen verbeuren;
3.8.
veroordeelt [verweerder] om aan [verzoekster] te verstrekken de salarisspecificaties vanaf november 2022, waarin de betalingen van de in 3.2, 3.3 en 3.7 genoemde bedragen zijn verwerkt, op straffe van een dwangsom van € 100,00 voor iedere dag dat [verweerder] daaraan - vanaf vijf dagen na vandaag - niet voldoet, waarbij [verweerder] maximaal een bedrag van
€ 1.000,- aan dwangsommen zal kunnen verbeuren;
3.9.
veroordeelt [verweerder] om binnen dertig dagen na het einde van de arbeidsovereenkomst aan [verzoekster] te verstrekken en te betalen een correcte eindafrekening (van openstaande vakantiedagen, vanaf 1 juli 2023 ingehouden vakantiegeld, billijke vergoeding, transitievergoeding, wettelijke verhoging, wettelijke rente), op straffe van een dwangsom van € 100,00 voor iedere dag dat [verweerder] daaraan - na voornoemde termijn van dertig dagen - niet voldoet, waarbij [verweerder] maximaal een bedrag van € 1.000,- aan dwangsommen zal kunnen verbeuren;
3.10.
veroordeelt [verweerder] in de proceskosten, rechtstreeks te betalen aan de gemachtigde van [verzoekster], die aan de kant van [verzoekster] tot vandaag worden vastgesteld op
€ 615,-;
3.11.
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad;
3.12.
wijst al het andere af.
Deze beschikking is gegeven door mr. F. Aukema-Hartog en in het openbaar uitgesproken.
44487