Rechtspraak
Rechtbank Rotterdam
2023-12-21
ECLI:NL:RBROT:2023:11914
Bestuursrecht; Omgevingsrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
2,643 tokens
Inleiding
RECHTBANK ROTTERDAM
Bestuursrecht
zaaknummer: ROT 23/2400
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 21 december 2023 in de zaak tussen
[naam eiser 1] en [naam eiser 2], uit [plaatsnaam], eisers
en
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Albrandswaard
(gemachtigden: [naam 1] en [naam 2]).
Inleiding
Bij besluit van 27 juni 2022 (het primaire besluit) heeft verweerder bij eisers een dwangsom van € 5.000,- ingevorderd omdat eiseres niet binnen de daarvoor gestelde begunstigingstermijn hebben voldaan aan de last onder dwangsom die hen bij besluit van 7 februari 2022 is opgelegd. Eisers hebben tegen dit besluit bezwaar gemaakt.
Bij besluit van 8 maart 2023 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eisers ongegrond verklaard en het primaire besluit in stand gelaten.
Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
Eisers hebben een aanvullend stuk ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 8 december 2023. Eisers zijn in persoon verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigden.
Beoordeling
1. De rechtbank gaat uit van de volgende feiten.
1.1.
Op 3 augustus 2021 heeft een bouwinspecteur geconstateerd dat op het adres [adres] zonder omgevingsvergunning een overkapping en een schutting met poort zijn gebouwd. Eisers wonen op dit adres en zijn eigenaar van de woning. Het gaat om een schutting ter hoogte van de garage, met een hoogte van twee meter inclusief een portaal, een overkapping in de tuin en een schutting van twee meter hoog over een lengte van vijf meter langs de zijtuin en grenzend aan de openbare weg. Dit blijkt uit een rapport van bevinding van 4 augustus 2021 en daarbij gevoegde foto’s.
1.2.
Op 20 oktober 2021 heeft verweerder een voornemen tot het opleggen van een last onder dwangsom uitgebracht vanwege de op 3 augustus 2021 geconstateerde overtreding. Daarbij is een begunstigingstermijn gesteld van acht weken.
1.3.
Op 18 november 2021 heeft verweerder opnieuw een voornemen tot het opleggen van een last onder dwangsom uitgebracht vanwege de hiervoor genoemde overtreding waarbij een begunstigingstermijn is gesteld van acht weken.
1.4.
Op 3 januari 2022 hebben eisers een zienswijze ingediend naar aanleiding van het voornemen tot het opleggen van een last onder dwangsom. Daarin hebben ze gemeld dat ze op die datum tevens een omgevingsvergunning (ter legalisatie) hebben aangevraagd.
1.5.
Op 14 januari 2022 heeft een bouwinspecteur geconstateerd dat de overtreding niet binnen de in het voornemen van 18 november 2021 genoemde begunstigingstermijn ongedaan is gemaakt. Dit blijkt uit het rapport van bevinding van 14 januari 2022.
1.6.
Bij besluit van 7 februari 2022 (dwangsombesluit) heeft verweerder eisers een last onder dwangsom opgelegd waarin eisers worden gelast om binnen vier weken de overtreding te beëindigen en beëindigd te houden. In dat besluit staat dat eisers een dwangsom van € 5.000,- verbeuren wanneer niet binnen de daarvoor gestelde termijn aan de last wordt voldaan.
1.7.
Eisers hebben bij mail van 1 maart 2022 verweerder gevraagd de begunstigingstermijn te verlengen in verband met de aangevraagde vergunning. Bij besluit van 8 april 2022 heeft verweerder de begunstigingstermijn met twee weken opgeschort, ingaande op de dag na de verzenddatum van het besluit. Dit betekent dat eisers uiterlijk 22 april 2022 aan de last moesten voldoen.
1.8.
Op 26 april 2022 heeft een bouwinspecteur vastgesteld dat eisers niet binnen de (verlengde) begunstigingstermijn aan de last hebben voldaan, omdat de bouwinspecteur de volgende bouwwerken heeft geconstateerd: ter hoogte van de garage een schutting, met een hoogte van twee meter inclusief een portaal, een overkapping in de tuin en een schutting van twee meter hoog over een lengte van 5 meter. Dit is vastgesteld in een rapport van bevinding van 28 april 2022.
1.9.
Op 9 juni 2022 heeft verweerder een voornemen tot invordering van de dwangsom van € 5.000,- uitgebracht, omdat de bouwinspecteur op 28 april 2022 heeft vastgesteld dat eisers de overtreding niet binnen de daarvoor gestelde termijn hebben beëindigd. Met het primaire besluit van 27 juni 2022 heeft verweerder de dwangsom van € 5.000,- ingevorderd.
1.10.
Bij besluit van 5 juli 2022, verzonden 7 juli 2022, heeft verweerder eisers opnieuw een last onder dwangsom opgelegd, waarin staat dat eisers een dwangsom van € 7.500,- verbeuren wanneer niet binnen de daarvoor gestelde termijn aan de last wordt voldaan. Verweerder heeft op de zitting meegedeeld dat deze dwangsom niet zal worden ingevorderd.
2. Aan het bestreden besluit heeft verweerder, in navolging van het advies van de commissie bezwaarschriften, ten grondslag gelegd dat de last onder dwangsom van 7 februari 2022 in rechte vaststaat en dat op 26 april 2022 niet aan die last is voldaan. Het voldoen aan de last na de begunstigingstermijn of het gedeeltelijk uitvoeren van de last voor het verstrijken van de begunstigingstermijn zijn geen bijzondere omstandigheden op grond waarvan van invordering moet worden afgezien, aldus verweerder.
3. Eisers hebben aangevoerd dat verweerder ten onrechte tot invordering van de dwangsom is overgegaan, omdat zij niet wisten dat zij na 22 april 2022 in overtreding waren. Eisers hebben verzocht om verlenging van de begunstigingstermijn, omdat zij hebben getracht alsnog een omgevingsvergunning voor het plaatsen van de schutting te krijgen en het verwijderen van de schutting de nodige tijd vergt vanwege de stevige constructie ervan. Eisers dachten dat zij met het verwijderen van de schutting medio-eind mei/begin juni 2022 op tijd waren, omdat een reactie van verweerder op hun verzoek om verlenging van de begunstigingstermijn uitbleef. Eisers stellen dat zij het besluit van 8 april 2022 waarbij de begunstigingstermijn is verlengd en het voornemen tot invordering van 9 juni 2022 niet hebben ontvangen. Tot slot hebben eisers aangevoerd dat de opgelegde dwangsom moet worden gematigd, omdat de hoogte van deze dwangsom niet in verhouding staat tot de overtreding.
3.1.
Volgens vaste rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling), onder meer de uitspraak van 2 augustus 2023 (ECLI:NL:RVS:2023:2972), moet bij een besluit tot invordering van een verbeurde dwangsom aan het belang van de invordering een zwaarwegend gewicht worden toegekend. Een andere opvatting zou afdoen aan het gezag dat moet uitgaan van een besluit tot oplegging van een last onder dwangsom. Slechts in bijzondere omstandigheden kan geheel of gedeeltelijk van invordering worden afgezien.
3.2.
Bij het dwangsombesluit van 7 februari 2022 verweerder eisers gelast om binnen vier weken:
a. a) de schuttingen die het eigen terrein voor de garage omkaderen te verwijderen en verwijderd te houden;
b) de schuttingen vanaf de overkapping/schuur tot de voorkant van het perceel te verlagen tot maximaal één meter hoog of, als eisers dat niet wensen, een omgevingsvergunning aan te vragen voor afwijken van het bestemmingsplan;
c) de overkapping/schuur te verplaatsen naar gronden met de bestemming “Woondoeleinden” of, als eisers dat niet wensen, een omgevingsvergunning aan te vragen voor afwijken van het bestemmingsplan.
3.3.
Eisers hadden aanvankelijk tot 7 maart 2022 de tijd om de bouwwerken te verwijderen. Bij e-mail van 1 maart 2022 hebben eisers verweerder verzocht om de begunstigingstermijn op te schorten. Dit verzoek tot opschorting is gekoppeld aan een aanvraag om omgevingsvergunning die eisers op 3 januari 2022 hadden ingediend om een deel van de geconstateerde overtredingen te legaliseren: de overkapping en de schutting vanaf de overkapping tot de voorkant van het perceel. De aanvraag om omgevingsvergunning heeft geen betrekking op de schutting met poort ter hoogte van de garage, omdat verweerder in een telefonisch gesprek aan eisers heeft medegedeeld dat daarvoor geen omgevingsvergunning kon worden verleend. Deze schutting en poort staan weliswaar op de grond van eisers, maar de bestemming voor de inrit van de garage is openbare weg.
3.4.
Bij besluit van 8 april 2022 heeft verweerder de begunstigingstermijn verlengd tot uiterlijk 22 april 2022. Uit het rapport van bevinding van 28 april 2022 blijkt dat de bouwinspecteur heeft vastgesteld dat eisers op 26 april 2022 niet aan de last om de bouwwerken te verwijderen hebben voldaan. Nu eisers de bouwwerken niet vóór 22 april 2022 hebben verwijderd, is de dwangsom verbeurd en mocht verweerder tot invordering van de dwangsom overgaan.
3.5.
Eisers hebben medio-eind mei/begin juni 2022 de schutting en poort bij de garage weggehaald.
Dictum
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A. Dingemanse, rechter, in aanwezigheid van mr.S.L. Mehlbaum, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 21 december 2023.
De griffier is verhinderd de
uitspraak te ondertekenen.
griffier
Rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.