Rechtspraak
Rechtbank Rotterdam
2023-12-20
ECLI:NL:RBROT:2023:11911
Civiel recht; Verbintenissenrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
1,495 tokens
Inleiding
RECHTBANK ROTTERDAM
locatie Dordrecht
zaaknummer: 654936 HAZA 23-288
datum uitspraak: 20 december 2023
Vonnis
in de zaak van
[eiseres01] ,
woonplaats: [woonplaats01] ,
eiseres,
advocaat: mr. L.R.C. Serrarens,
tegen
[gedaagde01] .
,
vestigingsplaats: [vestigingsplaats01] , gemeente [gemeente01] ,
gedaagde,
die niet meer wordt bijgestaan door een advocaat.
De partijen worden hierna ‘ [eiseres01] ’ en ‘ [gedaagde01] ’ genoemd.
Procesverloop
1.1.
Het dossier bestaat uit de volgende processtukken:
de dagvaarding van 20 maart 2023, met acht bijlagen;
het antwoord;
de akte van [eiseres01] met nadere bijlagen 9, 10 en 11.
1.2.
Op 30 november 2023 is de zaak tijdens een mondelinge behandeling besproken. Daarbij was [eiseres01] aanwezig met mr. Serrarens en mr. D. Brecht. Namens [gedaagde01] is niemand verschenen. De advocaat van [gedaagde01] heeft zich op 27 oktober 2023 onttrokken.
Beoordeling
Kern van de zaak en conclusie
2.1.
[eiseres01] is samen met haar broers erfgenaam van de nalatenschap van de
heer [persoon01] . In de periode 2013 – 2015 heeft [persoon01] vier keer geld
geleend aan [gedaagde01] en/of aan [persoon02] in privé. Op 24 februari 2021 is [gedaagde01] in privé door deze rechtbank veroordeeld om lening 3 en 4 terug te betalen aan [persoon01] . Van geldlening 1 en 2 is in dat vonnis geoordeeld dat onvoldoende is uitgelegd waarom [gedaagde01] in privé als wederpartij moet worden aangemerkt. [persoon01] is inmiddels overleden. In deze zaak wordt [gedaagde01] – zoals gevorderd – veroordeeld om geldlening 1 en geldlening 2 (van € 20.000,00 en € 25.000,00) aan [eiseres01] terug te betalen, met rente. Het verweer van [gedaagde01] op verjaring slaagt namelijk niet. Hierna wordt uitgelegd hoe tot dit oordeel is gekomen.
Lening 1 en 2 met wederpartij [gedaagde01]
2.2.
[gedaagde01] erkent dat zij deze geldleningen op 26 maart 2013 met [persoon01] heeft gesloten. Volgens [gedaagde01] hoeft zij die niet meer terug te betalen, omdat de
vordering tot nakoming zou zijn verjaard.
Geen verjaring
2.3.
De vordering van [eiseres01] is niet verjaard. Het is juist dat een dergelijke
vordering verjaart vijf jaar nadat die opeisbaar is geworden (artikel 3:307 lid 1 BW).
[eiseres01] heeft echter onbetwist gesteld dat er in november 2015 een nadere afspraak is
gemaakt over betaling van de rente en aflossing. Deze afspraak is aan te merken als een
erkenning van de vordering door [gedaagde01] waardoor de verjaringstermijn is gestuit
(artikel 3:318 BW). De dagvaarding in de eerdere rechtszaak over de vier geldleningen dateert van 21 januari 2020. Dat is binnen de verjaringstermijn van vijf jaar gerekend vanaf mei 2016. Weliswaar is de eerdere dagvaarding uitgebracht aan [gedaagde01] in privé, maar die is ook de bestuurder van [gedaagde01] Gelet op de inhoud van die dagvaarding wordt dit stuitingsbericht daarom geacht (ook) [gedaagde01] te hebben bereikt en aan [gedaagde01] te zijn gericht. Bovendien blijkt uit de correspondentie tussen partijen dat [gedaagde01] de vordering in ieder geval in 2019 nogmaals heeft erkend. Daardoor was de verjaringstermijn ook al gestuit.
[gedaagde01] moet de leningen terugbetalen
2.4.
[gedaagde01] moet € 45.000,00 terug betalen. De hoogte van dat bedrag is niet
betwist.
Buitengerechtelijke incassokosten
2.5.
De incassokosten van € 1.225,00 worden toegewezen, omdat aan alle voorwaarden is voldaan om deze kosten vergoed te krijgen (artikel 6:96 BW).
Rente
2.6.
De rente wordt toegewezen. Het voorgaande betekent namelijk dat ook de rentevordering niet is verjaard. De hoogte van de rente van € 13.709,68 voor de periode van 18 juli 2013 tot en met 31 oktober 2015 is niet betwist en wordt toegewezen.
[gedaagde01] erkent dat er een nadere afspraak over de rente is gemaakt van € 200,00 per maand. Tijdens de zitting heeft [eiseres01] toegelicht dat de nieuwe afspraak inhield dat deze rente zou gelden als er ‘iets’ van de vier leningen open zou staan. De renteafspraak betekende dus niet dat er € 50,00 aan rente zou worden betaald per lening. Dat deze afspraak redelijk is, blijkt er volgens [eiseres01] uit dat het rentebedrag van € 500,00 naar € 200,00 is verlaagd. Van deze afspraak wordt uitgegaan, omdat namens [gedaagde01] niemand op de zitting aanwezig was en dit dus niet is weersproken. Daarom wordt ook de gevorderde rente van € 200,00 per maand vanaf 1 juli 2021 tot de dag van algehele voldoening toegewezen.
Proceskosten
2.7.
[gedaagde01] wordt in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten betalen (artikel 237 Rv). De rechter stelt deze kosten aan de kant van [eiseres01] tot vandaag vast op € 129,14 aan dagvaardingskosten, € 1.301,00 aan griffierecht, € 2.366,00 aan salaris voor de gemachtigde (2 punten x € 1.183,00) en € 173,00 aan nakosten. Dit is totaal € 3.969,14. Hier kan nog € 90,00 bij komen als de uitspraak wordt betekend. De wettelijke rente wordt toegewezen.
Uitvoerbaarheid bij voorraad
2.8.
Dit vonnis wordt uitvoerbaar bij voorraad verklaard (artikel 233 Rv).
Dictum
De rechter:
3.1.
veroordeelt [gedaagde01] om aan [eiseres01] te betalen € 58.709,68, vermeerderd met € 200,00 rente per maand vanaf 1 juli 2021 tot de dag dat het bedrag van € 58.709,68 volledig is betaald;
3.2.
veroordeelt [gedaagde01] om aan [eiseres01] te betalen € 1.225,00 aan buitengerechtelijke incassokosten;
3.3.
veroordeelt [gedaagde01] in de proceskosten, die aan de kant van [eiseres01] tot vandaag worden vastgesteld op € 3.969,14 met de wettelijke rente zoals bedoeld in artikel 6:119 BW over dat bedrag vanaf de vijftiende dag nadat dit vonnis is betekend tot de dag dat volledig is betaald;
3.4.
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad;
3.5.
wijst al het andere af.
Dit vonnis is gewezen door mr. P. Joele en in het openbaar uitgesproken.
2209