Rechtspraak
Rechtbank Rotterdam
2023-12-13
ECLI:NL:RBROT:2023:11696
Civiel recht; Verbintenissenrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
1,145 tokens
Inleiding
RECHTBANK ROTTERDAM
locatie Rotterdam
zaaknummer: 10606135 CV EXPL 23-19959
datum uitspraak: 8 december 2023
Vonnis van de kantonrechter
in de zaak van
[eiser01]
,
woonplaats [woonplaats01] ,
eiser,
gemachtigde: mr. H.E.C. Heijkoop - Otterman,
tegen
[gedaagde01] ,
woonplaats [woonplaats02] ,
gedaagde,
gemachtigde: mr. A.F.M. den Hollander.
Procesverloop
1.1.
Het dossier bestaat uit de volgende processtukken:
de dagvaarding van 30 juni 2023, met producties 1 tot en met 5;
het antwoord met een tegeneis, met 1 productie;
het antwoord op de tegeneis, met productie 6 tot en met 8.
1.2.
Op 8 november 2023 is de zaak tijdens een mondelinge behandeling besproken. Daarbij waren aanwezig: [eiser01] en [gedaagde01] en hun gemachtigden. [eiser01] is halverwege de mondelinge behandeling weggegaan. De tegeneis is op de mondelinge behandeling ingetrokken.
Beoordeling
Wat is de kern?
2.1.
[eiser01] is de oom van [gedaagde01] . [eiser01] wil dat [gedaagde01] € 9.178,08 aan hem betaalt. Hij zegt dat [gedaagde01] geld van zijn bankrekeningen heeft opgenomen en uitgegeven, waar hij geen recht op had. Hij wil ook dat [gedaagde01] over dit bedrag rente betaalt en incassokosten. [gedaagde01] zegt dat hij het geld waar hij geen recht op had, helemaal heeft terugbetaald.
Wat is er gebeurd?
2.2.
Tijdens de detentie van [eiser01] heeft [gedaagde01] twee bankrekeningen van [eiser01] in beheer gehad. Eén rekening stond op naam van [eiser01] (eindigend op nummer [nummer01] ) en één rekening op naam van [naam01] (eindigend op nummer [nummer02] ). [gedaagde01] had van beide rekeningen de gegevens voor internetbankieren en hij kon geld overmaken en opnemen. Van de rekening eindigend op [nummer01] had [gedaagde01] ook een pinpas. [gedaagde01] heeft geld naar zichzelf overgemaakt van de rekening eindigend op [nummer01] , met de pinpas uitgegeven in winkels/ eetzaken en contant geld opgenomen (€ 1.000,00 op 23 november 2020 en € 5.000,00 op 22 april 2021). Deze bedragen zijn dezelfde dag door [gedaagde01] overgemaakt van de rekening eindigend op [nummer02] naar de rekening eindigend op [nummer01] . Hij heeft in totaal
€ 6.676,08 teruggestort op de rekening eindigend op [nummer01] .
Mocht [gedaagde01] het geld besteden zoals hij heeft gedaan?
2.3.
Voor een deel is duidelijk dat [gedaagde01] geld heeft beheerd op een manier die niet was afgesproken. Geld overmaken naar zijn eigen rekening mocht niet. Dit gaat om een totaalbedrag van € 6.183,45. Maar [gedaagde01] heeft een bedrag van € 6.676,08 teruggestort, en dat is net iets meer dan wat hij heeft overgemaakt naar zichzelf.
2.4.
Voor de rest wordt uit de stellingen van [eiser01] niet duidelijk wat nu precies de afspraken waren over het beheren van de bankrekeningen.
In de dagvaarding staat dat [gedaagde01] ook geld heeft ‘aangewend ten behoeve van [eiser01] ’. [gedaagde01] zegt hierover dat hij soms spullen moest kopen en naar de PI moest brengen. Op de mondelinge behandeling heeft [eiser01] echter gezegd dat [gedaagde01] niets voor hem hoefde te kopen. En eerst heeft [eiser01] gezegd dat er geen afspraken waren over het beheer, en later dat [gedaagde01] € 15,00 per maand als zakgeld mocht houden en de rekeningen samen met de buurman moest beheren. Verder is pas op de mondelinge behandeling duidelijk geworden dat [eiser01] twee rekeningen had en dat [gedaagde01] toegang had tot beide rekeningen.
Het had op de weg van [eiser01] gelegen om concrete feiten en omstandigheden aan te voeren waaruit blijkt welke afspraken er nu precies met betrekking tot het beheer van beide rekeningen zijn gemaakt met [gedaagde01] en - in het verlengde daarvan - dat [gedaagde01] in strijd met deze afspraken heeft gehandeld. [eiser01] heeft dat niet gedaan; hij heeft zelfs wisselend verklaard over die afspraken. Dat brengt mee dat er (anders dan tijdens de mondelinge behandeling is besproken) voor het opdragen van het bewijs geen reden is en dat de vorderingen worden afgewezen.
Proceskosten
2.5.
[eiser01] krijgt ongelijk en moet daarom de proceskosten betalen (artikel 237 Rv). De kantonrechter stelt deze kosten aan de kant van [gedaagde01] tot vandaag vast op € 792,00 aan salaris voor de gemachtigde (2 punten x € 396,00).
Dictum
De kantonrechter:
3.1.
wijst de vorderingen af;
3.2.
veroordeelt [eiser01] in de proceskosten, die aan de kant van [gedaagde01] tot vandaag worden vastgesteld op € 792,00;
Dit vonnis is gewezen door mr. A. Lablans en in het openbaar uitgesproken.
60588