Rechtspraak
Rechtbank Rotterdam
2023-12-06
ECLI:NL:RBROT:2023:11511
Bestuursrecht; Belastingrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
1,074 tokens
Inleiding
RECHTBANK ROTTERDAM
Bestuursrecht
zaaknummer: ROT 22/5444
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 6 december 2023 in de zaak tussen
[naam eiser], te [plaatsnaam], eiser,
gemachtigde: mr. N.G.A. Voorbach,
en
de heffingsambtenaar van de gemeente Rotterdam, verweerder,
gemachtigden: [naam] en mr. D. El Manouzi.
Procesverloop
Verweerder heeft eiser bij beschikking van 20 juli 2022 een naheffingsaanslag in de parkeerbelastingen opgelegd. De naheffingsaanslag beloopt in totaal € 68,30, bestaande uit € 1,80 aan verschuldigde parkeerbelasting en € 66,50 aan kosten naheffing (vorderingsnummer [nummer])
Bij uitspraak op bezwaar van 29 augustus 2022 heeft verweerder het bezwaar toegewezen en de naheffingsaanslag uit coulance vernietigd.
Eiser heeft beroep ingesteld.
Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 23 november 2023.
De gemachtigde van eiser heeft voorafgaand aan de zitting de rechtbank bericht dat hij niet ter zitting zal verschijnen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigden.
Overwegingen
1. Verweerder heeft aan eiser een naheffingsaanslag opgelegd waarop staat vermeld dat op 8 juli 2022 om 11:50 uur een parkeercontroleur heeft geconstateerd dat de auto met kenteken [kenteken] stond geparkeerd op locatie Schiedamseweg te Rotterdam zonder dat (volledig) aan de betaalplicht is voldaan.
2. In geschil is of sprake is van procedurele gebreken, die maken, dat de rechtbank de zaak voor behandeling in bezwaar moet terugverwijzen naar verweerder. Eiser stelt, dat de uitspraak op bezwaar ten onrechte naar eiser zelf is gestuurd en niet naar de gemachtigde van eiser, ofschoon die destijds bij verweerder al wel bekend was. Voorts stelt eiser, dat verweerder ten onrechte geen hoorzitting heeft gehouden in deze zaak, terwijl geen van de in artikel 7, derde lid van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) gevallen waarin van het horen kan worden afgezien, zich voordeed. Tot slot stelt eiser de uitspraak op bezwaar niet te hebben ontvangen. Hij verzoekt om toekenning van een dwangsom, met wettelijke rente.
3. De rechtbank oordeelt als volgt. Verweerder erkent de uitspraak op bezwaar in eerste instantie (op 15 augustus 2022) alleen naar belanghebbende zelf te hebben gestuurd. Verweerder stelt dat de uitspraak op bezwaar op 11 oktober 2022 alsnog ook naar de gemachtigde van eiser is gestuurd. Vaststaat dat de gemachtigde van eiser bij het instellen van beroep (op 14 november 2022) als “productie I” de uitspraak op bezwaar heeft overgelegd. De uitspraak heeft gemachtigde dus bereikt en eiser is niet in zijn belangen geschaad, zoals onder meer blijkt uit het feit, dat tijdig beroep is ingesteld.
3.1.
De beroepsgrond dat eiser ten onrechte niet is gehoord faalt. Artikel 25, eerste lid van de Algemene wet inzake rijksbelastingen luidt: “In afwijking van artikel 7:2 van de Algemene wet bestuursrecht wordt de belanghebbende gehoord op zijn verzoek.” Eiser stelt niet en ook uit het dossier blijkt niet, dat eiser of zijn gemachtigde heeft verzocht om te worden gehoord.
3.2.
De vordering strekkende tot toewijzing van een dwangsom gebaseerd op het niet hebben ontvangen van die uitspraak door eiser faalt. Eiser voegt bij zijn beroep als “productie I” de uitspraak op bezwaar van 29 augustus 2022. Hieruit blijkt dat de gemachtigde beschikt over de uitspraak op bezwaar.
4. Het beroep is ongegrond.
5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Dictum
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. G.C.W. van der Feltz, rechter, in aanwezigheid van mr. H. Tchang, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 6 december 2023.
griffier rechter
Afschrift verzonden aan partijen op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij het gerechtshof Den Haag (team belastingrecht).