Rechtspraak
Rechtbank Rotterdam
2023-10-18
ECLI:NL:RBROT:2023:11248
Strafrecht
Eerste aanleg - meervoudig
2,727 tokens
Inleiding
Rechtbank Rotterdam
Team straf 3
Parketnummer: 10-152489-23
Parketnummers vordering TUL VV: 10-009520-23 en 10-201998-21
Datum uitspraak: 18 oktober 2023
Tegenspraak
Vonnis van de rechtbank Rotterdam, meervoudige kamer voor strafzaken, in de zaak tegen de verdachte:
[verdachte01] ,
geboren op [geboorteplaats01] (Nederlandse Antillen) op [geboortedatum01] 1966,
ingeschreven in de Basisregistratie Personen op het adres
[adres01] , [postcode01] [woonplaats01] ,
ten tijde van het onderzoek op de terechtzitting preventief gedetineerd
in de Penitentiaire Inrichting [naam PI01] ,
raadsman mr. R.I. Kool, advocaat in Maastricht.
1
Onderzoek op de terechtzitting
Gelet is op het onderzoek op de terechtzitting van 4 oktober 2023.
2
Tenlastelegging
Aan de verdachte is ten laste gelegd hetgeen is vermeld in de dagvaarding.
De tekst van de tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht.
3
Eis officier van justitie
De officier van justitie mr. W.A.J.A. Welten heeft gevorderd:
bewezenverklaring van het ten laste gelegde;
oplegging van de maatregel tot plaatsing in een inrichting voor stelselmatige daders (ISD-maatregel) voor de duur van twee jaren, zonder aftrek van voorarrest;
afwijzing van de vorderingen tot tenuitvoerlegging in de zaken met parketnummers
10-009520-23 en 10-201998-21.
4
Bewezenverklaring
In bijlage II heeft de rechtbank de inhoud van wettige bewijsmiddelen opgenomen, houdende voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden. Op grond daarvan is wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan op die wijze dat:
hij op 20 juni 2023 te Rotterdam met het oogmerk van
wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen boodschappen (ter waarde van
€ 128,45) toebehorende aan de Albert Heijn ( [adres02] ).
Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.
5
Strafbaarheid feit
Het bewezen feit levert op:
Diefstal
.
Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten. Het feit is dus strafbaar.
6
Strafbaarheid verdachte
Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.
Motivering
Algemene overweging
De maatregel die aan de verdachte wordt opgelegd, is gegrond op de ernst van het feit, de omstandigheden waaronder het feit is begaan en de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte. Daarbij wordt in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.
Feit waarop de maatregel is gebaseerd
De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan diefstal van boodschappen uit een winkel van Albert Heijn. Hij heeft daarmee aangetoond dat hij geen respect heeft voor andermans goederen en eigendom. Winkeldiefstallen zijn hinderlijke feiten die doorgaans overlast en schade opleveren voor de getroffen winkeliers en het daar werkzame personeel. De verdachte heeft zich daar niet om bekommerd en kennelijk uitsluitend oog gehad voor zijn eigen behoefte.
Persoonlijke omstandigheden van de verdachte
Strafblad
De rechtbank heeft acht geslagen op een uittreksel uit de justitiële documentatie van 29 augustus 2023, waaruit blijkt dat de verdachte veelvuldig is veroordeeld voor soortgelijke strafbare feiten.
Rapportages
Fivoor (behorend tot Stichting Verslavingsreclassering GGZ) heeft een rapport over de verdachte opgemaakt, gedateerd 28 september 2023. Dit rapport houdt onder meer het volgende in.
Tot september 2021 was de verdachte amper tot niet in beeld bij de reclassering. Dit jaar, vanuit detentie, toonde hij zich wel weer gemotiveerd en kreeg hij een kans in de vorm van een voorwaardelijke ISD-maatregel, maar opnieuw was hij bijna niet in beeld.
De verdachte krijgt hulp op verschillende praktische leefgebieden. De hulpverlening komt echter niet van de grond, omdat de verdachte zich niet aan afspraken houdt en onvoldoende in beeld is. De (forensische) hulpverlening heeft al jarenlang onvoldoende grip op de verdachte door gebrek aan motivatie en/of terugval in middelengebruik. De reclassering schat de kans op recidive, op basis van zijn delictverleden en de aanwezige problematiek op meerdere leefgebieden, hoog in. Meerdere reclasseringstrajecten met de daarbij ingezette hulpverlening hebben tot dusver niet tot blijvende gedragsverandering kunnen leiden. Interventies in een voorwaardelijk kader zijn in de optiek van de reclassering hierdoor onuitvoerbaar. Dit in combinatie met de problemen op meerdere leefgebieden en het hoge recidiverisico maakt dat een onvoorwaardelijke ISD-maatregel het meest passend wordt geacht.
Conclusie
Gelet op hetgeen de rechtbank hierboven heeft overwogen, komt zij tot de volgende conclusies.
De rechtbank stelt vast dat aan alle voorwaarden is voldaan voor het opleggen van de ISD-maatregel zoals bedoeld in artikel 38m van het Wetboek van Strafrecht. De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan een misdrijf waarvoor voorlopige hechtenis is toegelaten. De verdachte is volgens het uittreksel uit de justitiële documentatie in de vijf jaren voorafgaande aan het bewezen verklaarde feit ten minste driemaal tot een vrijheidsbenemende straf of een taakstraf veroordeeld. De desbetreffende vonnissen zijn onherroepelijk. Het onderhavige feit is begaan na tenuitvoerlegging van deze straffen. Er moet ernstig rekening mee worden gehouden dat de verdachte wederom een misdrijf zal begaan.
Met de reclassering is de rechtbank van oordeel dat oplegging van de ISD-maatregel is aangewezen. De rechtbank stelt vast dat de tot op heden aan de verdachte opgelegde straffen en voorwaardelijke ISD-maatregel er niet toe hebben geleid dat zijn criminele gedrag is geëindigd. In mei 2023 is aan hem de voorwaardelijke ISD-maatregel opgelegd en al in juni 2023 heeft de verdachte het feit gepleegd waarover het in deze zaak gaat. Gelet op de door de verdachte steeds weer veroorzaakte overlast en schade moet nu het belang van de samenleving voorop staan. De veiligheid van goederen vereist dat aan de verdachte de ISD-maatregel wordt opgelegd. De rechtbank neemt in aanmerking dat de maatregel er mede toe strekt de maatschappij te beveiligen en de recidive van verdachte te beëindigen.
De rechtbank acht het van groot belang dat voldoende tijd wordt genomen om de ISD-maatregel ten uitvoer te leggen. Daarom zal de rechtbank de maatregel voor de maximale termijn van twee jaren opleggen en de tijd die door verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis is doorgebracht niet in mindering brengen op de duur van de maatregel.
De verdediging heeft bepleit geen onvoorwaardelijke ISD-maatregel op te leggen, maar een gevangenisstraf gelijk aan het voorarrest van de verdachte. Deze afdoening doet geen recht aan het door de verdachte begane feit en het belang van de samenleving dat, zoals hiervoor overwogen, nu voorop moet staan. De verdachte heeft de in het verleden, ook recent nog, aan hem geboden kansen (in een minder stringent kader) niet benut. Daarbij ziet de rechtbank in een onvoorwaardelijke ISD-maatregel de enige mogelijkheid om een blijvende positieve gedragsverandering bij de verdachte te bewerkstelligen.
Alles afwegend acht de rechtbank de hierna te noemen maatregel passend en geboden.
8
Vordering tenuitvoerlegging
Vonnissen waarvan tenuitvoerlegging wordt gevorderd
Bij vonnis van 3 mei 2023 van de meervoudige kamer van deze rechtbank is de verdachte ter zake van diefstal veroordeeld tot een voorwaardelijke ISD-maatregel, met een proeftijd van twee jaren. De proeftijd is ingegaan op 18 mei 2023 en eindigt op 16 mei 2025.
Bij vonnis van 26 augustus 2021 van de politierechter in deze rechtbank is de verdachte ter zake van diefstal met geweld veroordeeld tot een gevangenisstraf van drie maanden, waarvan twee maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaren. De proeftijd is ingegaan op 10 september 2021 en eindigt op 30 januari 2024.
Beoordeling
Het hierboven bewezen verklaarde feit is na het wijzen van voormelde vonnissen en voor het einde van de proeftijden gepleegd. Door het plegen van het bewezen feit heeft de verdachte de aan die vonnissen verbonden algemene voorwaarde, dat hij voor het einde van de proeftijd geen nieuwe strafbare feiten zou plegen, niet nageleefd.
In beginsel kan daarom de tenuitvoerlegging van de voorwaardelijk opgelegde maatregel en straf worden gelast. Nu er een onvoorwaardelijke ISD-maatregel wordt opgelegd zal de rechtbank daarvan afzien.
De verdediging heeft bepleit om, bij oplegging van een onvoorwaardelijke ISD-maatregel, tevens de tenuitvoerlegging te gelasten van de opgelegde voorwaardelijke ISD-maatregel. Daar gaat de rechtbank niet in mee, omdat het gelijktijdig uitvoeren van twee identieke maatregelen onpraktisch en niet gewenst is. De voorwaardelijke ISD-maatregel blijft dus tot het einde van de daarbij opgelegde proeftijd boven het hoofd van de verdachte hangen.
9
Toepasselijke wettelijke voorschriften
Gelet is op de artikelen 38m, 38n en 310 van het Wetboek van Strafrecht.
10
Bijlagen
De in dit vonnis genoemde bijlagen maken deel uit van dit vonnis.
Dictum
De rechtbank:
verklaart bewezen, dat de verdachte het ten laste gelegde feit, zoals hiervoor omschreven, heeft begaan;
verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;
stelt vast dat het bewezen verklaarde oplevert het hiervoor vermelde strafbare feit;
verklaart de verdachte strafbaar;
gelast dat de verdachte wordt geplaatst in
een inrichting voor stelselmatige daders
voor de duur van
2 (twee) jaren;
wijst af de gevorderde tenuitvoerlegging van de bij vonnis van 3 mei 2023 van de meervoudige kamer van deze rechtbank aan de veroordeelde opgelegde voorwaardelijke ISD-maatregel (parketnummer 10-009520-23);
wijst af de gevorderde tenuitvoerlegging van de bij vonnis van 26 augustus 2021 van de politierechter in deze rechtbank aan de veroordeelde opgelegde voorwaardelijke gevangenisstraf (parketnummer 10-201998-21).
Dit vonnis is gewezen door mr. C. Vogtschmidt, voorzitter,
en mrs. I. Bouter en S. Zuidwijk, rechters,
in tegenwoordigheid van D.J. Boogert, griffier,
en uitgesproken op de openbare terechtzitting op de datum die in de kop van dit vonnis is vermeld.
De jongste rechter is buiten staat dit vonnis te ondertekenen.
Bijlage I
Tekst tenlastelegging
Aan de verdachte wordt ten laste gelegd
dat hij op of omstreeks 20 juni 2023 te Rotterdam met het oogmerk van
wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen boodschappen (ter waarde van € 128,45) toebehorende aan de Albert Heijn ( [adres02] ).