Rechtspraak
Rechtbank Rotterdam
2023-08-17
ECLI:NL:RBROT:2023:11224
Civiel recht; Insolventierecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
1,687 tokens
Inleiding
Rechtbank Rotterdam
Team insolventie
voorlopige voorziening ex artikel 287b Faillissementswet: toewijzing
toepassing schuldsaneringsregeling: niet-ontvankelijk
rekestnummers: [nummer01] – [nummer02]
uitspraakdatum: 17 augustus 2023
[verzoeker01]
,
wonende te [adres01]
[postcode01] [woonplaats01] ,
verzoeker.
Procesverloop
Verzoeker heeft op 20 juni 2023, met een verzoekschrift ex artikel 284 Faillissementswet (Fw), een verzoekschrift ex artikel 287b, eerste lid, Fw ingediend, waarin wordt gevraagd om een voorlopige voorziening bij voorraad.
In het vonnis van deze rechtbank van 20 juni 2023 heeft de rechtbank de behandeling van het verzoekschrift bepaald op 10 augustus 2023.
Ter zitting van 10 augustus 2023 zijn verschenen en gehoord:
verzoeker;
de heer [naam01] , werkzaam bij Kredietbank Rotterdam (hierna: SHV);
de heer mr. [naam02] , werkzaam bij Flanderijn, gemachtigde namens Stichting Woonbron, gevestigd te Rotterdam (hierna: verweerster).
De heer [naam02] heeft namens verweerster voorafgaand aan de zitting aan de rechtbank een verweerschrift toegezonden.
De rechtbank heeft de uitspraak bepaald op 17 augustus 2023.
2
Het verzoek
Het verzoek strekt ertoe op grond van artikel 287b, eerste lid, Fw, gedurende een termijn van zes maanden bij uitspraak een voorlopige voorziening te treffen en verweerster te verbieden het vonnis van de rechtbank Rotterdam van 20 januari 2023 tot ontruiming van de woonruimte van verzoeker ten uitvoer te leggen.
Ter zitting heeft verzoeker verklaard dat hij – als gevolg van miscommunicatie tussen de IND en de gemeente – gedurende één jaar geen Participatiewet (PW)-uitkering heeft ontvangen. Verzoeker heeft aangegeven dat hij tijdens die periode genoodzaakt was om financiële steun van anderen te verkrijgen om in zijn kosten van levensonderhoud te kunnen voorzien. Verzoeker heeft met terugwerkende kracht alsnog de PW-uitkering ontvangen, maar heeft daarmee degenen die hij om financiële steun had verzocht terugbetaald, en niet zijn verhuurder. Verder kon verzoeker de huur niet betalen omdat verzoeker nog geen huurtoeslag kreeg. Op dit moment ontvangt verzoeker zowel een PW-uitkering als huurtoeslag, waardoor hij de lopende huurtermijnen kan voldoen. Zo snel als mogelijk zal SHV voor verzoeker budgetbeheer opstarten.
3
Het verweer
Verweerster stelt zich – kort samengevat – op het standpunt dat het verzoek moet worden afgewezen. Zij heeft gesteld dat de lopende termijnen niet volledig en tijdig betaald worden en dat de huidige huurachterstand € 2.842,- bedraagt. In het vonnis van 20 januari 2023 is een maandelijkse betalingsregeling vastgelegd. Verzoeker heeft zich niet aan deze noch aan een latere betalingsregeling gehouden en heeft ook geen inzicht gegeven in zijn financiële situatie. Toewijzing van het verzoek zou ten aanzien van Woonbron onredelijk zijn. Daarnaast is ook onbekend op welke manier gewaarborgd blijft dat de lopende termijnen worden nagekomen. Ter zitting heeft verweerster bevestigd dat de huur voor juli en augustus 2023 tijdig is betaald.
Beoordeling
Allereerst dient te worden beoordeeld of sprake is van een bedreigende situatie zoals dwingend is voorgeschreven in artikel 287b, tweede lid, Fw. Nu verzoeker een kopie van het vonnis van de rechtbank Rotterdam van 20 januari 2023 tot ontruiming van de woonruimte van verzoeker en een kopie van het exploot van 24 mei 2023 heeft overgelegd waarin wordt aangekondigd dat verweerster op 21 juni 2023 zal overgaan tot ontruiming van de woning van verzoeker, is er naar het oordeel van de rechtbank sprake van een bedreigende situatie.
De wetgever heeft met een moratorium beoogd om een schuldenaar bij een – dreigende – executie een adempauze te bieden opdat de schuldenaar in staat wordt gesteld om met zijn schuldeisers een regeling van zijn schulden overeen te komen.
Artikel 287b Fw bevat geen criterium op grond waarvan kan worden beslist of de voorlopige voorziening dient te worden toegewezen dan wel afgewezen. De rechtbank zoekt daarom aansluiting bij de voorziening zoals genoemd in artikel 287, vierde lid, Fw waarbij een afweging dient plaats te vinden tussen het belang van verzoeker enerzijds en de schuldeiser, in dit geval verweerster, anderzijds.
Het belang van verzoeker bestaat erin dat hij in de huurwoning kan blijven wonen en dat het minnelijk schuldhulpverleningstraject door verzoeker kan worden doorlopen.
Het belang van verweerster bestaat erin dat zij het vonnis van de rechtbank Rotterdam van 20 januari 2023 ten uitvoer kan leggen.
Gezien het feit dat verzoeker momenteel een PW-uitkering en huurtoeslag ontvangt en de termijnen voor juli en augustus 2023 tijdig heeft betaald, is voldoende aannemelijk dat de lopende termijnen kunnen worden betaald. In september zal budgetbeheer zijn opgestart bij verzoeker, waardoor ook voldoende gewaarborgd wordt dat de termijnen tijdig zullen worden betaald. Tegen deze achtergrond dient het belang van verzoeker zwaarder te wegen dan het belang van verweerster.
De rechtbank acht termen aanwezig om ter zekerheid van de belangen van verweerster in het dictum een voorwaarde op te nemen. De verzochte voorziening zal onder de in het dictum genoemde voorwaarde worden toegewezen.
Nu het minnelijk traject naar verwachting niet op korte termijn zal zijn afgerond, zal verzoeker gelet op het bepaalde in artikel 285, eerste lid, sub f, in samenhang met artikel 287, tweede lid, Fw, ten aanzien van het verzoek tot toelating tot de schuldsaneringsregeling ex artikel 284, tweede lid, Fw, niet-ontvankelijk worden verklaard. Zo nodig kan verzoeker te zijner tijd een nieuw verzoek indienen.
Dictum
De rechtbank:
- schort de tenuitvoerlegging op van het op 20 januari 2023 op verzoek van verweerster uitgesproken vonnis van deze rechtbank tot ontruiming van de huurwoning van verzoeker gelegen aan de [adres01] te Rotterdam voor de duur van deze voorziening en verlengt de huurovereenkomst zoals deze tussen partijen bestaat of bestond voor de duur van deze voorziening;
- bepaalt dat de genoemde voorziening geldt voor de duur van zes maanden;
- bepaalt dat deze voorziening slechts geldt zolang de lopende termijnen gedurende deze periode tijdig worden voldaan;
- bepaalt dat SHV die namens verzoeker de buitengerechtelijke schuldregeling gaat uitvoeren, uiterlijk twee weken voor het aflopen van de getroffen voorziening verslag uitbrengt als bedoeld in artikel 287b, zesde lid, Fw;
- verklaart verzoeker niet-ontvankelijk in zijn verzoek ex artikel 284, tweede lid, Fw.
Dit vonnis is gewezen door mr. B.A. Cnossen, rechter, en in aanwezigheid van D. Kaymak, griffier, in het openbaar uitgesproken op 17 augustus 2023.