Rechtspraak
Rechtbank Rotterdam
2023-11-03
ECLI:NL:RBROT:2023:10735
Civiel recht; Verbintenissenrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
1,181 tokens
Inleiding
RECHTBANK ROTTERDAM
locatie Rotterdam
zaaknummer: 10600608 CV EXPL 23-19617
datum uitspraak: 3 november 2023
Vonnis van de kantonrechter
in de zaak van
[eiseres01]
woonplaats: [woonplaats01] ,
eiseres,
gemachtigde: mr. A.C. van ‘t Hek,
tegen
[gedaagde01] ,
woonplaats: [woonplaats02] ,
gedaagde,
die zelf procedeert.
De partijen worden hierna ‘ [eiseres01] ’ en ‘ [gedaagde01] ’ genoemd.
Procesverloop
1.1.
Het dossier bestaat uit de volgende processtukken:
de dagvaarding van 20 juni 2023, met bijlagen;
het antwoord.
1.2.
Op 5 oktober 2023 is de zaak tijdens een mondelinge besproken. Daarbij waren aanwezig: [eiseres01] , bijgestaan door [naam01] namens de gemachtigde, en [gedaagde01] .
Beoordeling
Waar gaat het om?
2.1.
Partijen hebben een relatie gehad en zijn nu uit elkaar. [eiseres01] stelt dat zij in totaal € 4.739,25 aan [gedaagde01] heeft geleend voor onder andere zijn levensonderhoud en het halen van een rijbewijs. Zij verwijst naar vijf schuldbekentenissen die door hem zijn getekend. [gedaagde01] heeft twee keer € 100,- betaald, maar is daarna gestopt met aflossen. [eiseres01] wil daarom dat [gedaagde01] wordt veroordeeld € 4.719,25 aan haar terug te betalen met rente kosten.
2.2.
[gedaagde01] bevestigt dat hij € 1.500,00 aan [eiseres01] moet terugbetalen, maar meer niet. De schuldbekentenissen heeft hij onder dwang getekend, anders zou hij uit huis worden gezet. [gedaagde01] woonde op dat moment in bij [eiseres01] en haar ouders.
2.3.
De eis van [eiseres01] wordt toegewezen. Hierna wordt uitgelegd waarom.
Dwingende bewijskracht schuldbekentenis
2.4.
Uitgangspunt is dat een onderhandse akte tussen partijen dwingend bewijs oplevert van de waarheid van de verklaring (artikel 157 lid 2 Rv). De door [gedaagde01] op 3 januari 2020 getekende schuldbekentenis waarin staat dat hij € 4.919,25 van [eiseres01] heeft geleend, is zo’n akte. In beginsel moet er van uit worden gegaan dat het juist is wat er in de akte staat en is het aan [gedaagde01] om tegenbewijs te leveren als hij meent dat dat niet het geval is (artikel 151 Rv).
2.5.
[gedaagde01] zal niet worden toegelaten om dit tegenbewijs te leveren. Hij heeft hiervoor onvoldoende gesteld. De enkele stelling dat hij het huis uit zou worden gezet als hij niet zou tekenen is onvoldoende. Ook als dit waar zou zijn, verklaart dat nog niet dat hij tot vijf keer toe een nieuwe schuldbekentenis heeft getekend, waarin telkens een hoger geleend bedrag stond vermeld. Verder blijkt niet dat [gedaagde01] toen hij niet langer bij de ouders van [eiseres01] woonde, heeft laten weten dat de schuldbekentenissen die hij getekend heeft niet klopten. Hij heeft dit ook niet laten weten toen hij aangaf bereid te zijn om met € 100,- per maand af te lossen (bijlage 3 bij de dagvaarding). De kantonrechter gaat er daarom vanuit dat het bedrag in de door [gedaagde01] getekende schuldbekentenis wel klopt. Omdat [gedaagde01] € 200,- heeft terugbetaald, wordt hij veroordeeld € 4.719,25 aan [eiseres01] te betalen.
Rente
2.6.
De rente wordt toegewezen, omdat [eiseres01] genoeg heeft gesteld waaruit volgt dat deze moet worden betaald en [gedaagde01] dat niet heeft betwist.
Proceskosten
2.7.
[gedaagde01] krijgt ongelijk en moet daarom de proceskosten betalen (artikel 237 Rv). De kantonrechter stelt deze kosten aan de kant van [eiseres01] tot vandaag vast op € 129,14 aan dagvaardingskosten, € 244,00 aan griffierecht en € 528,00 aan salaris voor de gemachtigde (2 punten x € 264,-). Dit is totaal € 901,14. Voor kosten die [eiseres01] maakt na deze uitspraak moet [gedaagde01] ook een bedrag betalen van € 132,00 (1/2 punt x € 264,00). Hier kan nog een bedrag bijkomen als de uitspraak wordt betekend. In dit vonnis hoeft hierover niet apart te worden beslist (ECLI:NL:HR:2022:853). De wettelijke rente wordt toegewezen.
Uitvoerbaarheid bij voorraad
2.8.
Dit vonnis wordt uitvoerbaar bij voorraad verklaard (artikel 233 Rv).
Dictum
De kantonrechter:
3.1.
veroordeelt [gedaagde01] om aan [eiseres01] te betalen € 4.719,25 met de wettelijke rente zoals bedoeld in artikel 6:119 BW over dit bedrag vanaf 30 september 2022 tot de dag dat volledig is betaald;
3.2.
veroordeelt [gedaagde01] in de proceskosten, die aan de kant van [eiseres01] tot vandaag worden vastgesteld op € 901,14 met de wettelijke rente zoals bedoeld in artikel 6:119 BW over dat bedrag vanaf de vijftiende dag na vandaag tot de dag dat volledig is betaald;
3.3.
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad;
3.4.
wijst al het andere af.
Dit vonnis is gewezen door mr. M. Fiege en in het openbaar uitgesproken.
43416