Rechtspraak
Rechtbank Rotterdam
2023-11-10
ECLI:NL:RBROT:2023:10666
Civiel recht; Verbintenissenrecht
Kort geding
4,969 tokens
Inleiding
vonnis
RECHTBANK ROTTERDAM
Team handel en haven
zaaknummer / rolnummer: C/10/666834 / KG ZA 23-911
Vonnis in kort geding van 10 november 2023
in de zaak van
1. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
INTEGRA ACTIVA B.V.
,
2. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
INTEGRA BEVEILIGING B.V.
,
3. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
INTEGRA SECURITY B.V.
,
allen gevestigd te Zwijndrecht,
eiseressen,
advocaten: mrs. H.W. Haksteeg en L.P.J. Krijgsman te Hardinxveld-Giessendam,
tegen
1. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
[gedaagde01]
,
gevestigd te [vestigingsplaats01] ,
2.
[gedaagde02]
,
wonende te [woonplaats01] ,
gedaagden,
advocaat mr. R. Willemsen te 's-Gravenhage.
Eiseressen worden hierna gezamenlijk Integra c.s. en ieder afzonderlijk Activa, Beveiliging en Security genoemd. Gedaagden worden hierna gezamenlijk [gedaagde01] c.s. en ieder afzonderlijk [gedaagde01] en [gedaagde02] genoemd.
Procesverloop
1.1.
Het dossier bestaat uit de volgende stukken:
de dagvaarding van 19 oktober 2023, met producties 1 tot en met 31;
de brief van 26 oktober 2023 namens [gedaagde01] c.s., met producties 1 tot en met 4;
de brief van 26 oktober 2023 namens Integra c.s., met producties 32 tot en met 35;
de pleitnota van mr. Haksteeg;
de pleitaantekeningen van mr. Willemsen.
1.2.
Op 27 oktober 2023 heeft de mondelinge behandeling plaatsgevonden.
Feiten
2.1.
Activa is opgericht op 27 augustus 2003. De aandeelhouders van Activa zijn Socio Investments N.V. (hierna: Socio) voor 60% en [gedaagde01] voor 40%. De UBO van Socio is de heer [naam01] . De eigenaar van [gedaagde01] is [gedaagde02] .
2.2.
Activa staat aan het hoofd van de ‘Integra Groep’. Activa heeft meerdere dochtervennootschappen, waaronder Beveiliging en Security.
2.3.
De statutair bestuurders van Activa en Beveiliging zijn [gedaagde01] en RP Holding B.V. (hierna: RP Holding). De statutair bestuurders van Security zijn [gedaagde02] en RP Holding.
2.4.
De aandeelhouder van RP Holding is [naam02] , de zoon van [naam01] .
2.5.
In de statuten van Activa staat – voor zover hier van belang – het volgende:
“Artikel 12
1. De vennootschap wordt bestuurd door een directie bestaande uit een of meer directeuren.
(…)
3. De algemene vergadering van aandeelhouders stelt de beloning en de verdere arbeidsvoorwaarden van ieder der directeuren vast.
4. De directeuren worden door de algemene vergadering van aandeelhouders benoemd.
5. De directeuren kunnen te allen tijde door de algemene vergadering van aandeelhouders worden geschorst en ontslagen.
Terzake van schorsing of ontslag van directeuren besluit de algemene vergadering van aandeelhouders met een meerderheid van tenminste twee derde van de uitgebrachte stemmen vertegenwoordigende meer dan de helft van het geplaatste kapitaal.
(…)
Artikel 17
(…)
3. Alle besluiten worden genomen met een meerderheid van ten minste drie/vierde van de uitgebrachte stemmen in een algemene vergadering van aandeelhouders waarin ten minste twee/derde van het geplaatste aandelenkapitaal vertegenwoordigd is, voorzover in de wet of deze statuten geen grotere meerderheid is voorgeschreven.
Is dit gedeelte van het kapitaal niet vertegenwoordigd, wordt een nieuwe vergadering bijeengeroepen, te houden binnen een maand na de eerste, maar niet eerder dan vijftien dagen daarna, waarin het besluit kan worden genomen, onafhankelijk van het op deze vergadering vertegenwoordigd gedeelte van het kapitaal doch met een meerderheid van drie/vierde van de uitgebrachte stemmen.”
2.6.
In de statuten van Beveiliging staat – voor zover hier van belang – het volgende:
Artikel 14.
(…)
3. Het salaris en verdere arbeidsvoorwaarden worden voor iedere bestuurder afzonderlijk vastgesteld door de vergadering van aandeelhouders.”
2.7.
In de statuten van Security staat – voor zover hier van belang – het volgende:
Artikel 16.
(…)
3. Het salaris en verdere arbeidsvoorwaarden worden voor iedere bestuurder afzonderlijk vastgesteld door de vergadering van aandeelhouders.”
2.8.
[gedaagde02] is sinds februari 2021 niet meer op de werkvloer van de Integra Groep geweest.
2.9.
Op 21 september 2021 heeft [gedaagde02] aan [naam02] gemaild dat de
management fee van € 9.000,- exclusief BTW per maand die tot die tijd door Beveiliging aan [gedaagde01] werd uitgekeerd, voor onbepaalde tijd zou worden opgeschort.
2.10.
Activa (als eiseres) en RP Holding (als gedaagde) hebben in 2022 een procedure in kort geding gevoerd over de registratie in het handelsregister van RP Holding als bestuurder van Activa. In het kort geding vonnis van 29 maart 2022 is – voor zover hier van belang – het volgende overwogen:
“RP Holding heeft tijdens haar pleidooi nog betoogd dat zij bevoegd is om de vordering van Activa in te trekken en dat ook wil doen. Hoewel wordt geoordeeld dat aannemelijk is dat in een bodemprocedure wordt geoordeeld dat RP Holding bestuurder is van Activa, staat dat nog niet definitief vast. De voorzieningenrechter gaat daarom voorbij aan dit betoog waarbij zij er ook van uit gaat dat beide partijen een belang hebben bij een, voorlopig, oordeel over de huidige situatie. Dat kan partijen, mede gelet op de blijkbaar door [gedaagde02] eerder geuite wens om op zijn 65e te stoppen en het blijkbaar bestaande verschil van inzicht over wat de bedrijven in de Integra groep nodig hebben en hoe partijen zich daar al dan niet voor inzetten, wellicht helpen om te bezien of en op welke wijze een exit van [gedaagde01] en [gedaagde02] uit de Integra Groep mogelijk is.”
2.11.
Op 7 april 2022 heeft [gedaagde01] € 32.670,- inclusief BTW (3 maanden x € 9.000,- exclusief BTW) bij Beveiliging in rekening gebracht. Het betreft de management fee over kwartaal 1 van 2022. [gedaagde02] heeft dit bedrag vervolgens vanuit Beveiliging aan zichzelf overgemaakt.
2.12.
Vanaf februari 2023 treedt de heer [naam03] (hierna: [naam03] ) als gevolmachtigde van [gedaagde01] c.s. op binnen de Integra Groep.
2.13.
Op 5 september 2023 heeft [gedaagde01] € 12.100,- (2 maanden x € 5.000,- exclusief BTW) bij Integra Beveiliging in rekening gebracht. Het betreft de management fee over de maanden juli en augustus 2023. [gedaagde02] heeft dit bedrag vanuit Integra Beveiliging aan zichzelf overgemaakt.
2.14.
Op 9 september 2023 heeft [naam02] aan [naam03] en [gedaagde02] gemaild dat hij een op 12 september 2023 gepland overleg zou willen aanmerken als gecombineerde bestuursvergadering van Integra c.s. met als één van de agendapunten de opzegging van de managementovereenkomst tussen Integra c.s. enerzijds en [gedaagde01] c.s. anderzijds.
2.15.
Op 12 september 2023 heeft een gecombineerde bestuursvergadering van Integra c.s. plaatsgevonden. [gedaagde01] c.s. waren daarbij niet aanwezig of vertegenwoordigd.
Geschil
3.1.
Integra c.s. vorderen samengevat – om bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:
Primair
I. [gedaagde01] en [gedaagde02] te verbieden zonder schriftelijke toestemming van een andere bestuurder van Activa, ten laste van Activa aan zichzelf gelden te betalen, op straffe van een dwangsom;
II. [gedaagde01] en [gedaagde02] te verbieden zonder schriftelijke toestemming van een andere bestuurder van Beveiliging, ten laste van Beveiliging aan zichzelf gelden te betalen, op straffe van een dwangsom;
III. [gedaagde01] en [gedaagde02] te verbieden zonder schriftelijke toestemming van een andere bestuurder van Security, ten laste van Integra Security aan zichzelf gelden te betalen, op straffe van een dwangsom;
IV. te bepalen dat het onder I-III gevorderde geldt totdat door een andere rechter anders wordt beslist of totdat door de algemene vergadering van de desbetreffende vennootschap een besluit wordt genomen tot vaststelling van de bezoldiging van [gedaagde01] en/of [gedaagde02] .
Subsidiair
V. Het gevorderde onder I-III toe te wijzen, doch te bepalen dat het gevorderde verbod niet geldt tot een bedrag van € 765,63 per maand exclusief BTW, althans een in goede justitie te bepalen bedrag, na ontvangst van een deugdelijk volgens de geldende belastingwetgeving opgemaakte factuur;
VI. te bepalen dat het onder V gevorderde geldt totdat door een andere rechter anders wordt beslist of totdat door de algemene vergadering van de desbetreffende vennootschap een besluit wordt genomen tot vaststelling van de bezoldiging van [gedaagde01] en/of [gedaagde02] .
Primair en subsidiair:
VII. [gedaagde01] en [gedaagde02] hoofdelijk te veroordelen in de kosten van dit geding.
3.2.
Integra c.s. baseren hun vorderingen op de volgende grondslagen. Integra c.s. stellen ten eerste dat [gedaagde01] c.s. zich als bestuurder schuldig maakt aan misbruik van bevoegdheid door management fee aan zichzelf over te maken. Ten tweede stellen Integra c.s. dat de managementovereenkomst met [gedaagde01] c.s. is opgezegd, zodat geen rechtsgrond bestaat voor dergelijke vergoedingen. Integra c.s. stellen ten derde dat de overboekingen in strijd zijn met wettelijke bepalingen omtrent tegenstrijdige belangen (artikel 2:239 lid 6 BW) en de door [gedaagde01] c.s. in acht te nemen redelijkheid en billijkheid jegens de vennootschappen (2:8 lid 1 BW). Ten slotte stellen Integra c.s. zich op het standpunt dat er geen besluit van de algemene vergadering is dat [gedaagde01] c.s. recht geeft op betaling van een management fee zonder dat daarvoor feitelijke werkzaamheden worden verricht. Bovendien staan de uitgevoerde werkzaamheden niet in verhouding tot de hoogte van de fee, aldus Integra c.s..
3.3.
[gedaagde01] c.s. concluderen tot afwijzing van de vorderingen, met veroordeling van
Integra c.s. in de proceskosten.
Beoordeling
4.1.
De vraag die in dit kort geding voorligt is of [gedaagde01] c.s. door middel van een voorlopige voorziening (tijdelijk) moet worden verboden om zonder schriftelijke toestemming van de overige bestuurders van Activa, Beveiliging of Security ten laste van één van deze vennootschappen aan zichzelf gelden te betalen.
Spoedeisend belang
4.2.
Integra c.s. hebben voldoende onderbouwd dat zij, gelet op hun stelling dat [gedaagde01] c.s. onbeperkt toegang heeft tot de bankrekeningen van Integra c.s. en dus wederom op ieder moment gelden naar zichzelf kan overmaken, een spoedeisend belang hebben bij de gevorderde voorziening.
Misbruik van bevoegdheid
4.3.
Integra c.s. voeren als eerste grondslag van hun vorderingen aan dat sprake is van misbruik van bevoegdheid, omdat [gedaagde01] c.s. gelden aan zichzelf uitkeren zonder toestemming van de medebestuurder RP Holding.
4.4.
Een bevoegdheid kan onder meer worden misbruikt door haar uit te oefenen met geen ander doel dan een ander te schaden of met een ander doel dan waarvoor zij is verleend of in geval men, in aanmerking nemende de onevenredigheid tussen het belang bij de uitoefening en het belang dat daardoor wordt geschaad, naar redelijkheid niet tot die uitoefening had kunnen komen (artikel 3:13 lid 2 BW).
4.5.
Integra c.s. hebben onvoldoende aannemelijk gemaakt dat [gedaagde01] c.s. zich schuldig hebben gemaakt aan misbruik van bevoegdheid. De enkele stelling dat [gedaagde01] c.s. zonder rechtsgrond gelden aan zichzelf hebben overgemaakt, is daartoe onvoldoende. Dit vormt dan ook geen grondslag voor de gevorderde voorziening.
Opzegging managementovereenkomst
4.6.
Integra c.s. hebben als tweede grondslag aangevoerd dat, voor zover er al een managementovereenkomst tussen Integra c.s. en [gedaagde01] en/of [gedaagde02] was, deze tijdens de bestuursvergadering op 12 september 2023 op grond van artikel 7:408 lid 1 BW is opgezegd. RP Holding was hiertoe bevoegd als zelfstandig vertegenwoordigingsbevoegd bestuurder, [gedaagde01] c.s. hadden een tegenstrijdig belang bij de besluitvorming daaromtrent en er is geen sprake van lotsverbondenheid tussen de managementovereenkomst en het statutair bestuurderschap. Het gevolg van deze opzegging is dat er geen management fee is verschuldigd, aldus Integra c.s..
4.7.
Op grond van artikel 2:244 BW geldt dat de bestuurder van een B.V. ontslagen wordt door het orgaan dat bevoegd was hem te benoemen. Uit artikel 12 van de statuten van Activa (als moedermaatschappij) volgt dat in geval van Activa de algemene vergadering van aandeelhouders bevoegd is om bestuurders te ontslaan. Uit de zogenoemde 15 april-arresten (ECLI:NL:HR:2005:AS2713 en ECLI:NL:HR:2005:AS2030) volgt dat het tot ontslag bevoegde orgaan ook bevoegd is tot opzegging van de eventuele managementovereenkomst op basis waarvan [gedaagde02] werkt of heeft gewerkt. Vanwege de onlosmakelijke verwevenheid tussen de contractuele en de vennootschapsrechtelijke rechtsbetrekking kan het op grond van het vennootschapsrecht tot ontslag bevoegde orgaan niet buitenspel worden gezet. Naar voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter levert het besluit van het bestuur tot opzegging (voorzover vereist) van de managementovereenkomst strijd op met artikel 2:244 BW en de statuten en is het besluit daarom nietig op grond van artikel 2:14 BW.
Dat in dit geval geen sprake is van een dergelijke lotsverbondenheid tussen het bestuurdersschap en de managementovereenkomst met [gedaagde01] c.s. is onvoldoende aannemelijk geworden. Integra c.s. hebben hiervoor verwezen naar het feit dat met de overige bestuurders ook geen managementovereenkomst is gesloten (met verwijzing naar het arrest van het Hof Arnhem Leeuwarden van 22 december 2015, ECLI:NL:GHARL:2015:9834). Uit dit enkele feit volgt niet dat de aandeelhouders hiermee een koppeling tussen het bestuurdersschap en het hebben van een managementovereenkomst in algemene zin niet gewenst of noodzakelijk hebben geacht.
4.8.
Op grond van het voorgaande is onvoldoende aannemelijk geworden dat managementovereenkomst met [gedaagde01] c.s. rechtsgeldig is opgezegd. Dit vormt dan ook geen grondslag voor de gevorderde voorziening.
Tegenstrijdig belang
4.9.
Integra c.s. hebben als derde grondslag aangevoerd dat [gedaagde01] niet in het belang van Integra c.s. heeft gehandeld. Volgens Integra c.s. handelt [gedaagde01] (en daarmee [gedaagde02] ) in strijd met de wettelijke bepalingen omtrent tegenstrijdige belang én de in acht te nemen redelijkheid en billijkheid door management fee aan zichzelf uit te keren.
4.10.
[gedaagde01] c.s. dienen zich bij de vervulling van hun taak als bestuurder te richten naar het belang van de vennootschap en de met haar verbonden onderneming (artikel 2:239 lid 5 BW). Zij moeten zich als zodanig jegens de andere bestuurders gedragen naar hetgeen door redelijkheid en billijkheid wordt gevorderd (artikel 2:8 lid 1 BW).
4.11.
Niet in geschil is dat [gedaagde01] tot medio 2021 maandelijks een management fee van € 9.000,- exclusief BTW bij Beveiliging heeft gefactureerd en dat [gedaagde01] deze fee uitgekeerd heeft gekregen. Het is evenmin in geschil dat [gedaagde02] sinds februari 2021 niet meer op de werkvloer van de vennootschappen binnen de Integra Groep aanwezig is geweest. Tijdens de mondelinge behandeling is namens [gedaagde01] c.s. erkend dat hij sinds die tijd geen betrokkenheid meer heeft bij de dagelijkse gang van zaken binnen de Integra Groep. Dit volgt ook uit de verklaringen van werknemers [naam04] en [naam05] (productie 12 en 13 bij dagvaarding). [gedaagde01] heeft echter zowel in 2022 als in 2023 zonder overleg met RP Holding als medebestuurder een bedrag aan management fee bij Beveiling in rekening gebracht en aan zichzelf uitgekeerd (zie 2.11 en 2.13).
4.12.
Voor de vraag of [gedaagde01] c.s. hiermee in strijd hebben gehandeld met de onder 4.10 genoemde wettelijke bepalingen geldt het volgende.
4.13.
Partijen twisten of [gedaagde01] en/of [gedaagde02] recht heeft op een management fee zonder dat daarvoor feitelijke werkzaamheden worden verricht. Op grond van de statuten van de vennootschappen binnen de Integra Groep wordt het salaris van een bestuurder vastgesteld bij besluit van de algemene vergadering van aandeelhouders. [gedaagde01] c.s. baseren zich op een aandeelhoudersbesluit uit 2002, waaruit zou volgen dat de management fee tussen partijen/aandeelhouders is overeengekomen zonder dat daarvoor noodzakelijk is dat feitelijke werkzaamheden worden verricht. [gedaagde01] c.s. hebben dit – door Integra c.s. betwistte – mondelinge besluit echter in het geheel niet nader onderbouwd, zodat dit onvoldoende aannemelijk is geworden en hieraan voorbij wordt gegaan.
4.14.
Uit het feit dat [gedaagde02] sinds februari 2021 niet meer betrokken is bij de dagelijkse gang van zaken binnen de Integra Groep, volgt dat [gedaagde01] c.s. in de praktijk niet meer de belangen van deze vennootschappen behartigen. Tegen deze achtergrond lag het op de weg van [gedaagde01] c.s. om over de betreffende uitkeringen van de management fee ten minste in overleg te treden met RP Holding als medebestuurder, hetgeen is nagelaten. Uit deze gang van zaken volgt dat [gedaagde01] c.s. enkel een persoonlijk (en daarmee tegenstrijdig) belang moet hebben gehad bij de uitkeringen van de management fee. Gesteld en ook niet gebleken is immers dat [gedaagde01] c.s. daarmee een belang van de vennootschap diende. Dat [naam03] nog namens [gedaagde01] c.s. werkzaamheden ten behoeve van Integra c.s. verricht, maakt het voorgaande niet anders. Niet gebleken is dat hierover afspraken zijn gemaakt.
4.15.
[gedaagde01] heeft de management fee per 21 september 2021 opgeschort om vervolgens in april 2022 drie maanden management fee en in april 2023 twee maanden management fee in rekening te brengen. De uitkeringen van management fee kennen daarmee een grillig, onvoorspelbaar en willekeurig verloop, wat niet in het belang van de Integra Groep is.
4.16.
Dictum
De voorzieningenrechter
5.1.
verbiedt [gedaagde01] c.s. zonder schriftelijke toestemming van een andere bestuurder van Activa, ten laste van Activa aan zichzelf gelden te betalen, op straffe van een dwangsom van € 5.000,- voor iedere dag of gedeelte van een dag dat [gedaagde01] c.s. niet (volledig) aan het verbod voldoet, met aan maximum van € 100.000,00, welke dwangsom aan Activa verschuldigd zal zijn;
5.2.
verbiedt [gedaagde01] c.s. zonder schriftelijke toestemming van een andere bestuurder van Beveiliging, ten laste van Beveiliging aan zichzelf gelden te betalen, op straffe van een dwangsom van € 5.000,- voor iedere dag of gedeelte van een dag dat [gedaagde01] c.s. niet (volledig) aan het verbod voldoet, met aan maximum van € 100.000,00, welke dwangsom aan Beveiliging verschuldigd zal zijn;
5.3.
verbiedt [gedaagde01] c.s. zonder schriftelijke toestemming van een andere bestuurder van Security, ten laste van Security aan zichzelf gelden te betalen, op straffe van een dwangsom van € 5.000,- voor iedere dag of gedeelte van een dag dat [gedaagde01] c.s. niet (volledig) aan het verbod voldoet, met aan maximum van € 100.000,00, welke dwangsom aan Security verschuldigd zal zijn;
5.4.
bepaalt dat de beslissingen onder 5.1 tot en met 5.3 gelden totdat door een andere rechter anders wordt beslist of totdat door de algemene vergadering van de desbetreffende vennootschap een besluit wordt genomen tot vaststelling van de bezoldiging van [gedaagde01] en/of [gedaagde02] ;
5.5.
veroordeelt [gedaagde01] c.s. in de proceskosten, aan de zijde van Integra c.s. tot op heden begroot op € 1.862,32,
5.6.
verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,
5.7.
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. C. Sikkel en in het openbaar uitgesproken op 10 november 2023.
[3070/1573]