Rechtspraak
Rechtbank Rotterdam
2023-10-26
ECLI:NL:RBROT:2023:10579
Civiel recht; Insolventierecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
1,212 tokens
Inleiding
Rechtbank Rotterdam
Team insolventie
afwijzing toepassing schuldsaneringsregeling
rekestnummer: [nummer]
uitspraakdatum: 26 oktober 2023
[verzoekster]
,
[adres]
[woonplaats],
verzoekster.
Procesverloop
Verzoekster heeft op 15 augustus 2023 een verzoekschrift met bijlagen ingediend tot toepassing van de schuldsaneringsregeling. Verzoekster is gehoord ter zitting van 16 oktober 2023.
Feiten
Verzoekster ontvangt inkomsten uit een WW-uitkering. De schuldenlast bedraagt volgens de verklaring als bedoeld in artikel 285 Faillissementswet € 21.893,80.
Beoordeling
Het verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling wordt slechts toegewezen als voldoende aannemelijk is dat verzoekster ten aanzien van het ontstaan of onbetaald laten van haar schulden in de drie jaar voorafgaand aan de dag waarop het verzoekschrift is ingediend, te goeder trouw is geweest en dat zij de uit de schuldsaneringsregeling voortvloeiende verplichtingen naar behoren zal nakomen en zich zal inspannen zoveel mogelijk baten voor de boedel te verwerven. De rechtbank oordeelt dat het één noch het ander in het voorliggende geval aannemelijk is.
De goede trouw is een gedragsmaatstaf waaraan een verzoekster dient te voldoen. Bij de beoordeling daarvan kan de rechter rekening houden met alle omstandigheden, zoals de aard en de omvang van de vorderingen, het tijdstip waarop de schulden zijn ontstaan, de mate waarin verzoekster kan worden verweten dat de schulden zijn ontstaan en/of onbetaald gelaten, het gedrag van verzoekster voor wat betreft haar inspanningen de schulden te voldoen of acties harerzijds om verhaal door de schuldeisers juist te frustreren en dergelijke.
Verzoekster heeft een schuld aan Stichting Wasko uit 2021 die betrekking heeft op de kinderopvang. Volgens verzoekster is deze vordering ontstaan in de maanden dat de kinderopvangtoeslag nog niet werd uitbetaald. Toen de kinderopvangtoeslag werd ontvangen, bleef de vordering eveneens onbetaald, terwijl de kinderen van verzoekster wel (een deel van) de opvang hebben genoten. Naar het oordeel van de rechtbank valt het verzoekster te verwijten dat deze vordering – die betaald zou moeten worden uit de ontvangen kinderopvangtoeslag – onbetaald is gelaten. Deze schuld is niet te goeder trouw ontstaan althans onbetaald gelaten.
Verzoekster heeft schulden bij het CJIB van in totaal € 381,50. Ter zitting heeft verzoekster verklaard dat deze schulden betrekking hebben op verkeersboetes wegens te hard rijden, ontstaan in 2021. Daarnaast heeft verzoekster over die periode ook geen motorrijtuigenbelasting betaald. Deze schulden zijn naar hun aard niet te goeder trouw ontstaan. Ook heeft verzoekster verklaard dat zij in 2021 reed zonder in het bezit te zijn van een rijbewijs.
Verzoekster heeft hiermee geen blijk gegeven van een saneringsgezinde houding. Feiten en omstandigheden die – ondanks het ontbreken van de goede trouw – toelating rechtvaardigen zijn niet voldoende aannemelijk geworden. De rechtbank merkt op dat het een goede ontwikkeling is dat er op dit moment sprake is van beschermingsbewind. Verzoekster is aldus op de goede weg. Al het voorgaande in aanmerking genomen, en mede met het oog op de ernst van de schulden die naar het oordeel van de rechtbank niet te goeder trouw zijn ontstaan, althans onbetaald zijn gebleven, oordeelt de rechtbank echter dat deze ontwikkelingen onvoldoende, althans onvoldoende bestendig van aard, zijn om een toelating tot de schuldsaneringsregeling op dit moment te rechtvaardigen. Indien het leven van verzoekster zich verder stabiliseert zal een volgend verzoek tot toelating tot de schuldsaneringsregeling mogelijk meer kans van slagen hebben.
Daarnaast is niet voldoende aannemelijk geworden dat verzoekster op dit moment de uit de schuldsaneringsregeling voortvloeiende verplichtingen (voldoende) zal nakomen en zij zich zal inspannen zoveel mogelijk baten voor de boedel te verwerven.
Het verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling zal daarom worden afgewezen.
Dictum
De rechtbank:
- wijst het verzoek af.
Dit vonnis is gewezen door mr. M.C. Snel-van den Hout, rechter, en in aanwezigheid van S.R.L.T. Peek, griffier, in het openbaar uitgesproken op 26 oktober 2023.
Tegen deze uitspraak kan degene aan wie de Faillissementswet dat recht toekent, gedurende acht dagen na de dag van deze uitspraak, hoger beroep instellen. Het hoger beroep kan uitsluitend door een advocaat worden ingesteld bij een verzoekschrift, in te dienen ter griffie van het gerechtshof dat van deze zaak kennis moet nemen.