Rechtspraak
Rechtbank Rotterdam
2023-10-19
ECLI:NL:RBROT:2023:10020
Civiel recht; Insolventierecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
3,149 tokens
Inleiding
Rechtbank Rotterdam
Team insolventie
afwijzing toepassing schuldsaneringsregeling
rekestnummer: [nummer01]
uitspraakdatum: 19 oktober 2023
[verzoekster01]
,
[adres01]
[postcode01] [woonplaats01] ,
verzoekster.
Procesverloop
Verzoekster heeft op 1 augustus 2023 een verzoekschrift met bijlagen ingediend tot toepassing van de schuldsaneringsregeling. Verzoekster is gehoord ter terechtzitting van 12 oktober 2023.
Feiten
Verzoekster ontvangt inkomsten uit een Participatiewet-uitkering. De schuldenlast bedraagt volgens de verklaring als bedoeld in artikel 285 Faillissementswet (Fw) € 2.838.383,00.
Beoordeling
Verzoekster kan alleen worden toegelaten tot de wsnp als zij te goeder trouw was bij het ontstaan en onbetaald laten van haar schulden. Om dit goed te kunnen beoordelen, moet het verzoek inzicht geven in de aard en omvang van de schuldenlast.
Ook moet de verwachting bestaan dat verzoekster aan de verplichtingen van de wsnp zal voldoen. Dat houdt onder meer in dat verzoekster gevraagd en ongevraagd relevante informatie aan de bewindvoerder moet sturen en dat zij gedurende de wsnp geen nieuwe schulden mag laten ontstaan.
De rechtbank is van oordeel dat niet is gebleken dat aan deze eisen is voldaan. Het verzoek wordt daarom afgewezen, wat inhoudt dat verzoekster niet wordt toegelaten tot de wsnp.
De rechtbank licht dat hieronder toe.
1. Het verzoekschrift geeft onvoldoende inzicht in de aard en omvang van de schuldenlast
Het verzoekschrift geeft naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende inzicht in de aard en omvang van de schuldenlast. Het verzoekschrift vermeldt slechts dat de schulden zijn ontstaan doordat verzoekster bestuurder was van een vennootschap die zij vanwege ontbrekende inkomsten failliet heeft moeten laten verklaren in 2016. In aanvulling hierop vermeldt verzoekster in haar eigen verklaring weliswaar dat er een rechtszaak is geweest tussen haar en de Rabobank en dat de curator in het faillissement van Red Dragon B.V. haar aansprakelijk heeft gesteld voor het tekort: over de uitkomst en inhoud van die procedures is verder geen informatie aangeleverd. De betreffende uitspraken zijn door verzoekster niet aangeleverd. Bij het verzoekschrift is alleen correspondentie met één andere weigerende schuldeiser gevoegd. Uit de stukken valt af te leiden dat de Kredietbank de Rabobank te kennen heeft gegeven dat een inhoudelijke reactie ook niet meer nodig was, omdat de curator (van Red Dragon B.V.) de regeling had afgewezen. De enige informatie die iets meer zegt over de aard en inhoud van de procedures, is te vinden in een tabel bij de crediteurenlijst. In de tabel wordt verwezen naar een e-mail van de curator, waarin hij aangeeft dat er sprake is van ernstig verwijtbaar handelen, waarover bij drie instanties is geprocedeerd. De curator geeft daarin aan dat het faillissementstekort vele malen hoger is dan het bedrag zoals vermeld door de Kredietbank Rotterdam.
De rechtbank heeft in deze omstandigheden aanleiding gezien om in aanvulling op het verzoekschrift ambtshalve kennis te nemen van de volgende (openbare) stukken:
het zestiende openbare faillissementsverslag ex artikel 73a Fwin de zaak van Red Dragon B.V., waarvan verzoekster bestuurder is geweest;
het arrest van 31 augustus 2022 van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden (ECLI:NL:GHARL:2021:8338) en het arrest van 24 maart 2023 van de Hoge Raad (ECLI:NL:HR:2023:445), waarnaar wordt verwezen in het bovengenoemde verslag;
de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 20 mei 2020 (ECLI:NL:RBROT:2020:4679), waarnaar wordt verwezen in de uitspraak van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden.
Dit met het doel om het verzoek en de daarbij betrokken belangen beter te kunnen beoordelen.
Ter zitting is dit met verzoekster besproken en is gevraagd om een nadere verklaring ten aanzien van (i) de vordering van de curator, en (ii) de vordering van Rabobank.
Verzoekster heeft daarop – kort samengevat – aangegeven dat de vordering van de curator wat haar betreft niet klopt, en dat er een procedure is gestart om het oordeel van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden te laten herroepen. Volgens verzoekster heeft de curator belangrijke informatie niet aangeleverd. Als dat wel was gebeurd, waren de procedures anders uitgepakt. Zij geeft voorts aan dat de schade is veroorzaakt doordat de activa onder hun waarde verkocht zijn en er onjuist gehandeld is inzake de verkoop van een perceel grond.
De rechtbank leidt uit deze verklaring en bovengenoemde informatie af dat:
i) het boedeltekort vele malen hoger is dan de vordering die is vermeldt op de schuldenlijst. Op de schuldenlijst is een bedrag van € 1.023.262,91 vermeld. Alleen de geverifieerde concurrente schuldenlast is al € 2.109.329,31;
ii) het boedeltekort waarschijnlijk nog steeds oploopt, omdat de curator nog altijd in een procedure is verwikkeld met verzoekster. Dat de boedelschuld nog steeds oploopt blijkt ook uit het zestiende verslag. De boedelschuld bedraagt nu al € 335.662,37;
iii) de uiteindelijke schade nog zal moeten worden vastgesteld in een schadestaatprocedure;
iv) de vordering van de curator naar het oordeel van verzoekster juist lager zou moeten worden.
Naar het oordeel van de rechtbank vloeit hieruit voort dat omvang van de schuldenlast niet correct vermeld is in het verzoekschrift en bovendien nog niet vaststaat (omdat dit onderwerp is van een nog lopend geschil tussen de curator en verzoekster).
De rechtbank is van oordeel dat het verzoekschrift in zoverre niet voldoet aan de eisen van artikel 285 Fw.
2. Verzoekster is onvoldoende transparant geweest
Dit (onder punt 1. hierboven vermelde) werkt bovendien door in de beoordeling van de vraag of aan de eis van artikel 288 lid 1 onder c Fw is voldaan. Een van de verplichtingen die in de wettelijke schuldsaneringsregeling moet worden nagekomen is immers de informatieverplichting. Van iemand in de wettelijke schuldsanering wordt verwacht dat hij of zij de bewindvoerder actief (gevraagd en ongevraagd) informeert over ontwikkelingen die relevant zijn voor (het verloop van) de schuldsaneringsregeling.
Uit het bovenstaande vloeit voort dat verzoekster de rechtbank van onvoldoende informatie heeft voorzien bij het verzoekschrift. Naar het oordeel van de rechtbank had de hieronder in overweging 3 (i) en 3 (ii) genoemde informatie ten minste in het verzoekschrift naar voren moeten worden gebracht.
Verzoekster heeft naar het oordeel van de rechtbank ook ter zitting niet veel openheid getoond over de inhoud van de procedures en de aard van de verwijten waarvoor zij verantwoordelijk is gehouden. Aan verzoekster is ter zitting voorgehouden van welke stukken de rechtbank ambtshalve kennis heeft genomen en dat uit de stukken valt op te maken dat haar in essentie steeds wordt verweten dat zij – in haar hoedanigheid van feitelijk beleidsbepaler en bestuurder – de Rabobank als financier om de tuin heeft geleid. De Rabobank zou onder meer met valse facturen zijn bewogen om financiering te verstrekken. Bovendien zou er geld zijn omgeleid, hetgeen ook de aanleiding zou zijn geweest voor de opzegging van het krediet en de belangrijkste oorzaak zijn van het faillissement. Verzoekster heeft hierop – kort samengevat – verklaard dat zij de precieze inhoud van de vonnissen niet kent. Verzoekster heeft verklaard niet op de hoogte te zijn van de precieze stand van zaken van de procedure(s).
Naar het oordeel van de rechtbank geeft (i) het gebrekkig informeren van de rechtbank bij het verzoekschrift en (ii) het ter zitting geen openheid geven over de aard van de schulden geen blijk van een saneringsgezinde houding. De rechtbank acht in dit licht niet aannemelijk dat verzoekster de uit de schuldsaneringsregeling voortvloeiende verplichtingen naar behoren zal nakomen. Dit is een belemmering voor toelating op grond van artikel 288 lid 1 onder c Fw.
3. Ernstig verwijtbare schulden
Zoals hierboven reeds is vermeld, blijkt uit de uitspraken bovendien dat sprake is van ernstig verwijtbare schulden.
(i) aansprakelijkheid faillissementstekort
Uit de stukken valt op te maken dat verzoekster zowel door de rechtbank Gelderland (bij vonnis van 10 juli 2019), als door het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden (bij vonnis van 31 augustus 2022) – als feitelijk beleidsbepaler – aansprakelijk is geacht voor het faillissementstekort.
Beoordeling
Deze schuld is naar zijn aard niet te goeder trouw in de zin van artikel 288 lid 1 onder b Fw.
(ii) aansprakelijkheid voor misleiding Rabobank
Ook de schuld aan de Rabobank is – gelet op het vonnis van de rechtbank Rotterdam van 20 mei 2020 – ontstaan uit een onrechtmatige daad. De rechtbank oordeelt in dat vonnis dat verzoekster onrechtmatig heeft gehandeld door onder valse voorwendselen de Rabobank te bewegen tot uitbetaling van de kredietgelden onder de met Red Dragon B.V. gesloten financieringsovereenkomsten (van 5 oktober 2014 en 16 oktober 2015). De rechtbank acht zonder meer aannemelijk dat de Rabobank dat niet zou hebben gedaan als zij van de valsheid van de facturen en bankafschriften op de hoogte was geweest. Verzoekster is op die grondslag aansprakelijk geacht voor de door de Rabobank geleden schade ad € 1.616.209,12.
Deze schuld is naar zijn aard niet te goeder trouw in de zin van artikel 288 lid 1 onder b Fw.
(iii) deze te kwader trouw schulden staan aan toelating in de weg
Naar het oordeel van de rechtbank staan deze schulden ook aan toelating in de weg. Dit geldt ook voor zover deze schulden zijn ontstaan buiten de driejaarstermijn van artikel 288 lid 1 onder b Fw. De rechtbank dient bij het beoordelen van de goede trouw maatstaaf van artikel 288 lid 1 onder b Fw immers alle omstandigheden van het geval in aanmerking te nemen. De eis van artikel 288 lid 1 onder b Fw is ook niet zo geformuleerd dat in geen geval van een langere periode kan worden uitgegaan. In lijn met artikel 288 lid 2 onder c Fw kunnen de (frauduleuze) aard van schulden en de hoogte van die schulden, onder omstandigheden aanleiding geven om een langere termijn in acht te nemen.
In ieder geval kunnen onder deze omstandigheden – bij dergelijke schulden – hoge eisen worden gesteld aan de inspanningen van een persoon om op de schulden af te lossen. In het geval van verzoekster is daarvan niet gebleken. Verzoekster heeft sinds haar ontslag in 2018 geleefd van een Participatiewet-uitkering. Verzoekster stelt dat zij, gelet op haar psychische problematiek en de medische problematiek van haar jonge kinderen, door de Sociale Dienst van de gemeente vrijgesteld is geweest van de sollicitatieverplichting. Verzoekster heeft echter geen stukken overgelegd waaruit blijkt dat over die gehele periode sprake is geweest van een vrijstelling op medische gronden. Naar het oordeel van de rechtbank is daarom evenmin aannemelijk geworden dat verzoekster te goeder trouw is geweest ten aanzien van het onbetaald laten van haar schulden.
4. Overige gronden
Tot slot is de rechtbank van oordeel dat evenmin voldoende aannemelijk is geworden dat verzoekster de verplichtingen zal kunnen nakomen om geen nieuwe schulden te maken gedurende de schuldsaneringsregeling (artikel 288 lid 1 onder c juncto artikel 350 lid 3 onder d Fw). Omdat de procedure tussen de curator van Red Dragon B.V. en verzoekster nog altijd loopt, is immers aannemelijk dat het boedeltekort waarvoor verzoekster aansprakelijk is geacht, nog oploopt.
Conclusie
Het verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling zal daarom worden afgewezen.
Volledigheidshalve wordt opgemerkt dat dit niet betekent dat er geen andere feiten of omstandigheden zijn die eveneens tot afwijzing van het verzoek dienen te leiden.
De rechtbank sluit ook niet uit dat – indien verzoekster zou worden toegelaten tot de wettelijke schuldsaneringsregeling – een civiele rechter op enig moment tot het oordeel komt dat een schone lei geen werking heeft ten aanzien van (een deel) de vorderingen van de Rabobank en de curator op grond van artikel 358 lid 4 Faillissementswet.
Dictum
De rechtbank:
- wijst het verzoek af.
Dit vonnis is gewezen door mr. C.G.E. Prenger, rechter, en in aanwezigheid van S.R.L.T. Peek, griffier, in het openbaar uitgesproken op 19 oktober 2023.
Tegen deze uitspraak kan degene aan wie de Faillissementswet dat recht toekent, gedurende acht dagen na de dag van deze uitspraak, hoger beroep instellen. Het hoger beroep kan uitsluitend door een advocaat worden ingesteld bij een verzoekschrift, in te dienen ter griffie van het gerechtshof dat van deze zaak kennis moet nemen.