Rechtspraak
Rechtbank Rotterdam
2022-03-18
ECLI:NL:RBROT:2022:7116
Bestuursrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
2,002 tokens
Inleiding
RECHTBANK ROTTERDAM
Bestuursrecht
zaaknummer: ROT 20/4412
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 18 maart 2022 in de zaak tussen
[naam eiseres], uit [vestigingsplaats eiseres], eiseres,
gemachtigde: mr. M.J. van Dam,
en
de Minister van Infrastructuur en Waterstaat, verweerder,
gemachtigde: mr. I.M. Kops.
Procesverloop
Met het besluit van 29 januari 2020 (het primaire besluit) heeft verweerder een last onder dwangsom aan eiseres opgelegd.
Met het besluit van 14 juli 2020 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiseres tegen het primaire besluit ongegrond verklaard.
Met het besluit van 21 mei 2021 heeft verweerder de last onder dwangsom van 29 januari 2020 opgeheven.
Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
De rechtbank heeft het beroep op 21 juni 2021 op zitting behandeld. Eiseres is verschenen, vergezeld door [naam] en bijgestaan door haar gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.
De rechtbank heeft het onderzoek ter zitting geschorst en partijen in de gelegenheid gesteld om onderling tot een oplossing te komen met betrekking tot vergoeding van de proceskosten en/of werkelijke kosten.
Verweerder heeft zijn standpunt toegelicht bij brief van 6 juli 2021. Bij brief van 28 juli 2021 heeft eiseres haar standpunt nader toegelicht.
Partijen hebben toestemming gegeven voor afdoening zonder nadere zitting. Daarop heeft de rechtbank het onderzoek gesloten.
Overwegingen
1. Verweerder heeft aan de beslissing van 21 mei 2021 tot het opheffen van de last onder dwangsom van 29 januari 2020 ten grondslag gelegd dat de in 2017 en 2018 geconstateerde overtredingen - naar aanleiding waarvan de last is opgelegd - niet goed gedocumenteerd zijn. Ter zitting heeft verweerder erkend dat de last onder dwangsom niet opgelegd had mogen worden. Daarbij heeft verweerder verklaard dat met het besluit van 21 mei 2020 beoogd is om, anders dan in het besluit is vermeld, de last onder dwangsom in te trekken in plaats van op te heffen.
2. Eiseres stelt dat nu de last onder dwangsom is ingetrokken en vaststaat dat verweerder onrechtmatig heeft gehandeld, verweerder in de proceskosten veroordeeld moet worden. Daarbij stelt eiseres zich op het standpunt dat sprake is van bijzondere omstandigheden op grond waarvan verweerder ook de werkelijke kosten dient te vergoeden. Daartoe voert eiseres aan dat de overtredingen niet goed gedocumenteerd waren en dat verweerder de last onder dwangsom heeft opgelegd ter zake van een schip dat (nog) geen eigendom van eiseres was. De gemachtigde van eiseres heeft daardoor veel (onnodig) werk verricht. Eiseres verwijst daarbij naar de uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) van 5 oktober 2016 (ECLI:NL:RVS:2016:2606) en 12 februari 2020 (ECLI:NL:RVS:2020:420). Ook benadrukt eiseres dat verweerder pas in beroep, kort voor het onderzoek ter zitting, de dwangsom heeft opgeheven, terwijl eiseres verweerder van meet af aan erop heeft gewezen dat de last onder dwangsom ten onrechte is opgelegd.
4. De rechtbank is op grond van artikel 8:75, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht ( Awb) bevoegd verweerder te veroordelen in de kosten die eiseres in verband met de behandeling van het bezwaar en van het beroep redelijkerwijs heeft moeten maken. De vergoeding kan uitsluitend betrekking hebben op de in artikel 1 van het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb) limitatief opgesomde kosten.
5. Het uitgangspunt van het Bpb bij kosten van een door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand is dat daarvoor een forfaitaire vergoeding wordt toegekend. Op grond van artikel 2, derde lid, van het Bpb kan hiervan in bijzondere omstandigheden worden afgeweken. Volgens de nota van toelichting (Stb. 1993, 763) gaat het daarbij om uitzonderlijke gevallen, waarin strikte toepassing van het forfaitaire vergoedingsstelsel onrechtvaardig uitpakt, bijvoorbeeld het geval waarin de burger door gebrekkige informatieverstrekking door de overheid op uitzonderlijk hoge kosten is gejaagd.
6. Naar het oordeel van de rechtbank heeft eiseres niet aannemelijk gemaakt dat zich in haar geval bijzondere omstandigheden als bedoeld in artikel 2, derde lid, van het Bpb voordoen. Eiseres heeft er weliswaar op gewezen dat haar gemachtigde veel werk heeft verricht, maar dat is onvoldoende om te concluderen dat zij door het handelen van verweerder is gedwongen tot het inroepen van rechtshulp waar een uitzonderlijke tijdsbesteding mee was gemoeid. Ook is het handelen van verweerder niet als zodanig ernstig onzorgvuldig aan te merken dat sprake is van een zeer schrijnend geval. Het beroep op de uitspraken van de Afdeling gaat ook niet op, nu die uitspraken niet zien op een vergelijkbaar geval. De rechtbank ziet dan ook geen aanleiding om van de forfaitaire vergoeding volgens het Bpb af te wijken.
7. Bij de berekening van de forfaitaire vergoeding voor de kosten voor beroepsmatig verleende rechtsbijstand wordt een wegingsfactor toegepast die bepaald wordt door het gewicht van de zaak. In dat verband wordt in het Bpb een onderscheid gemaakt tussen zeer lichte, lichte, gemiddelde, zware en zeer zware zaken, waarvoor wegingsfactoren gelden van, onderscheidenlijk, 0,25, 0,5, 1, 1,5 en 2. Volgens de nota van toelichting bij het Bpb wordt het gewicht van de zaak bepaald door het belang en de ingewikkeldheid van de zaak. Zoals de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State heeft overwogen, zie bijvoorbeeld de uitspraak van 11 februari 2015 (ECLI:NL:RVS:2015:408), behoort de behandeling van een zaak in bezwaar of beroep in beginsel tot de categorie gemiddeld, tenzij er duidelijke redenen zijn hiervan af te wijken. De rechtbank vindt in het belang en de ingewikkeldheid van deze zaak geen duidelijke redenen om af te wijken van de categorie gemiddeld.
8. De rechtbank ziet aanleiding om verweerder te veroordelen tot de door eiseres gemaakte proceskosten. De in bezwaar en beroep gemaakte kosten stelt de rechtbank voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 2.564,- (1 punt voor het indienen van een bezwaarschrift en 1 punt voor het verschijnen ter hoorzitting met een waarde per punt van € 534,- en wegingsfactor 1, 1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde er punt van € 748,- en wegingsfactor 1).
9. Omdat de rechtbank het beroep gegrond zal verklaren, moet verweerder aan eiseres het door haar betaalde griffierecht vergoeden.
Dictum
De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het bestreden besluit;
- bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde bestreden besluit;
- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiseres tot een bedrag van € € 2.564,-;
- bepaalt dat verweerder aan eiseres het door haar betaalde griffierecht van € 354,- vergoedt.
Deze uitspraak is gedaan door mr. W.M.P.M. Weerdesteijn, rechter, in aanwezigheid van mr. C. Cras, griffier. De uitspraak is gedaan in het openbaar op 18 maart 2022.
De rechter is verhinderd de uitspraak te
ondertekenen.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Bent u het niet eens met deze uitspraak?
Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.