Rechtspraak
Rechtbank Rotterdam
2022-01-19
ECLI:NL:RBROT:2022:388
Bestuursrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
1,733 tokens
Inleiding
RECHTBANK ROTTERDAM
Bestuursrecht
zaaknummer: ROT 21/2168
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 19 januari 2022 in de zaak tussen
[naam eiseres], uit [woonplaats eiseres], eiseres,
(gemachtigde: mr. G.A.S. Maduro),
en
de minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, verweerder.
Procesverloop
In het besluit van 30 april 2020 (primair besluit) heeft verweerder het verzoek van eiseres om verlenging van de inburgeringstermijn wegens medische omstandigheden afgewezen.
In het besluit van 8 maart 2021 (bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiseres tegen het primaire besluit ongegrond verklaard.
Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
Eiseres heeft nadere stukken ingediend.
Verweerder heeft nadere stukken ingediend.
De rechtbank heeft het beroep op 23 december 2021 op zitting behandeld. Eiseres is verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde en in aanwezigheid van haar zoon en haar begeleidster [naam]. Verweerder is, met bericht van verhindering, niet verschenen.
Overwegingen
1.1
Eiseres is sinds 18 december 2013 inburgeringsplichtig. Eiseres had tot 11 februari 2017 de tijd om in te burgeren. Hieraan heeft zij niet op tijd voldaan en daarom is haar op 26 april 2017 een boete opgelegd van € 1.250,-. De termijn om in te burgeren is vervolgens verlengd tot 11 februari 2019. Het bezwaar van eiseres tegen dit besluit is op 22 september 2017 ongegrond verklaard. Eiseres heeft op 18 december 2018 een aanvraag ingediend voor een ontheffing van de inburgeringsplicht vanwege medische of psychische redenen. Deze aanvraag was niet compleet, vanwege het ontbreken van een medisch advies. Verweerder heeft eiseres tweemaal gevraagd de aanvraag aan te vullen en vanwege het uitblijven van een reactie is op 1 maart 2019 besloten om de aanvraag niet in behandeling te nemen. Eiseres is opnieuw niet op tijd ingeburgerd, waardoor haar op 20 mei 2019 nogmaals een boete van € 1.250,- is opgelegd. De termijn om in te burgeren is weer verlengd tot 11 februari 2021, en later – vanwege het coronavirus – tot 11 april 2021.
1.2
Eiseres heeft op 28 oktober 2019 een verzoek tot verlenging van de inburgeringstermijn ingediend, vanwege haar medische omstandigheden en analfabetisme. Hierbij verzoekt zij ook tot opschorting van verdere incassomaatregelen, waaronder opschorting van verhoging van het openstaand bedrag.
2. Verweerder heeft het verzoek van eiseres afgewezen, omdat het besluit waarin is bepaald dat de initiële inburgeringstermijn is verstreken in rechte onaantastbaar is geworden. Dat eiseres al eerder heeft verzocht om ontheffing van de inburgeringstermijn is geen reden om de inburgeringstermijn alsnog te verlengen. Ook leidt analfabetisme niet automatisch tot een verlenging van de inburgeringstermijn.
3. De voor deze zaak toepasselijke wet- en regelgeving is opgenomen in de aan deze uitspraak gehechte bijlage.
4.1
Eiseres voert aan dat het bestreden besluit onzorgvuldig tot stand is gekomen. Vanwege haar analfabetisme en haar medische omstandigheden zou zij een verlenging moeten krijgen. Verweerder heeft ten onrechte niet onderzocht of eiseres medisch gezien in staat is om het inburgeringsexamen succesvol af te ronden. Nu verweerder heeft nagelaten om een dergelijk onderzoek te verrichten zijn de besluiten, waaronder de besluiten waarin de boetes zijn opgelegd, onrechtmatig. Ook zou eiseres een ontheffing moeten krijgen.
4.2
De rechtbank overweegt dat het beroep enkel ziet op het besluit waarin het verzoek om verlenging van de inburgeringstermijn is afgewezen. Gelet hierop bespreekt de rechtbank in het kader van deze procedure de gronden gericht tegen de opgelegde boetes en tegen het niet in behandeling nemen van de aanvraag tot ontheffing niet. Overigens zijn de besluiten waarin de boetes zijn opgelegd reeds in rechte onaantastbaar geworden en kan eiseres een nieuw verzoek tot ontheffing bij verweerder indienen.
4.3
Uit een uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) van 7 april 2021, ECLI:NL:RVS:2021:714, volgt dat een redelijke uitleg van artikel 2.12, eerste lid, van het Besluit inburgering met zich brengt dat een verzoek om verlenging van de inburgeringstermijn niet meer kan worden ingediend als het besluit waarin is bepaald dat de initiële inburgeringstermijn is verstreken, in rechte onaantastbaar is geworden. Tegen het besluit van 26 april 2017 heeft eiseres bezwaar gemaakt, wat heeft geleid tot het besluit van 22 september 2017. Tegen dit besluit heeft eiseres geen rechtsmiddelen aangewend, zodat dit besluit op 3 november 2017 in rechte onaantastbaar is geworden. Eiseres had het verzoek dus voor 3 november 2017 moeten indienen. Dat eiseres vanwege haar medische omstandigheden en analfabetisme niet heeft kunnen inburgeren, maakt dit niet anders. Dit zijn namelijk argumenten die eiseres tegen het besluit van 26 april 2017 of 20 mei 2019 had moeten aanvoeren. Er zijn geen redenen voor verweerder om in het kader van een te laat ingediend verzoek tot verlenging een medisch onderzoek te verrichten. De beroepsgrond faalt.
5. Het beroep is ongegrond.
6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Dictum
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. G.A. Bouter-Rijksen, rechter, in aanwezigheid van
mr. F. van Ommeren, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 19 januari 2022.
De griffier is verhinderd te tekenen.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
Bijlage: juridisch kader
Het Besluit inburgering luidt – voor zover hier van belang – als volgt:
Artikel 2.12
1. Een aanvraag tot verlenging van de voor de inburgeringsplichtige geldende termijnen, bedoeld in de artikelen 7a, eerste lid, en 7b, eerste lid, van de wet, kan niet eerder worden ingediend dan zes maanden voor het verstrijken van die termijn. Onze Minister geeft binnen acht weken na ontvangst van de aanvraag een beschikking.
(…)