Rechtspraak Rechtbank Rotterdam 2022-03-18
ECLI:NL:RBROT:2022:3242
Civiel recht
RECHTBANK ROTTERDAM zaaknummer: 9447111 CV EXPL 21-30995 uitspraak: 18 maart 2022 vonnis van de kantonrechter, zitting houdende in Rotterdam, in de zaak van [eiseres] , gevestigd in [woonplaats eiseres] , eiseres, gemachtigde: mevrouw [naam gemachtigde] , tegen [gedaagde] in hoedanigheid van borg, wonende in [woonplaats gedaagde] , gedaagde, gemachtigde: mr. T.M. Vegting te Barendrecht. Partijen worden hierna aangeduid als ‘ [eiseres] ’ en ‘ [gedaagde] ’. 1.Het verloop van de procedure 1.1. Het verloop van de procedure volgt uit de volgende processtukken, waarvan de kantonrechter kennis heeft genomen: het exploot van dagvaarding van 9 september 2021, met producties; de conclusie van antwoord, met één productie; het tussenvonnis waarin een mondelinge behandeling is bepaald; de aanvullende producties 16 tot en met 20 aan de zijde van [eiseres] . 1.2. De mondelinge behandeling heeft op 18 februari 2022 digitaal via Teams plaatsgevonden. Namens [eiseres] is verschenen mevrouw [persoon A] , bijgestaan door de gemachtigde van [eiseres] . [gedaagde] is in persoon verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. De griffier heeft aantekeningen gemaakt van hetgeen tijdens de zitting is besproken. 1.3. De kantonrechter heeft de uitspraak van dit vonnis bepaald op vandaag. 2.De vaststaande feiten In deze procedure wordt uitgegaan van de volgende feiten: 2.1. [eiseres] is een bedrijf dat zich specialiseert in het in- en uitlenen van gelden. 2.2. [gedaagde] is van 23 februari 2017 tot 27 januari 2020 bestuurder van [bedrijf B] . (hierna: [bedrijf B] ) geweest. 2.3. Rond 5 september 2018 heeft [eiseres] aan [bedrijf B] een krediet ter hoogte van € 26.432,00 verstrekt. Op deze kredietverstrekking zijn algemene voorwaarden van toepassing. 2.4. In het kader van de kredietverstrekking aan [bedrijf B] is door [eiseres] een overeenkomst van borgtocht opgemaakt die digitaal als volgt is ondertekend: [ Afbeelding handtekeningen en namen gedaagde en bestuurder bedrijf B ] 2.5. De onderstaande aflossingen op de kredietverstrekking zijn gedaan door / namens [bedrijf B] : Datum: Bedrag: Totaal afgelost: 13 september 2018 € 559,14 € 559,14 20 september 2018 € 559,14 € 1.118,28 27 september 2018 € 559,14 € 1.677,42 4 oktober 2018 € 559,14 € 2.236,56 11 oktober 2018 € 559,14 € 2.795,70 24 oktober 2018 € 559,14 € 3.354,84 1 november 2018 € 559,14 € 3.913,98 8 november 2018 € 559,14 € 4.473,12 15 november 2018 € 559,14 € 5.032,26 20 december 2018 € 559,14 € 5.591,40 2.6. Op 5 februari 2019, 19 februari 2019, 1 maart 2019, 13 maart 2019, 2 april 2019, 10 april 2019 en 29 april 2019 heeft (de gemachtigde van) [eiseres] [bedrijf B] en/of [gedaagde] gesommeerd om het openstaande gedeelte van het krediet te betalen. 2.7. Per 27 januari 2020 is [bedrijf B] uitgeschreven uit het handelsregister. 2.8. Op 15 maart 2021 heeft (de gemachtigde van) [eiseres] [gedaagde] nogmaals gesommeerd het openstaande krediet te betalen. 2.9. Op de verzoeken aan [gedaagde] om zijn verplichtingen als borg van [bedrijf B] na te komen, heeft [gedaagde] geen gevolg gegeven. Op 19 maart 2021 heeft [gedaagde] per e-mail aan [eiseres] laten weten niet op de hoogte te zijn van de overeenkomst van geldlening dan wel de overeenkomst van borgtocht. 3.De vordering 3.1. [eiseres] vordert bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, [gedaagde] te veroordelen om aan [eiseres] te betalen een bedrag van € 21.824,01, te vermeerderen met de wettelijke handelsrente over € 26.432,00 te berekenen vanaf 9 september 2021 tot en met de dag van volledige betaling, met veroordeling van [gedaagde] in de proceskosten. 3.2. Aan haar vordering heeft [eiseres] - zakelijk weergegeven en voor zover van belang - het volgende ten grondslag gelegd. 3.2.1. [eiseres] stelt dat zij een rechtsgeldige overeenkomst van borgtocht met [gedaagde] heeft gesloten zodat zij, nu [bedrijf B] haar verplichtingen naar aanleiding van de kredietverstrekking niet nakomt, hem als borg mag aanspraken om deze verplichtingen na te komen. [eiseres] heeft gemotiveerd dat zij, gelet op de overgelegde documentatie, er op mocht vertrouwen dat zij bij het afsluiten van het krediet met [gedaagde] van doen had. Gelet op de gedane aflossingen resteert een bedrag van € 20.840,60 aan hoofdsom. 3.2.2. Door de wanbetaling van [gedaagde] zag [eiseres] zich genoodzaakt haar vordering ter incasso uit handen te geven en buitengerechtelijke kosten te maken. De gemaakte kosten van € 983,41 komen op grond van de wet en de algemene voorwaarden voor rekening van [gedaagde] . 4.Het verweer 4.1. Het verweer van [gedaagde] trekt tot afwijzing van de vordering. Hij heeft - zakelijk weergegeven en voor zover van belang - betwist dat tussen hem en [eiseres] een overeenkomst van borgtocht tot stand is gekomen. De handtekeningen onder al de documenten die [eiseres] heeft overgelegd zijn beslist niet van hem en ook het handschrift komt niet overeen met dat van hem. 5.1. [eiseres] heeft haar vordering gegrond op de overeenkomst van borgtocht die is ondertekend, zoals onder 2.4 is weergegeven. Vast staat dat deze overeenkomst digitaal is ondertekend. [gedaagde] betwist dat hij deze overeenkomst van borgtocht heeft gesloten en dat hij degene is geweest die de overeenkomst digitaal heeft ondertekend. 5.2. Het juridische kader van de elektronische handtekening wordt sinds 1 juli 2016 bepaald door Verordening (EU) nr. 910/2014 van het Europees parlement en de Raad van 23 juli 2014 betreffende elektronische identificatie en vertrouwensdiensten voor elektronische transacties in de interne markt en tot intrekking van Richtlijn 1999/93/EG (hierna: de eidas-verordening). In deze verordening en artikel 3:15a BW wordt een onderscheid gemaakt tussen drie verschillende soorten elektronische handtekeningen: de gekwalificeerde elektronische handtekening (artikel 3 lid 12 eidas-verordening); de geavanceerde elektronische handtekening (artikel 3 lid 11 eidas-verordening) en; de gewone elektronische handtekening (artikel 3 lid 10 eidas-verordening). Op grond van artikel 3:15a BW heeft een gekwalificeerde elektronische handtekening dezelfde rechtsgevolgen als een handgeschreven handtekening. De geavanceerde en de gewone elektronische handtekening hebben dezelfde rechtsgevolgen als een handgeschreven handtekening, indien voor deze beide elektronische handtekeningen een methode voor ondertekening is gebruikt die, gelet op het doel waarvoor de elektronische handtekening is gebruikt en gelet op alle overige omstandigheden van het geval, voldoende betrouwbaar is. 5.3. Desgevraagd heeft [eiseres] zich tijdens de mondelinge behandeling op het standpunt gesteld dat bij het digitaal ondertekenen van de overeenkomst van borgtocht gebruik is gemaakt van de in 2018 meest voor de hand liggende methode. Nu dit standpunt weinig houvast biedt omtrent de methode waar [eiseres] op doelt, zal de kantonrechter de verschillende soorten elektronische handtekeningen nagaan. Ingevolge artikel 3 lid 12 eidas-verordening is een gekwalificeerde elektronische handtekening een handtekening die is aangemaakt met een gekwalificeerd middel voor het aanmaken van elektronische handtekeningen en die is gebaseerd op een gekwalificeerd certificaat voor elektronische handtekeningen. Op grond van artikel 3 lid 23 eidas-verordening is een gekwalificeerd middel een middel voor het aanmaken van elektronische handtekeningen dat voldoet aan de eisen van bijlage II bij de eidas-verordening. Artikel 3 lid 15 eidas-verordening definieert een gekwalificeerd certificaat voor elektronische handtekeningen als een certificaat dat is afgegeven door een gekwalificeerde verlener van vertrouwensdiensten en voldoet aan de eisen van bijlage I bij de eidas-verordening. Een gekwalificeerde verlener van vertrouwensdiensten is, volgens artikel 3 lid 20 eidas-verordening, een verlener van vertrouwensdiensten die één of meer vertrouwensdiensten (zoals bijvoorbeeld het aanmaken, verifiëren en valideren van elektronische handtekeningen, vgl. artikel 3 lid 16, sub a eidas-verordening) verleent en van het toezichthoudende orgaan van een EU-lidstaat de status van gekwalificeerd heeft gekregen. [eiseres] heeft niet gesteld en ook is niet gebleken dat het door haar gebruikte programma een gekwalificeerd middel is noch dat de handtekening is gebaseerd op een gekwalificeerd certificaat in de zin van de eidas-verordening. 5.4. Gezien het vorenstaande kan de door [eiseres] gebruikte handtekening niet worden aangemerkt als een gekwalificeerde elektronische handtekening. Ingevolge artikel 3:15a BW dient vervolgens gekeken te worden of de methode van ondertekening, gelet op het doel en de overige omstandigheden van het geval, voldoende betrouwbaar is. Hiervoor is van belang hoe de overeenkomst van borgtocht en hoe de digitale handtekening tot stand zijn gekomen. Ook de aard van de overeenkomst is van belang. 5.5. [eiseres] heeft gesteld dat de digitale ondertekening van de overeenkomst van geldlening met bijbehorende overeenkomst van borgtocht tot stand is gekomen met behulp van het programma Adobe Sign op de volgende wijze. Op 9 maart 2018 heeft [gedaagde] aan [eiseres] MT940-bestanden van de door hem gebruikte rekeningen aan [eiseres] gemaild. Op 5 september 2018 is via de website van “ [naam website] powered by [eiseres] ” een document met betrekking tot een krediet aanvraag voor [bedrijf B] binnengekomen. Dit document is bekeken en goedgekeurd door [eiseres] . Vervolgens is op 5 september 2018 een document via e-mail verzonden naar [gedaagde] ter ondertekening en is de identiteit van [gedaagde] geverifieerd via telefonische verificatie. Bij deze telefonische verificatie wordt een code per SMS naar het door de aanvrager opgegeven telefoonnummer gestuurd. Voorts heeft [gedaagde] ondersteunende documenten geüpload. [eiseres] heeft een kopie van het paspoort van [gedaagde] ontvangen evenals een door [gedaagde] getekende Ultimate Beneficial Owner Verklaring, informatie over opdrachtgevers van [bedrijf B] waaruit het handschrift van [gedaagde] blijkt en een geactiveerde incassomachtiging voor de rekening van [bedrijf B] met daarbij het e-mailadres van [gedaagde] . Nadat [gedaagde] en [eiseres] de overeenkomst digitaal hadden ondertekend is het ondertekende document aan [gedaagde] gemaild en is gevraagd € 0,01 over te maken van de rekening van [bedrijf B] naar de rekening van [eiseres] . Op 6 september 2018 is deze € 0,01 cent ook overgemaakt van de rekening van [bedrijf B] naar [eiseres] . Nadat [eiseres] had vastgesteld dat het opgegeven rekeningnummer inderdaad van [bedrijf B] was heeft [eiseres] op 6 september 2018 € 20.000,00 op dit rekeningnummer overgemaakt. 5.6. Gelet op het voorgaande is de kantonrechter van oordeel dat het verificatieproces van [eiseres] vooral ziet op de contracterende onderneming en in mindere mate op de vertegenwoordigingsbevoegdheid van de afsluiter. Het enige direct aan [gedaagde] te relateren document waarover [eiseres] beschikt is de kopie van zijn paspoort. Vast staat dat er voorafgaand aan het sluiten van de overeenkomsten op geen enkel moment direct persoonlijk contact is geweest tussen [eiseres] aan de ene kant en [gedaagde] aan de andere kant, terwijl ook niet is gebleken dat partijen eerder zaken met elkaar hebben gedaan. Hoewel geen enkele methode van ondertekening bestand zal zijn tegen alle mogelijke vormen van misbruik, levert de door [eiseres] gevolgde methode een groot risico op van misbruik door personen die de beschikking hebben over de e-mailadressen en de bankgegevens van een vennootschap en over de persoonsgegevens van haar bestuurders. Een dergelijke vorm van identiteitsfraude is bij volledig digitale handelsbetrekkingen een voorzienbaar en niet te verwaarlozen risico. Om de identificatie bij een elektronische handtekening te waarborgen, kan gebruik worden gemaakt van een gekwalificeerde of geavanceerde elektronische handtekening als bedoeld in artikel 3:15a BW. 5.7. Zoals in 5.4 is overwogen is de gebruikte digitale handtekening niet aan te merken als een gekwalificeerde elektronische handtekening. De kantonrechter oordeelt dat de gebruikte handtekening ook niet is aan te merken als een geavanceerde elektronische handtekening. Hiervoor is immers op grond van artikel 26 eidas-verordening vereist dat de handtekening: op unieke wijze aan de ondertekenaar is verbonden; het mogelijk maakt de ondertekenaar te identificeren; tot stand komt met gegevens voor het aanmaken van elektronische handtekeningen die de ondertekenaar, met een hoog vertrouwensniveau, onder zijn uitsluitende controle kan gebruiken, en; op zodanige wijze met de daarmee ondertekende gegevens is verbonden dat elke wijziging achteraf van de gegevens kan worden opgespoord. De kantonrechter: wijst de vorderingen van [eiseres] af; veroordeelt [eiseres] in de proceskosten, tot aan deze uitspraak aan de zijde van [gedaagde] vastgesteld op € 996,00 aan salaris voor de gemachtigde. Dit vonnis is gewezen door mr. D.L. Spierings en uitgesproken op een openbare terechtzitting. 44485