Rechtspraak
Rechtbank Rotterdam
2022-03-11
ECLI:NL:RBROT:2022:1748
Bestuursrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
2,659 tokens
Inleiding
Rechtbank Rotterdam
Zittingsplaats Dordrecht
Bestuursrecht
zaaknummers: ROT 21/1554 en ROT 21/4684
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 11 maart 2022 in de zaken tussen
[naam eiser], te [woonplaats eiser], eiser,
gemachtigde: mr. M.N. Greeven,
en
de minister voor Rechtsbescherming, verweerder,
gemachtigde: mr. A.P.N. de Bruin.
Procesverloop
Het beroep ROT 21/1554
Bij besluit van 16 september 2020 (primair besluit 1) heeft verweerder de aanvraag van eiser om de afgifte van een verklaring omtrent het gedrag (VOG) op grond van de Wet justitiële strafvorderlijke gegevens (Wjsg) afgewezen.
Bij besluit van 11 maart 2021 (bestreden besluit 1) heeft verweerder het bezwaar van eiser tegen primair besluit 1 ongegrond verklaard.
Eiser heeft tegen bestreden besluit 1 het beroep met zaaknummer ROT 21/1554 ingesteld.
Verweerder heeft een verweerschrift en een aanvullend verweerschrift ingediend.
Het beroep ROT 21/4684
Bij besluit van 18 juni 2021 (primair besluit 2) heeft verweerder opnieuw een aanvraag van eiser om afgifte van een VOG afgewezen.
Bij besluit van 25 augustus 2021 (bestreden besluit 2) heeft verweerder het bezwaar van eiser tegen primair besluit 2 ongegrond verklaard.
Eiser heeft tegen bestreden besluit 2 het beroep met zaaknummer ROT 21/4684 ingesteld.
Het onderzoek ter zitting in beide zaken heeft plaatsgevonden op 15 februari 2022. Namens partijen zijn de gemachtigden verschenen. Eiser heeft de zitting via een videoverbinding bijgewoond.
Overwegingen
1.1.
Eiser, geboren in [jaartal], is blijkens het Justitieel Documentatie Systeem op 8 oktober 2019 met Justitie in aanraking gekomen. Hij is op die datum in voorlopige hechtenis genomen op verdenking van hennepteelt. Op 25 oktober 2019 is eiser vrijgekomen nadat de voorlopige hechtenis was geschorst. Op 2 maart 2021 is eiser, verkort weergegeven, ten laste gelegd dat hij, alleen dan wel in samenwerking met anderen, in de periode van 1 juni 2019 tot en met 8 oktober 2019 43.368 hennepstekken heeft geteeld, bewerkt, verwerkt en/of aanwezig heeft gehad.
1.2.
Op 11 november 2019 heeft eiser een VOG aangevraagd ten behoeve van een vergunning voor beroepsgoederenvervoer van de Nationale en Internationale Wegvervoer Organisatie (NIWO) te Rijswijk (de eerste aanvraag). Deze vergunning is verplicht voor bedrijven die actief zijn in het beroepsgoederenvervoer over de weg. Op de aanvraag is het algemene screeningsprofiel met de risicogebieden informatie, geld, zakelijke transacties, proces en aansturen organisatie van toepassing verklaard.
Bij besluit op bezwaar van 8 april 2020 heeft verweerder de weigering van de VOG gehandhaafd. Het beroep hiertegen is bij uitspraak van deze rechtbank van 12 mei 2021 (ROT 20/2212) ongegrond verklaard.
1.3.
Op 26 juni 2020 heeft eiser opnieuw een VOG voor hetzelfde doel aangevraagd (de tweede aanvraag). De VOG is bij primair besluit 1 van 16 september 2020 geweigerd en deze weigering is bij bestreden besluit 1 van 11 maart 2021 gehandhaafd.
1.4.
Op 26 april 2021 heeft eiser voor de derde maal een VOG voor dit doel aangevraagd (de derde aanvraag). De VOG is bij primair besluit 2 van 18 juni 2021 geweigerd en deze weigering is bij bestreden besluit 2 van 25 augustus 2021 gehandhaafd.
2. Aan de handhaving van de afwijzing van de tweede en derde aanvraag in de bestreden besluiten heeft verweerder het volgende ten grondslag gelegd.
Binnen de geldende terugkijktermijn van vijf jaar is een strafbaar feit gebleken dat objectief gezien een belemmering vormt voor de behoorlijke uitoefening van de functie waarvoor de VOG is aangevraagd. Een drugsdelict, ook als het daarbij gaat om hand- en spandiensten, vormt bij herhaling in de functie van beroepsgoederenvervoerder een risico voor de samenleving, doordat het distributienetwerk van de werkgever misbruikt kan worden voor het plegen van drugsdelicten. Dat eiser hiervoor niet is veroordeeld en de zaak nog loopt, is naar vaste rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) niet van belang. Een redelijke verdenking van het plegen van een strafbaar feit is voldoende om de VOG te weigeren. In dit geval is er volgens verweerder een redelijke verdenking omdat eiser heeft bekend.
Het risico weegt in dit geval volgens verweerder zwaarder dan eisers belang bij een functie als beroepsgoederenvervoerder. Verweerder heeft in dit verband doorslaggevend gewicht toegekend aan de ernst van de verdenking, die volgens verweerder tot uitdrukking komt in de omvangrijke hoeveelheid hennepstekken, de duur van het vermeende feit, alsook dat aanleiding is gezien eiser na zijn aanhouding in voorlopige hechtenis te nemen. Verweerder acht het tijdsverloop, afgezet tegen de geldende terugkijktermijn, tussen de beide aanvragen en het strafbare feit onvoldoende om te kunnen concluderen dat eiser zonder risico de functie van beroepsgoederenvervoerder kan uitoefenen. Daarbij heeft verweerder onder meer in aanmerking genomen dat eisers financiële problemen nog steeds niet zijn opgelost, althans eiser daarover niet volledig open is, en dat daarom recidive door de reclassering niet wordt uitgesloten.
3. Eiser stelt zich op het standpunt dat aan het objectieve criterium niet is voldaan. Het strafbare feit dat eiser heeft begaan, levert geen risico op voor het vervullen van een functie als beroepsgoederenvervoerder. Eiser heeft immers slechts de verzorging van hennepplanten op zich genomen om wat geld bij te verdienen en heeft zich nooit beziggehouden met het verhandelen of distribueren van hennep of het organiseren van hennepteelt.
Voor zover al aan het objectieve criterium is voldaan, had verweerder in eisers persoonlijke omstandigheden aanleiding moeten zien de gevraagde VOG te verlenen. Er zijn geen verdere relevante antecenten. Eiser werkt al sinds 2017 als pakketbezorger en daarbij zijn nooit onregelmatigheden geconstateerd. Eiser heeft een gezin te onderhouden. Zijn schulden hebben eiser verleid tot een eenmalige misstap. Het is aannemelijk dat bij een eventuele vervolging het strafbare feit hem niet zwaar zal worden aangerekend. Zonder VOG dreigt eiser te worden ontslagen en kan hij geen beter verdienende functies in het beroepsgoederenvervoer vervullen. De reclassering is zeer positief over eiser, acht de kans op recidive klein en adviseert de VOG te verlenen omdat deze van groot belang is voor eiser om zijn leven weer op de rails te krijgen. Gelet hierop en op het tijdsverloop sinds het vermeende strafbare feit, zeker ten tijde van de derde aanvraag, had verweerder in redelijkheid niet vanwege het risico op herhaling de VOG nog langer mogen weigeren.
De rechtbank komt tot de volgende beoordeling.
4. In artikel 28 van de Wjsg wordt een VOG omschreven als een verklaring van verweerder dat uit een onderzoek met betrekking tot het gedrag van de betrokken natuurlijke persoon, gelet op het risico voor de samenleving in verband met het doel waarvoor de afgifte is aangevraagd en na afweging van het belang van betrokkene, niet is gebleken van bezwaren tegen die natuurlijke persoon.
Op grond van artikel 35, eerste lid, van de Wjsg weigert verweerder de afgifte van een VOG, indien in de justitiële documentatie met betrekking tot de aanvrager een strafbaar feit is vermeld dat, indien herhaald, gelet op het risico voor de samenleving en de overige omstandigheden van het geval, aan het doel waarvoor de VOG wordt gevraagd in de weg zal staan.
Bij de beoordeling van een aanvraag om afgifte van een VOG worden door verweerder de criteria gehanteerd die zijn neergelegd in de Beleidsregels VOG-NP-RP 2018 (Staatscourant 1 december 2017, nr. 68620; hierna: de Beleidsregels).
5. Gelet op het bepaalde in paragraaf 3.1.1, onder b en e, in samenhang met paragraaf 3.1.2 van de Beleidsregels, bedraagt de terugkijktermijn vijf jaar, te rekenen vanaf eisers aanhouding op 8 oktober 2019, vermeerderd met de dagen dat eiser in voorlopige hechtenis doorbracht.
6. Nu eiser binnen de te hanteren terugkijktermijn voorkomt in de justitiële documentatie, beoordeelt verweerder op grond van de Beleidsregels de afgifte van de VOG aan de hand van een objectief criterium en een subjectief criterium.
7.1.
In paragraaf 3.2. van de Beleidsregels is bepaald dat de afgifte van de VOG wordt geweigerd indien wordt voldaan aan het objectieve criterium. Dit criterium betreft de beoordeling of de justitiële gegevens die ten aanzien van de aanvrager zijn aangetroffen, indien herhaald, gelet op het risico voor de samenleving, een belemmering vormen voor een behoorlijke uitoefening van de functie, taak of bezigheid waarvoor de VOG is aangevraagd.
7.2.
Paragraaf 3.3. van de Beleidsregels bepaalt dat op grond van het subjectieve criterium kan worden geoordeeld dat het belang dat een aanvrager heeft bij het verstrekken van de VOG, zwaarder weegt dan het belang van de samenleving bij bescherming tegen het door middel van het objectieve criterium vastgestelde risico voor de samenleving. In dat geval wordt de VOG afgegeven ondanks dat wordt voldaan aan het objectieve criterium.
Paragraaf 3.3.1 bepaalt, voor zover van belang, dat omstandigheden van het geval die altijd in de beoordeling worden betrokken zijn: de afdoening van de strafzaak; het tijdsverloop; de hoeveelheid antecedenten.
8.
Dictum
De rechtbank verklaart de beroepen ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. S. Veling, rechter, in aanwezigheid van mr. M. Lammerse, griffier. De uitspraak is in het openbaar gedaan op 11 maart 2022.
De griffier en de rechter zijn verhinderd de uitspraak te ondertekenen
griffier rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.