Rechtspraak
Rechtbank Rotterdam
2021-06-17
ECLI:NL:RBROT:2021:5762
Bestuursrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
1,915 tokens
Inleiding
RECHTBANK ROTTERDAM
Zittingsplaats Rotterdam
Bestuursrecht
zaaknummer: ROT 20/3303
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 17 juni 2021 in de zaak tussen
[naam eiser] , te [woonplaats] , eiser,
en
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Rotterdam, verweerder,
(gemachtigde: mr. M.A.C. Kooij).
Procesverloop
In het besluit van 16 februari 2020 (primair besluit I) heeft verweerder de aanvraag van eiser voor een permanente parkeervergunning bewoners (parkeervergunning) afgewezen.
In het besluit van 23 februari 2020 (primair besluit II) heeft verweerder de aanvraag van eiser voor een parkeervergunning afgewezen.
In het besluit van 9 juni 2020 (bestreden besluit) heeft verweerder de bezwaren van eiser tegen het primaire besluit I en het primaire besluit II ongegrond verklaard.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 27 mei 2021. Eiser is verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.
Overwegingen
1. Eiser woont op de [adres] in Rotterdam. Dit adres beschikt over een bijbehorende parkeervoorziening. Eiser heeft op 16 februari 2020 en op 23 februari 2020 een aanvraag voor een parkeervergunning ingediend.
2. Verweerder heeft de aanvragen afgewezen, omdat er volgens Publiekszaken sprake is van een in het gebouw- of gebouwencomplex bijbehorende parkeervoorziening. Verweerder overweegt hierbij dat uit artikel 5, eerste lid, aanhef en onder b, van het Uitvoeringsbesluit parkeren Rotterdam 2020 (Uitvoeringsbesluit) blijkt dat wanneer een persoon woonachtig is in een gebouw(encomplex) waartoe parkeergelegenheid behoort, hij/zij niet in aanmerking komt voor een parkeervergunning. Eiser heeft de mogelijkheid zijn auto in een bijbehorende parkeergarage te parkeren, en komt dus niet in aanmerking voor een parkeervergunning.
3. De voor deze zaak toepasselijke wet- en regelgeving zijn opgenomen in de aan deze uitspraak gehechte bijlage.
4.1
Eiser voert aan dat de parkeervergunning ten onrechte is afgewezen. Eiser rijdt in een elektrische auto, zijn werkgever verplicht hem daartoe. De bijbehorende parkeergarage is automatisch, waardoor hij niet bij zijn auto kan komen als deze daar geparkeerd staat en hij er zijn auto al helemaal niet kan opladen. Voor zover verweerder aandraagt dat een passende oplossing, zoals een laadpaal in de parkeergarage, gezocht moet worden, stelt eiser dat dit niet mogelijk is. Niemand mag in de parkeergarage komen, dus een laadpaal is geen oplossing.
4.2
Niet in geschil is dat eiser woonachtig is in een gebouw of gebouwencomplex met bijbehorende parkeervoorziening. Gelet daarop staat vast dat eiser niet voldoet aan de voorwaarde van artikel 5, eerste lid, aanhef en onder b, van het Uitvoeringsbesluit en was verweerder bevoegd om de vergunning te weigeren. Dat eiser zijn auto niet kan opladen in de garage doet er niet aan af, dat hij er kan parkeren. De rechtbank kan de wijze waarop verweerder van deze bevoegdheid gebruik maakt slechts terughoudend toetsen.
4.3
Voor zover eiser een beroep heeft willen doen op de uitzondering uit artikel 5, achtste lid, van het Uitvoeringsbesluit, overweegt de rechtbank als volgt. Eiser heeft een ondertekende verklaring van de eigenaar van de parkeergarage overlegd, waaruit blijkt dat in de parkeergarage aan de [naam locatie] geen parkeerplaatsen beschikbaar zijn voor het opladen van elektrische auto’s. In de verklaring staat niet dat eiser niet feitelijk kan beschikken over de bijbehorende of toegewezen parkeervoorziening. Ook staat niet in de verklaring dat eiser op de wachtlijst voor een parkeerplek is geplaatst. Deze verklaring is dan ook geen verklaring zoals bedoeld in artikel 5, achtste lid, van het Uitvoeringsbesluit. De beroepsgrond faalt derhalve.
4.4
Voor zover eiser een beroep heeft willen doen op de hardheidsclausule uit artikel 11 van het Uitvoeringsbesluit, overweegt de rechtbank als volgt. De rechtbank begrijpt dat het beleid van verweerder tot praktische problemen voor eiser kan leiden, desondanks heeft verweerder op zitting voldoende toegelicht dat dit beleid gerechtvaardigd wordt door de schaarste van parkeerruimte in de stad. Gelet hierop heeft verweerder zich op het standpunt mogen stellen dat eiser de mogelijkheid heeft om zijn auto voor of na het parkeren in de eigen garage op te laden bij één van de oplaadpunten in zijn woonomgeving en elders in Rotterdam, en dat dit standpunt niet van een bijzondere hardheid getuigt. Dit zou anders kunnen zijn indien eiser aannemelijk had gemaakt dat hij dusdanig afhankelijk is van een oplaadpaal in de nabijheid van zijn woning dat het opladen op een andere plek niet van hem kan worden gevergd. De enkele stelling van eiser dat hij parkeerkosten dient te betalen voor het opladen bij zijn huis is hiervoor onvoldoende (zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 27 november 2019, ECLI:NL:RVS:2019:3973). De beroepsgrond faalt derhalve.
5. Het beroep is ongegrond.
6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Dictum
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. G.C.W. van der Feltz, rechter, in aanwezigheid van mr. F. van Ommeren, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 17 juni 2021.
de griffier is buiten staat de rechter is verhinderd te tekenen
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
Bijlage: juridisch kader
Het Uitvoeringsbesluit parkeren Rotterdam 2020 luidt – voor zover hier van belang – als volgt:
Artikel 5 Bewonersvergunning
1. Het college verleent, onverminderd de artikelen 2, 3 en 3a, op aanvraag een bewonersvergunning aan een bewoner, indien:
(…)
b. de aanvrager woonachtig is in een gebouw of gebouwencomplex zonder een bijbehorende of toegewezen parkeervoorziening, en;
(…)
8. In afwijking van het eerste lid, onder b, wordt uitsluitend een vergunning voor maximaal 12 maanden verleend indien de aanvrager aantoont dat aanvrager op het moment van de aanvraag feitelijk niet over de bijbehorende of toegewezen parkeervoorziening beschikt of had kunnen beschikken. Hiertoe is een maximaal zes weken oude schriftelijke verklaring van de eigenaar en/of beheerder van de parkeervoorziening vereist. De verklaring gericht aan de aanvrager en op papier met logo moet ondertekend zijn en tevens verklaren dat de aanvrager op de wachtlijst is geplaatst.
(…)
Artikel 11 Hardheidsclausule
Van het bepaalde in dit uitvoeringsbesluit kan het college afwijken indien toepassing van dit besluit tot onbillijkheid van overwegende aard leidt.