Rechtspraak
Rechtbank Rotterdam
2021-02-17
ECLI:NL:RBROT:2021:1584
Strafrecht
Beschikking
6,226 tokens
Inleiding
Rechtbank Rotterdam
Team straf 2
Parketnummer: 10/208139-20
Raadkamernummers: 20/2287 (552a Sv)
21/355 (552f Sv)
Beschikking van de rechtbank Rotterdam, enkelvoudige raadkamer, op het klaagschrift van:
[naam klager] , klager,
geboren te [geboorteplaats klager] op [geboortedatum klager] ,
voor deze zaak domicilie kiezende te (2556 LB) ’s-Gravenhage, Sportlaan 40 ten kantore van zijn raadsman mr. H. Sytema.
Procedure
Op 16 september 2020 is op grond van artikel 552a van het Wetboek van Strafvordering (Sv) een klaagschrift ingediend.
Het klaagschrift is op 17 februari 2021 door de raadkamer in het openbaar behandeld. De officier van justitie mr. H. van Galen en de raadsman mr. H. Sytema zijn gehoord. De klager en [naam] (hierna ook: de beslagene) zijn, hoewel behoorlijk opgeroepen, niet verschenen.
Feiten
Op 16 augustus 2020 is onder [naam] beslag gelegd op een bestelauto van het merk Renault, type Kangoo, voorzien van het kenteken [kentekennummer] (hierna: de auto).
Het beslag is gelegd op grond van artikel 1:37 van de Douanewet, omdat in de auto een verborgen ruimte is aangetroffen die geschikt is om voorwerpen aan het ambtelijk toezicht te onttrekken. In de verborgen ruimte werd een geldbedrag van € 27.010,- aangetroffen.
De officier van justitie heeft op 15 oktober 2020 een vordering ingediend tot onttrekking aan het verkeer van deze auto.
Standpunt klager/belanghebbende en standpunt officier van justitie
Het klaagschrift strekt primair tot teruggave aan de klager van de personenauto. Aangevoerd is dat de klager geen bemoeienissen gehad met de verborgen ruimte. Klager wist niets af van de verborgen ruimte. Hij heeft de auto uitgeleend, en wordt nu onevenredig zwaar getroffen bij toewijzing van de vordering tot onttrekking aan het verkeer van zijn auto, gelet op de geschatte waarde van € 8.000,- .
Subsidiair verzoekt de raadsman de behandeling van het klaagschrift aan te houden om aanvullend onderzoek uit te laten voeren door de politie waarbij klager, de beslagene en diens bijrijder kunnen worden gehoord, onder andere over hoe lang -en aan wie- de auto is uitgeleend.
De officier van justitie heeft geconcludeerd tot ongegrondverklaring van het beklag. Hij heeft daarbij opgemerkt dat de door de raadsman genoemde waarde van de auto niet wordt bestreden. Verder is in een veelheid aan strafzaken al vastgesteld dat het aanbrengen en/of hebben van een verborgen ruimte in een voertuig is bedoeld is om ongezien verboden zaken zoals drugs, misdaadgeld en/of wapens te vervoeren. Een dergelijk voertuig is daardoor een voorwerp dat tot het begaan van strafbare feiten is vervaardigd/ bestemd of geprepareerd en om die reden valt het daarmee onder de reikwijdte van artikel 36c sub 5 van het Wetboek van strafrecht. Het ongecontroleerde bezit van z’n voertuig is in strijd met het algemeen belang. Er hoeft geen concreet strafbaar feit te zijn begaan met dat voertuig. Dit laatste brengt met zich dat het verzoek tot aanvullend onderzoek door de politie moet worden afgewezen.
Het teruggeven van een voertuig met (een) verborgen ruimte(n) kan niet aan de orde zijn, omdat deze voertuigen (opnieuw) gebruikt kunnen (en zullen) worden om ernstige strafbare feiten mee te plegen. Derhalve dient het voertuig ook te worden onttrokken aan het verkeer. De officier van justitie verwijst verder in zijn requisitoir naar een aantal uitspraken van de rechtbank Rotterdam ECLI:NL:RBROT:2020:9493 van 13 maart 2020, de rechtbank Amsterdam onder ECLI:NL:RBAMS:2020:4758 van 11 december 2019, het arrest van het gerechtshof Den Haag onder ECLI:NL:GHDHA:2020:2080 van 28 oktober 2020 en het arrest van de Hoge Raad onder ECLI:NL:HR:2003:AL6178 van 11 maart 2003.
Ten aanzien van de mogelijkheid van een vorm van financiële compensatie heeft de officier van justitie aangegeven dat het voertuig zal worden vernietigd na het onherroepelijk worden van een evt. beslissing tot onttrekking aan het verkeer. Er zal dus voor de staat geen financiële opbrengst zijn. Het aanwezig hebben van het voertuig met een verborgen ruimte komt voor rekening en risico van de klager. Gelet op de hiervoor omschreven functie van een verborgen ruimte in een voertuig, is er geen reden voor een geldelijke tegemoetkoming en wordt de rechtbank verzocht dit bedrag op nihil te stellen.
Beoordeling
Inleiding
Uit de stukken leidt de rechtbank het volgende af. De auto is in beslag genomen op grond van artikel 1:37 van de Douanewet. Uit de bevindingen van de verbalisanten en de bij het proces-verbaal gevoegde foto’s volgt dat de auto kennelijk was ingericht om (illegale) goederen/gelden aan het ambtelijk toezicht te onttrekken. In de auto is door de politie onder de laadvloer een ruimte aangetroffen die met een magneet(sluiting) geopend kon worden, maar pas indien/nadat de auto was gestart en de achteruitverwarming was aangezet. Het beslag op de auto voldoet hiermee aan de wettelijke vereisten voor een beslag op grond van art. 1:37 van de Algemene Douanewet.
In deze verborgen ruimte is een bedrag van € 27.010,- aangetroffen door de politie.
De politierechter heeft beslagene op 27 november 2020 veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 5 weken, waarbij tevens de verbeurdverklaring is uitgesproken van het geldbedrag van € 27.010 .
De rechtbank zal hierna eerst de vordering tot onttrekking aan het verkeer behandelen. Indien die vordering wordt toegewezen, behoeft het klaagschrift niet meer te worden behandeld.
Beoordeling
Ingevolge het bepaalde in artikel 36d van het Wetboek van strafrecht is de auto o.a. dan vatbaar voor onttrekking aan het verkeer indien de auto van zodanige aard is dat het ongecontroleerde bezit daarvan in strijd is met het algemeen belang. Daarvan is sprake indien de auto in de huidige toestand heeft gediend en nog steeds kan dienen tot het begaan of de voorbereiding van misdrijven, dan wel de opsporing ervan kan belemmeren. De verborgen ruimte in de auto is kennelijk aangelegd met het doel ervoor te zorgen dat criminele activiteiten onontdekt -dus mogelijk- blijven en/of de feitelijke uitvoering ervan minder risico’s voor de daders oplevert en aldus wordt vergemakkelijkt.
De rechtbank is op grond van het voorgaande en de omstandigheden waaronder de auto in beslag is genomen van oordeel dat de auto vatbaar is voor onttrekking aan het verkeer en zal de vordering derhalve toewijzen en bepalen dat de auto wordt onttrokken aan het verkeer.
Geldelijke tegemoetkoming
Bij een beslissing tot onttrekking aan het verkeer is op grond van artikel 36b lid 2 van het Wetboek van strafrecht is artikel 33 lid 2 van dat wetboek van overeenkomstige toepassing. Artikel 33c lid 2 luidt: “De rechter kent een vergoeding, als bedoeld in het eerste lid, of een geldelijke tegemoetkoming toe wanneer dit nodig is om te voorkomen dat de verdachte, of een ander aan wie de verbeurd verklaarde voorwerpen toebehoren, onevenredig zou worden getroffen”.
De rechtbank leest de bepaling zo dat daarbij (met name) gedoeld wordt op het vermogen van beslagene/rechthebbende van het te onttrekken voorwerp.
Bij een beslissing tot onttrekking aan het verkeer is op grond van artikel 36b lid 2 van het Wetboek van strafrecht is artikel 33 lid 2 van dat wetboek van overeenkomstige toepassing. Artikel 33c lid 2 luidt: “De rechter kent een vergoeding, als bedoeld in het eerste lid, of een geldelijke tegemoetkoming toe wanneer dit nodig is om te voorkomen dat de verdachte, of een ander aan wie de verbeurd verklaarde voorwerpen toebehoren, onevenredig zou worden getroffen”.
De rechtbank leest de bepaling zo dat daarbij (met name) gedoeld wordt op het vermogen van beslagene/rechthebbende van het te onttrekken voorwerp.
Voor een antwoord op de vraag of een geldelijke vergoeding behoort te worden toegekend, zijn steeds de feiten en omstandigheden in de concrete zaak bepalend. De auto is voorzien van een verborgen ruimte en behoort daardoor, gelet op het bovenstaande, geen onderdeel uit te maken van het maatschappelijk verkeer. Reeds daaruit volgt dat een dergelijke auto in beginsel geen of maar zeer beperkte waarde heeft.
De rechtbank kent bij dit alles ook, en in het nadeel van klager, gewicht toe aan de omstandigheid dat dergelijke professioneel aangelegde geheime bergplaatsen, behoudens duidelijke aanwijzingen voor het –onschuldige- tegendeel, in de realiteit van 2021 veelal blijken te worden gebruikt voor het heimelijk (kunnen) vervoeren van strafbare voorwerpen (wapens, drugs) en/of van (crimineel) geld. In deze zaak zijn van de zijde van klager geen feiten of omstandigheden gesteld (of anderszins aannemelijk geworden) die wijzen op een onschuldig ander gebruik van de verborgen ruimte. Dat anderen die ruimte zouden hebben aangebracht in de auto buiten medeweten van de rechthebbende, is niet aannemelijk geworden.
Een tweede punt van belang is artikel 1:37 van de Algemene Douanewet. Deze wetsbepaling geeft een strak juridisch kader voor, kort gezegd, auto’s met een verborgen ruimte. Lid 1 van art. 1:37 verplicht tot inbeslagname, waarna –behoudens de uitzondering bedoeld in art. 1:37 lid 6- op grond van art. 1:37 lid 4 het betreffende voertuig vervalt aan de staat. Dit wetsartikel spreekt niet van een vorm van vergoeding, maar schept in art. 1:37 lid 8 de bevoegdheid aan de zijde van de Minister van Financiën “om in bijzondere gevallen de aan de staat vervallen vervoermiddelen en voorwerpen onder door hem te stellen voorwaarden aan de eigenaar terug te geven”. In het verleden was deze bevoegdheid uitgewerkt in een regeling die, na betaling van een bepaald geldbedrag en herstel in de oorspronkelijke toestand, door de Douane/Belastingdienst tot teruggave werd overgegaan. Deze regeling wordt na een beleidswijziging inmiddels niet langer toegepast, zo leidt de rechtbank af uit de toelichting van de officier van justitie.
Alles overwegend acht de rechtbank geen feiten en omstandigheden aannemelijk geworden die tot gevolg hebben dat klager door de onttrekking aan het verkeer in zijn vermogen of anderszins onevenredig is getroffen.
Afwijzing voorwaardelijk verzoek tot nader onderzoek
De raadsman heeft (voorwaardelijk) verzocht aanvullend onderzoek te laten doen naar, kort gezegd, het feitelijk gebruik van de auto voorafgaand aan de inbeslagneming. De resultaten van dergelijk aanvullend onderzoek kunnen echter niet afdoen aan de concrete feiten en omstandigheden met betrekking tot de auto die hebben geleid tot de beslissing tot onttrekking aan het verkeer en/of het niet toekennen van een vergoeding als bedoeld in art. 33c lid 2 van het Wetboek van strafrecht. Om die reden wordt door het achterwege laten van het (voorwaardelijk) gevraagde aanvullend onderzoek klager redelijkerwijs niet in zijn belangen geschaad.
Beklag tegen inbeslagneming
Uit de toewijzing van de vordering tot onttrekking aan het verkeer volgt verder dat het beklag tegen het beslag ongegrond is.
Dictum
De rechtbank:
t.a.v. het onder RK-nummer 20/2287 ingeschreven verzoek:
- verklaart het beklag ongegrond;
t.a.v. het onder RK-nummer 21/355 ingeschreven verzoek:
- wijst toe de vordering onttrekking aan het verkeer en
bepaalt dat de Renault Kangoo, kleur wit, kenteken [kentekennummer] ,
wordt onttrokken aan het verkeer;
- bepaalt dat aan klager geen geldelijke vergoeding wordt toegekend.
Deze beschikking is gegeven door mr. W.A.F. Damen, rechter,
in tegenwoordigheid van L. Bouter, griffier,
en in het openbaar uitgesproken op 17 februari 2021.
Tegen deze beslissing kan het openbaar ministerie binnen veertien dagen na dagtekening daarvan en de klager binnen veertien dagen na betekening daarvan cassatie bij de Hoge Raad instellen
Inleiding
Rechtbank Rotterdam
Team straf 2
Parketnummer: 10/208139-20
Raadkamernummers: 20/2287 (552a Sv)
21/355 (552f Sv)
Beschikking van de rechtbank Rotterdam, enkelvoudige raadkamer, op het klaagschrift van:
[naam klager] , klager,
geboren te [geboorteplaats klager] op [geboortedatum klager] ,
voor deze zaak domicilie kiezende te (2556 LB) ’s-Gravenhage, Sportlaan 40 ten kantore van zijn raadsman mr. H. Sytema.
Procedure
Op 16 september 2020 is op grond van artikel 552a van het Wetboek van Strafvordering (Sv) een klaagschrift ingediend.
Het klaagschrift is op 17 februari 2021 door de raadkamer in het openbaar behandeld. De officier van justitie mr. H. van Galen en de raadsman mr. H. Sytema zijn gehoord. De klager en [naam] (hierna ook: de beslagene) zijn, hoewel behoorlijk opgeroepen, niet verschenen.
Feiten
Op 16 augustus 2020 is onder [naam] beslag gelegd op een bestelauto van het merk Renault, type Kangoo, voorzien van het kenteken [kentekennummer] (hierna: de auto).
Het beslag is gelegd op grond van artikel 1:37 van de Douanewet, omdat in de auto een verborgen ruimte is aangetroffen die geschikt is om voorwerpen aan het ambtelijk toezicht te onttrekken. In de verborgen ruimte werd een geldbedrag van € 27.010,- aangetroffen.
De officier van justitie heeft op 15 oktober 2020 een vordering ingediend tot onttrekking aan het verkeer van deze auto.
Standpunt klager/belanghebbende en standpunt officier van justitie
Het klaagschrift strekt primair tot teruggave aan de klager van de personenauto. Aangevoerd is dat de klager geen bemoeienissen gehad met de verborgen ruimte. Klager wist niets af van de verborgen ruimte. Hij heeft de auto uitgeleend, en wordt nu onevenredig zwaar getroffen bij toewijzing van de vordering tot onttrekking aan het verkeer van zijn auto, gelet op de geschatte waarde van € 8.000,- .
Subsidiair verzoekt de raadsman de behandeling van het klaagschrift aan te houden om aanvullend onderzoek uit te laten voeren door de politie waarbij klager, de beslagene en diens bijrijder kunnen worden gehoord, onder andere over hoe lang -en aan wie- de auto is uitgeleend.
De officier van justitie heeft geconcludeerd tot ongegrondverklaring van het beklag. Hij heeft daarbij opgemerkt dat de door de raadsman genoemde waarde van de auto niet wordt bestreden. Verder is in een veelheid aan strafzaken al vastgesteld dat het aanbrengen en/of hebben van een verborgen ruimte in een voertuig is bedoeld is om ongezien verboden zaken zoals drugs, misdaadgeld en/of wapens te vervoeren. Een dergelijk voertuig is daardoor een voorwerp dat tot het begaan van strafbare feiten is vervaardigd/ bestemd of geprepareerd en om die reden valt het daarmee onder de reikwijdte van artikel 36c sub 5 van het Wetboek van strafrecht. Het ongecontroleerde bezit van z’n voertuig is in strijd met het algemeen belang. Er hoeft geen concreet strafbaar feit te zijn begaan met dat voertuig. Dit laatste brengt met zich dat het verzoek tot aanvullend onderzoek door de politie moet worden afgewezen.
Het teruggeven van een voertuig met (een) verborgen ruimte(n) kan niet aan de orde zijn, omdat deze voertuigen (opnieuw) gebruikt kunnen (en zullen) worden om ernstige strafbare feiten mee te plegen. Derhalve dient het voertuig ook te worden onttrokken aan het verkeer. De officier van justitie verwijst verder in zijn requisitoir naar een aantal uitspraken van de rechtbank Rotterdam ECLI:NL:RBROT:2020:9493 van 13 maart 2020, de rechtbank Amsterdam onder ECLI:NL:RBAMS:2020:4758 van 11 december 2019, het arrest van het gerechtshof Den Haag onder ECLI:NL:GHDHA:2020:2080 van 28 oktober 2020 en het arrest van de Hoge Raad onder ECLI:NL:HR:2003:AL6178 van 11 maart 2003.
Ten aanzien van de mogelijkheid van een vorm van financiële compensatie heeft de officier van justitie aangegeven dat het voertuig zal worden vernietigd na het onherroepelijk worden van een evt. beslissing tot onttrekking aan het verkeer. Er zal dus voor de staat geen financiële opbrengst zijn. Het aanwezig hebben van het voertuig met een verborgen ruimte komt voor rekening en risico van de klager. Gelet op de hiervoor omschreven functie van een verborgen ruimte in een voertuig, is er geen reden voor een geldelijke tegemoetkoming en wordt de rechtbank verzocht dit bedrag op nihil te stellen.
Beoordeling
Inleiding
Uit de stukken leidt de rechtbank het volgende af. De auto is in beslag genomen op grond van artikel 1:37 van de Douanewet. Uit de bevindingen van de verbalisanten en de bij het proces-verbaal gevoegde foto’s volgt dat de auto kennelijk was ingericht om (illegale) goederen/gelden aan het ambtelijk toezicht te onttrekken. In de auto is door de politie onder de laadvloer een ruimte aangetroffen die met een magneet(sluiting) geopend kon worden, maar pas indien/nadat de auto was gestart en de achteruitverwarming was aangezet. Het beslag op de auto voldoet hiermee aan de wettelijke vereisten voor een beslag op grond van art. 1:37 van de Algemene Douanewet.
In deze verborgen ruimte is een bedrag van € 27.010,- aangetroffen door de politie.
De politierechter heeft beslagene op 27 november 2020 veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 5 weken, waarbij tevens de verbeurdverklaring is uitgesproken van het geldbedrag van € 27.010 .
De rechtbank zal hierna eerst de vordering tot onttrekking aan het verkeer behandelen. Indien die vordering wordt toegewezen, behoeft het klaagschrift niet meer te worden behandeld.
Beoordeling
Ingevolge het bepaalde in artikel 36d van het Wetboek van strafrecht is de auto o.a. dan vatbaar voor onttrekking aan het verkeer indien de auto van zodanige aard is dat het ongecontroleerde bezit daarvan in strijd is met het algemeen belang. Daarvan is sprake indien de auto in de huidige toestand heeft gediend en nog steeds kan dienen tot het begaan of de voorbereiding van misdrijven, dan wel de opsporing ervan kan belemmeren. De verborgen ruimte in de auto is kennelijk aangelegd met het doel ervoor te zorgen dat criminele activiteiten onontdekt -dus mogelijk- blijven en/of de feitelijke uitvoering ervan minder risico’s voor de daders oplevert en aldus wordt vergemakkelijkt.
De rechtbank is op grond van het voorgaande en de omstandigheden waaronder de auto in beslag is genomen van oordeel dat de auto vatbaar is voor onttrekking aan het verkeer en zal de vordering derhalve toewijzen en bepalen dat de auto wordt onttrokken aan het verkeer.
Geldelijke tegemoetkoming
Bij een beslissing tot onttrekking aan het verkeer is op grond van artikel 36b lid 2 van het Wetboek van strafrecht is artikel 33 lid 2 van dat wetboek van overeenkomstige toepassing. Artikel 33c lid 2 luidt: “De rechter kent een vergoeding, als bedoeld in het eerste lid, of een geldelijke tegemoetkoming toe wanneer dit nodig is om te voorkomen dat de verdachte, of een ander aan wie de verbeurd verklaarde voorwerpen toebehoren, onevenredig zou worden getroffen”.
De rechtbank leest de bepaling zo dat daarbij (met name) gedoeld wordt op het vermogen van beslagene/rechthebbende van het te onttrekken voorwerp.
Bij een beslissing tot onttrekking aan het verkeer is op grond van artikel 36b lid 2 van het Wetboek van strafrecht is artikel 33 lid 2 van dat wetboek van overeenkomstige toepassing. Artikel 33c lid 2 luidt: “De rechter kent een vergoeding, als bedoeld in het eerste lid, of een geldelijke tegemoetkoming toe wanneer dit nodig is om te voorkomen dat de verdachte, of een ander aan wie de verbeurd verklaarde voorwerpen toebehoren, onevenredig zou worden getroffen”.
De rechtbank leest de bepaling zo dat daarbij (met name) gedoeld wordt op het vermogen van beslagene/rechthebbende van het te onttrekken voorwerp.
Voor een antwoord op de vraag of een geldelijke vergoeding behoort te worden toegekend, zijn steeds de feiten en omstandigheden in de concrete zaak bepalend. De auto is voorzien van een verborgen ruimte en behoort daardoor, gelet op het bovenstaande, geen onderdeel uit te maken van het maatschappelijk verkeer. Reeds daaruit volgt dat een dergelijke auto in beginsel geen of maar zeer beperkte waarde heeft.
De rechtbank kent bij dit alles ook, en in het nadeel van klager, gewicht toe aan de omstandigheid dat dergelijke professioneel aangelegde geheime bergplaatsen, behoudens duidelijke aanwijzingen voor het –onschuldige- tegendeel, in de realiteit van 2021 veelal blijken te worden gebruikt voor het heimelijk (kunnen) vervoeren van strafbare voorwerpen (wapens, drugs) en/of van (crimineel) geld. In deze zaak zijn van de zijde van klager geen feiten of omstandigheden gesteld (of anderszins aannemelijk geworden) die wijzen op een onschuldig ander gebruik van de verborgen ruimte. Dat anderen die ruimte zouden hebben aangebracht in de auto buiten medeweten van de rechthebbende, is niet aannemelijk geworden.
Een tweede punt van belang is artikel 1:37 van de Algemene Douanewet. Deze wetsbepaling geeft een strak juridisch kader voor, kort gezegd, auto’s met een verborgen ruimte. Lid 1 van art. 1:37 verplicht tot inbeslagname, waarna –behoudens de uitzondering bedoeld in art. 1:37 lid 6- op grond van art. 1:37 lid 4 het betreffende voertuig vervalt aan de staat. Dit wetsartikel spreekt niet van een vorm van vergoeding, maar schept in art. 1:37 lid 8 de bevoegdheid aan de zijde van de Minister van Financiën “om in bijzondere gevallen de aan de staat vervallen vervoermiddelen en voorwerpen onder door hem te stellen voorwaarden aan de eigenaar terug te geven”. In het verleden was deze bevoegdheid uitgewerkt in een regeling die, na betaling van een bepaald geldbedrag en herstel in de oorspronkelijke toestand, door de Douane/Belastingdienst tot teruggave werd overgegaan. Deze regeling wordt na een beleidswijziging inmiddels niet langer toegepast, zo leidt de rechtbank af uit de toelichting van de officier van justitie.
Alles overwegend acht de rechtbank geen feiten en omstandigheden aannemelijk geworden die tot gevolg hebben dat klager door de onttrekking aan het verkeer in zijn vermogen of anderszins onevenredig is getroffen.
Afwijzing voorwaardelijk verzoek tot nader onderzoek
De raadsman heeft (voorwaardelijk) verzocht aanvullend onderzoek te laten doen naar, kort gezegd, het feitelijk gebruik van de auto voorafgaand aan de inbeslagneming. De resultaten van dergelijk aanvullend onderzoek kunnen echter niet afdoen aan de concrete feiten en omstandigheden met betrekking tot de auto die hebben geleid tot de beslissing tot onttrekking aan het verkeer en/of het niet toekennen van een vergoeding als bedoeld in art. 33c lid 2 van het Wetboek van strafrecht. Om die reden wordt door het achterwege laten van het (voorwaardelijk) gevraagde aanvullend onderzoek klager redelijkerwijs niet in zijn belangen geschaad.
Beklag tegen inbeslagneming
Uit de toewijzing van de vordering tot onttrekking aan het verkeer volgt verder dat het beklag tegen het beslag ongegrond is.
Dictum
De rechtbank:
t.a.v. het onder RK-nummer 20/2287 ingeschreven verzoek:
- verklaart het beklag ongegrond;
t.a.v. het onder RK-nummer 21/355 ingeschreven verzoek:
- wijst toe de vordering onttrekking aan het verkeer en
bepaalt dat de Renault Kangoo, kleur wit, kenteken [kentekennummer] ,
wordt onttrokken aan het verkeer;
- bepaalt dat aan klager geen geldelijke vergoeding wordt toegekend.
Deze beschikking is gegeven door mr. W.A.F. Damen, rechter,
in tegenwoordigheid van L. Bouter, griffier,
en in het openbaar uitgesproken op 17 februari 2021.
Tegen deze beslissing kan het openbaar ministerie binnen veertien dagen na dagtekening daarvan en de klager binnen veertien dagen na betekening daarvan cassatie bij de Hoge Raad instellen