Rechtspraak
Rechtbank Rotterdam
2021-12-16
ECLI:NL:RBROT:2021:13007
Bestuursrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
3,286 tokens
Inleiding
RECHTBANK ROTTERDAM
Zittingsplaats Rotterdam
Bestuursrecht
zaaknummer: ROT 21/1603
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 16 december 2021 in de zaak tussen
[naam eiser] , uit [plaats] , eiser,
(gemachtigde: mr. M.A. Collet),
en
de algemeen directeur van het Centraal Bureau Rijvaardigheidsbewijzen (CBR), verweerder,
(gemachtigde: [naam gemachtigde] ).
Procesverloop
In het besluit van 17 november 2020 (primair besluit) heeft verweerder eiser een onderzoek naar de rijvaardigheid opgelegd.
In het besluit van 11 februari 2021 (bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser tegen het primaire besluit ongegrond verklaard.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
Eiser heeft nadere stukken ingediend.
De rechtbank heeft het beroep op 25 november 2021 op zitting behandeld. Eiser heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.
Overwegingen
1. Op 20 september 2020 is door de politie-eenheid Rotterdam aan verweerder een mededeling gedaan van het vermoeden dat eiser niet langer beschikt over de rijvaardigheid dan wel over de lichamelijke of geestelijke geschiktheid, vereist voor het besturen van categorie(ën) AM, B, BE en T van motorrijtuigen waarvoor dat rijbewijs is afgegeven (de mededeling). In deze mededeling staat onder andere dat eiser blijk heeft gegeven van een gebrekkige rijvaardigheid door naar links of rechts af te slaan op een wijze waardoor het verkeer in gevaar wordt gebracht en dat eiser gedrag heeft tentoongespreid dat in strijd is met de essentiële verkeersregels en verkeerstekens terzake van het verlenen van voorrang.
2. Verweerder heeft eiser naar aanleiding van deze mededeling een onderzoek naar de rijvaardigheid opgelegd. Verweerder overweegt dat uitgegaan dient te worden van de juistheid van de informatie die is weergegeven in de op grond van artikel 130 van de Wegenverkeerswet 1994 (WVW1994) gedane mededeling en het proces-verbaal dat daaraan ten grondslag ligt. De politieagenten moeten, als ervaringsdeskundigen, voldoende in staat worden geacht te observeren en te registreren en zij hebben er geen belang bij om onjuiste constateringen aan politiestukken toe te voegen. Gelet op het dwingendrechtelijke karakter van de Regeling maatregelen rijvaardigheid en geschiktheid 2011 (de Regeling) en de bijlage van de Regeling is verweerder, indien aan één van de genoemde criteria is voldaan, gehouden een onderzoek naar de rijvaardigheid van eiser op te leggen.
3. De voor deze zaak toepasselijke wet- en regelgeving is opgenomen in de aan deze uitspraak gehechte bijlage.
4.1
Eiser voert aan dat het bestreden besluit niet in stand kan blijven wegens diverse vormfouten. Het primaire besluit is namelijk te laat genomen. Daarnaast is in het besluit niet verwezen naar artikel 23 van de Regeling, waardoor de rechtsgrond waarop deze beslissing is genomen ontbreekt.
4.2
De mededeling is op 20 september 2020 opgemaakt en is volgens de datumstempel door verweerder ontvangen op 22 september 2020. Het besluit tot oplegging van een onderzoek naar de rijvaardigheid dateert van 17 november 2020, zodat vaststaat dat dit besluit niet is genomen binnen de daarvoor geldende termijn van vier weken na ontvangst van de mededeling. Volgens vaste jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling), zie bijvoorbeeld de uitspraak van 26 april 2016, ECLI:NL:RVS:2016:1134, kan uit de wetsgeschiedenis (Kamerstukken II 1990/91, 22 030, nr. 3, blz. 43 en volgende) worden afgeleid dat de in artikel 131, eerste lid, van de WVW1994 genoemde beslistermijn daarin is opgenomen met het oog op de wens te komen tot een in het belang van de verkeersveiligheid slagvaardiger optreden tegen verkeersgevaarlijke overtredingen in het algemeen en een verscherpte aanpak van alcoholovertredingen in het bijzonder. Overschrijding van de termijn, vermeld in artikel 131, eerste lid, van de WVW1994, brengt niet met zich dat verweerder niet meer bevoegd is een besluit tot oplegging van een onderzoek naar de rijvaardigheid te nemen.
4.3
Verder moet het bestuursorgaan op grond van artikel 3:47, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) bij de motivering van het besluit zo mogelijk vermelden krachtens welk wettelijk voorschrift het besluit is genomen. In het bestreden besluit staat vermeld dat het besluit is gebaseerd op de Regeling maar hier wordt niet specifiek verwezen naar artikel 23 van de Regeling. In het bestreden besluit wordt wel verwezen naar de toepasselijke criteria uit de Bijlage bij de Regeling, en daarnaast wordt in het primair besluit wel verwezen naar artikel 23 van de Regeling. Ook is niet gebleken dat het niet duidelijk was voor eiser om welke regelgeving het ging. Gelet hierop is de rechtbank van oordeel dat geen sprake is van strijd met artikel 3:47, tweede lid, van de Awb.
5.1
Eiser voert aan dat het bestreden besluit geen algehele heroverweging van feiten en omstandigheden is. De door eiser ingezonden video is namelijk alleen meegewogen voor het rijgedrag, en niet om aan te tonen dat er aan de linkerzijde van de weg geen haaientanden zijn en de gestelde overtreding, het niet geven van voorrang, dus niet juist kan zijn. Eiser was op bezoek geweest bij familie op de [adres] , en vertrok uit een parkeervak aan de andere kant van de straat. Eiser had dus bij het wegrijden geen haaientanden. Dit betekent dat de feiten zoals opgenomen in de mededeling niet correct zijn. Ook is ten aanzien van het slingeren niet vermeld waar en hoe dit plaatsvond, en eiser heeft een verklaring gegeven voor het niet aangeven van richting. Bovendien is niet toegelicht hoe het niet aangeven van richting tot last voor overige verkeersdeelnemers heeft geleid. Ook blijkt uit de redenering van verweerder dat sprake is van vooringenomenheid. Het enkele feit dat eiser staande is gehouden lijkt namelijk voldoende te zijn voor de conclusie dat er iets mis moet zijn geweest. Dit betekent ook dat de Regeling willekeur mogelijk maakt.
5.2
Uit vaste jurisprudentie van de Afdeling, onder andere de uitspraak van 28 juli 2021, ECLI:NL:RVS:2021:1670, volgt dat het bestuursorgaan in beginsel mag uitgaan van een op ambtseed dan wel ambtsbelofte opgemaakt proces-verbaal. Dat geldt evenzeer voor de rechter, tenzij tegenbewijs noopt tot afwijking van dit uitgangspunt. Verder volgt uit jurisprudentie van de Afdeling, bijvoorbeeld de uitspraak van 20 november 2019, ECLI:NL:RVS:2019:3901, dat voor het opleggen van een rijvaardigheidsonderzoek slechts hoeft te worden vastgesteld of een vermoeden bestaat dat niet meer over de vereiste rijvaardigheid wordt beschikt. Juist het opgelegde rijvaardigheidsonderzoek dient ertoe de rijvaardigheid te beoordelen.
5.3
In de mededeling is beschreven dat de verbalisanten op 19 september 2020 omstreeks 17.00 uur over de Burgemeester Knappertlaan in Schiedam reden toen zij hard moesten remmen voor een voertuig met kenteken [kentekennummer] , bestuurd door eiser, die hen voorrang had moeten verlenen. Eiser had namelijk haaientanden en de verbalisanten kwamen van rechts. Eiser gaf vervolgens driemaal achtereenvolgens geen richting aan en zijn voertuig slingerde enigszins. De verbalisanten stopten eiser, en eiser had vervolgens geen idee wat er was gebeurd en vertoonde geen verkeersinzicht. Zo is vermeld in de mededeling. Verweerder heeft naar aanleiding van het beroep nadere vragen gesteld aan de verbalisanten. De verbalisanten hebben hierop gereageerd met de verklaring per e-mail dat zij zeker weten dat eiser niet uit een parkeervak kwam en dat hij na het aanzeggen van zijn bekeuring heeft verklaard dat hij dacht dat de verbalisanten genoeg ruimte hadden. Ook geven zij aan dat eiser voornamelijk op de Broersvest, komende uit de richting van de Koemarkt, slingerde.
5.4
De rechtbank is van oordeel dat verweerder uit de mededeling in redelijkheid het vermoeden heeft mogen ontlenen dat eiser niet langer beschikte over de lichamelijke of geestelijke geschiktheid die is vereist voor het besturen van motorrijtuigen. Eiser heeft onvoldoende aannemelijk gemaakt dat de feiten zoals weergegeven in de mededeling niet juist kunnen zijn. Eiser heeft de stelling dat hij uit een parkeervak kwam niet onderbouwd anders dan door te stellen dat de familieleden bij wie hij op bezoek was hierover kunnen verklaren. Het had op de weg van eiser gelegen om in dat geval deze verklaringen ook over te leggen, maar dit heeft eiser nagelaten. Bovendien heeft hij ook niet onderbouwd dat de verbalisanten hem al vanaf die locatie zijn gaan volgen. Anders dan eiser stelt, zijn er later op het traject wel degelijk situaties waarbij er sprake is van haaientanden aan de linkerzijde van de rijbaan waarover de verbalisanten reden, bijvoorbeeld bij de kruising met de Warande.
Dictum
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. G.A. Bouter-Rijksen, rechter, in aanwezigheid van mr. F. van Ommeren, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 16 december 2021.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
Bijlage: juridisch kader
De Wegenverkeerswet 1994 luidt – voor zover hier van belang – als volgt:
Artikel 130
1. Indien bij de bij algemene maatregel van bestuur aangewezen personen een vermoeden bestaat dat de houder van een rijbewijs niet langer beschikt over de rijvaardigheid dan wel over de lichamelijke of geestelijke geschiktheid, vereist voor het besturen van een of meer categorieën van motorrijtuigen waarvoor dat rijbewijs is afgegeven, doen zij daarvan zo spoedig mogelijk schriftelijk mededeling aan het CBR onder vermelding van de feiten en omstandigheden die aan het vermoeden ten grondslag liggen. Bij ministeriële regeling worden de feiten en omstandigheden aangewezen die aan het vermoeden ten grondslag dienen te liggen en worden ter zake van de uitoefening van deze bevoegdheid nadere regels vastgesteld.
(…)
Artikel 131
1. Indien een schriftelijke mededeling als bedoeld in artikel 130, eerste lid, is gedaan, besluit het CBR in de bij ministeriële regeling aangegeven gevallen, respectievelijk tot:
a. oplegging van een educatieve maatregel ter bevordering van de rijvaardigheid of geschiktheid, of
b. een onderzoek naar de rijvaardigheid of de geschiktheid.
Het besluit wordt zo spoedig mogelijk, maar uiterlijk binnen vier weken na ontvangst van de mededeling, genomen.
(…)
De Regeling maatregelen rijvaardigheid en geschiktheid 2011 luidt – voor zover hier van belang – als volgt:
Artikel 23
(…)
3. Het CBR besluit ten slotte dat betrokkene zich dient te onderwerpen aan een onderzoek naar de rijvaardigheid dan wel geschiktheid:
a. in geval van feiten of omstandigheden als genoemd in de bij deze regeling behorende bijlage onder A, onderdelen I, Vaardigheid in het omgaan met het motorrijtuig, of II. Bedrevenheid in het deelnemen aan het verkeer;
(…)
De Bijlage bij de Regeling maatregelen rijvaardigheid en geschiktheid 2011 luidt – voor zover hier van belang – als volgt:
A. Rijvaardigheid en rijgedrag
I. Vaardigheid in het omgaan met het motorrijtuig
I.1. Bediening van het motorrijtuig
(…)
4. een onjuist gebruik of nalaten van het gebruik van mechanismen en apparatuur van het motorrijtuig die van belang zijn voor de verkeersveiligheid, zoals ruitenwissers, richtingaanwijzers, verlichting en voorruitverwarming.
I.2. Beheersing van het motorrijtuig
1. Gebrek aan stuurvastheid waardoor, al dan niet in combinatie:
a. slingerend wordt gereden;
(…)
II. Bedrevenheid in het deelnemen aan het verkeer
(…)
2. Gebrekkige rijvaardigheid
Gebrekkige rijvaardigheid die blijkt uit:
(…)
g. onvoldoende anticiperen op het gedrag van andere deelnemers;
(…)