Rechtspraak
Rechtbank Rotterdam
2020-10-21
ECLI:NL:RBROT:2020:9275
Civiel recht
Eerste aanleg - enkelvoudig
12,404 tokens
Inleiding
vonnis
RECHTBANK ROTTERDAM
Team handel en haven
zaaknummer / rolnummer: C/10/523586 / HA ZA 17-296
Vonnis in incident van 21 oktober 2020
in de zaak van
1. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
MARKETING BUREAU VOOR PROGRAMMA AANBIEDERS B.V.,
gevestigd te Oude-Tonge (gemeente Goeree-Overflakkee),
2. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
LOCAL INSERT B.V.,
gevestigd te Achthuizen (gemeente Goeree-Overflakkee),
eiseressen in de hoofdzaak,
verweersters in het incident,
advocaat mr. M.O. Saeed te Rotterdam,
tegen
de rechtspersoon naar het recht van de plaats van haar vestiging
DIVA MEDYA HIZMETLERI TICARET VE SANAYI LTD. STI.,
gevestigd te Istanbul, Turkije,
gedaagde in de hoofdzaak,
eiseres in het incident,
advocaat mr. R.P.J.L. Tjittes te Den Haag.
Partijen zullen hierna Local Insert en MBPA en Diva Medya genoemd worden.
Procesverloop
1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
het tussenvonnis in het incident van 13 mei 2020 (hierna: het tussenvonnis van 13 mei 2020);
de akte uitlating in het bevoegdheidsincident van Diva Medya van 10 juni 2020, met productie 20;
de akte inbrengen nadere stukken van Local Insert en MBPA van 10 juni 2020, met producties 49-50;
de akte uitlating in het bevoegdheidsincident van Diva Medya van 24 juni 2020;
de akte uitlaten in het bevoegdheidsincident van Local Insert en MBPA van 22 juli 2020;
de akte uitlating in het bevoegdheidsincident van Diva Medya van 19 augustus 2020.
1.2.
Ten slotte is opnieuw vonnis bepaald in het incident.
2. De verdere beoordeling in het incident
2.1.
In het tussenvonnis van 13 mei 2020 is de zaak naar de rolzitting van 10 juni 2020 verwezen om Diva Medya gelegenheid te geven zich bij akte uit te laten over de (nieuwe) stelling van Local Insert en MBPA dat het onderwerp van de procedure voor de Basirköy 5th Commercial Court en van het daarop gevolgde hoger beroep bij de Istanbul Regional Court of Appeal (en mogelijk ook van de daarop gevolgde cassatieprocedure) niet hetzelfde is als het onderwerp van de Europese Vorderingen van Local Insert en MBPA in de zin van artikel 12 Rv.
2.2.
Ook nadat de hierboven onder 1.1 genoemde aktes zijn ingediend houdt de vraag partijen nog steeds verdeeld of de procedure voor de Basirköy 5th Commercial Court en de Europese Vorderingen van Local Insert en MBPA hetzelfde onderwerp hebben in de zin van artikel 12 Rv.
2.3.
Artikel 12 Rv is in belangrijke mate ontleend aan de litispendentieregeling van artikel 21 EEX-verdrag (EEG-verdrag betreffende de rechterlijke bevoegdheid en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken van 27 september 1968 en de opvolgsters van dit verdrag) en artikel 21 EVEX-verdrag (Verdrag betreffende de rechterlijke bevoegdheid en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken van 16 september 1988) (nu art. 29 Brussel Ibis-Vo en art. 27 EVEX II (Verdrag betreffende de rechterlijke bevoegdheid en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken van 30 oktober 2007)) (MvT, Parl. Gesch. Herz. Rv, p. 119). Dat betekent dat de rechtspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie (voorheen het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen) (hierna: het Hof van Justitie of HvJ) over deze bepalingen van belang kan zijn voor de uitleg van art. 12 Rv. Met de litispendentieregelingen van artikel 29 Brussel Ibis-Vo en artikel 27 EVEX II evenals met de litispendentieregeling van artikel 12 Rv is beoogd te voorkomen (onder meer) dat er (gelijktijdig) in verschillende landen met elkaar tegenstrijdige uitspraken worden gedaan.
2.4.
Artikel 29 Brussel Ibis-Vo, evenals artikel 27 EVEX II, hanteert als vereiste voor litispendentie niet alleen dat sprake moet zijn van ‘dezelfde partijen’ en van ‘hetzelfde onderwerp’ maar tevens van ‘dezelfde oorzaak’. Uit de rechtspraak van het Hof van Justitie volgt dat deze begrippen autonoom moeten worden uitgelegd. Zie onder andere HvJ 8 december 1987, NJ 1989/420 (Gubisch/Palumbo).
2.5.
Zoals Local Insert en MBPA opmerken in randnummer 1.8 van hun hierboven onder 1.1 genoemde akte van 22 juli 2020, zijn de Europese vorderingen zowel door MBPA als door Local Insert ingesteld, dit terwijl Local Insert, in tegenstelling tot MBPA, geen procespartij is in de procedure voor de Turkse gerechten. Toch volgt de rechtbank Local Insert en MBPA niet in hun standpunt dat daarom niet voldaan is aan bovengenoemd vereiste van ‘dezelfde partijen’. Hetgeen gevorderd is door middel van de Europese vorderingen strekt namelijk niet ten gunste van Local Insert maar uitsluitend ten gunste van MBPA, dit in tegenstelling tot de Australische vorderingen. Wat betreft de Europese vorderingen is Local Insert dus slechts een (formele) procespartij maar niet tevens een materiële (proces)partij, dat wil zeggen een partij die deel uitmaakt, althans deel zou kunnen uitmaken, van de onderliggende materiële rechtsverhouding(en).
2.6.
Aan het vereiste van ‘dezelfde oorzaak’ is voldaan indien de vorderingen gegrond zijn op hetzelfde feitencomplex en op dezelfde rechtsregels. Aan het vereiste van ‘hetzelfde onderwerp’ is voldaan indien de vorderingen hetzelfde doel hebben. Zie HvJ 6 december 1994. NJ 1995/659 (Tatry/Maciej Rataj) en HvJ 19 oktober 2017, ECLI:EU:C:2017:771 (Merck/Merck).
2.7.
Anders dan artikel 29 Brussel Ibis-Vo en artikel 27 EVEX II kent artikel 12 Rv niet bovengenoemd vereiste van ‘dezelfde oorzaak’ maar uitsluitend de vereisten van ‘dezelfde partijen’ en ‘hetzelfde onderwerp’. Partijen verschillen van mening of het ontbreken van het vereiste van ‘dezelfde oorzaak’ in de tekst van artikel 12 Rv betekent dat ook niet hoeft te worden getoetst aan dit vereiste bij de beoordeling of sprake is van litispendentie in de zin van artikel 12 Rv. De wetgever heeft niet gemotiveerd waarom artikel 12 Rv op dit punt anders luidt dan artikel 21 EEX-verdrag en artikel 21 EVEX-verdrag (nu art. 29 Brussel Ibis-Vo en art. 27 EVEX II) en evenmin aangegeven of artikel 12 Rv om deze reden anders moet worden toegepast dan die verordenings/verdrags-bepalingen, zoals uitgelegd door het Hof van Justitie. In het geval voor gerechten van verschillende landen vorderingen zijn ingesteld die ‘hetzelfde onderwerp’ hebben maar gebaseerd zijn op verschillende feitencomplexen en/of rechtsregels, derhalve niet ‘dezelfde oorzaak’ hebben, kunnen deze vorderingen niet leiden tot tegenstrijdige uitspraken. In dat geval bestaat dan ook geen behoefte aan een litispendentieregeling zoals die van artikel 12 Rv. Zie r.o. 2.3 hierboven. Er mag dan ook van uit worden gegaan dat bovengenoemd vereiste van ‘dezelfde oorzaak’ ook deel uitmaakt van artikel 12 Rv. Aangezien artikel 12 Rv in belangrijke mate is ontleend aan de litispendentieregeling van artikel 21 EEX-verdrag en artikel 21 EVEX-verdrag (nu art. 29 Brussel Ibis-Vo en artikel 27 EVEX II) (zie r.o. 2.3 hierboven), mag er bovendien van uit worden gegaan dat dit vereiste van ‘dezelfde oorzaak’ niet is opgegaan in het vereiste ‘hetzelfde onderwerp’ in artikel 12 Rv maar, net zoals in artikel 21 EEX-verdrag en artikel 21 EVEX-verdrag (nu art. 29 Brussel Ibis-Vo en artikel 27 EVEX II), een geheel zelfstandig vereiste is. Zie in dit verband ook HR 26 september 2014 (Gazprombank/Bensadon), ECLI:NL:HR:2014:2838, NJ 2015/478. In dat arrest zijn de huidige vereisten geformuleerd voor erkenning van een buitenlandse beslissing in de zin van artikel 431 lid 2 Rv. Een van die vereisten luidt: ‘dat de buitenlandse beslissing niet onverenigbaar is met een tussen dezelfde partijen dezelfde partijen gegeven beslissing van de Nederlandse rechter, dan wel met een eerdere beslissing van een buitenlandse rechter die tussen dezelfde partijen is gegeven in een geschil dat hetzelfde onderwerp betreft en op dezelfde oorzaak [curs.; Rechtbank] berust, mits die eerdere beslissing voor erkenning in Nederland vatbaar is.’ Uit artikel 12 Rv volgt dat ook in het geval van een buitenlandse procedure die leidt tot een beslissing die niet voor tenuitvoerlegging in Nederland vatbaar is toch sprake kan zijn van litispendentie met als gevolg onbevoegdheid van de aangezochte Nederlandse rechter, indien die uitspraak in Nederland erkend kan worden in de zin van artikel 431 lid 2 Rv. Daarom hecht de rechtbank in dit verband belang aan het gegeven dat de Hoge Raad in het Gazprobank/Bensadon-arrest bij de behandeling van de vereisten voor erkenning van een buitenlandse beslissing in de zin van artikel 431 lid 2 Rv de vereisten van ‘hetzelfde onderwerp’ en ‘dezelfde oorzaak’ als verschillende vereisten beschouwt.
Dictum
De rechtbank
houdt iedere beslissing aan in afwachting van een bij akte door Local Insert en MBPA ingediend bericht als bedoeld in r.o.2.18.
Dit vonnis is gewezen door mr. P.C. Santema en ondertekend en in het openbaar uitgesproken door mr. J.F. Koekebakker, rolrechter, op 21 oktober 2020.
901/32
Inleiding
vonnis
RECHTBANK ROTTERDAM
Team handel en haven
zaaknummer / rolnummer: C/10/523586 / HA ZA 17-296
Vonnis in incident van 21 oktober 2020
in de zaak van
1. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
MARKETING BUREAU VOOR PROGRAMMA AANBIEDERS B.V.,
gevestigd te Oude-Tonge (gemeente Goeree-Overflakkee),
2. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
LOCAL INSERT B.V.,
gevestigd te Achthuizen (gemeente Goeree-Overflakkee),
eiseressen in de hoofdzaak,
verweersters in het incident,
advocaat mr. M.O. Saeed te Rotterdam,
tegen
de rechtspersoon naar het recht van de plaats van haar vestiging
DIVA MEDYA HIZMETLERI TICARET VE SANAYI LTD. STI.,
gevestigd te Istanbul, Turkije,
gedaagde in de hoofdzaak,
eiseres in het incident,
advocaat mr. R.P.J.L. Tjittes te Den Haag.
Partijen zullen hierna Local Insert en MBPA en Diva Medya genoemd worden.
Procesverloop
1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
het tussenvonnis in het incident van 13 mei 2020 (hierna: het tussenvonnis van 13 mei 2020);
de akte uitlating in het bevoegdheidsincident van Diva Medya van 10 juni 2020, met productie 20;
de akte inbrengen nadere stukken van Local Insert en MBPA van 10 juni 2020, met producties 49-50;
de akte uitlating in het bevoegdheidsincident van Diva Medya van 24 juni 2020;
de akte uitlaten in het bevoegdheidsincident van Local Insert en MBPA van 22 juli 2020;
de akte uitlating in het bevoegdheidsincident van Diva Medya van 19 augustus 2020.
1.2.
Ten slotte is opnieuw vonnis bepaald in het incident.
2. De verdere beoordeling in het incident
2.1.
In het tussenvonnis van 13 mei 2020 is de zaak naar de rolzitting van 10 juni 2020 verwezen om Diva Medya gelegenheid te geven zich bij akte uit te laten over de (nieuwe) stelling van Local Insert en MBPA dat het onderwerp van de procedure voor de Basirköy 5th Commercial Court en van het daarop gevolgde hoger beroep bij de Istanbul Regional Court of Appeal (en mogelijk ook van de daarop gevolgde cassatieprocedure) niet hetzelfde is als het onderwerp van de Europese Vorderingen van Local Insert en MBPA in de zin van artikel 12 Rv.
2.2.
Ook nadat de hierboven onder 1.1 genoemde aktes zijn ingediend houdt de vraag partijen nog steeds verdeeld of de procedure voor de Basirköy 5th Commercial Court en de Europese Vorderingen van Local Insert en MBPA hetzelfde onderwerp hebben in de zin van artikel 12 Rv.
2.3.
Artikel 12 Rv is in belangrijke mate ontleend aan de litispendentieregeling van artikel 21 EEX-verdrag (EEG-verdrag betreffende de rechterlijke bevoegdheid en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken van 27 september 1968 en de opvolgsters van dit verdrag) en artikel 21 EVEX-verdrag (Verdrag betreffende de rechterlijke bevoegdheid en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken van 16 september 1988) (nu art. 29 Brussel Ibis-Vo en art. 27 EVEX II (Verdrag betreffende de rechterlijke bevoegdheid en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken van 30 oktober 2007)) (MvT, Parl. Gesch. Herz. Rv, p. 119). Dat betekent dat de rechtspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie (voorheen het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen) (hierna: het Hof van Justitie of HvJ) over deze bepalingen van belang kan zijn voor de uitleg van art. 12 Rv. Met de litispendentieregelingen van artikel 29 Brussel Ibis-Vo en artikel 27 EVEX II evenals met de litispendentieregeling van artikel 12 Rv is beoogd te voorkomen (onder meer) dat er (gelijktijdig) in verschillende landen met elkaar tegenstrijdige uitspraken worden gedaan.
2.4.
Artikel 29 Brussel Ibis-Vo, evenals artikel 27 EVEX II, hanteert als vereiste voor litispendentie niet alleen dat sprake moet zijn van ‘dezelfde partijen’ en van ‘hetzelfde onderwerp’ maar tevens van ‘dezelfde oorzaak’. Uit de rechtspraak van het Hof van Justitie volgt dat deze begrippen autonoom moeten worden uitgelegd. Zie onder andere HvJ 8 december 1987, NJ 1989/420 (Gubisch/Palumbo).
2.5.
Zoals Local Insert en MBPA opmerken in randnummer 1.8 van hun hierboven onder 1.1 genoemde akte van 22 juli 2020, zijn de Europese vorderingen zowel door MBPA als door Local Insert ingesteld, dit terwijl Local Insert, in tegenstelling tot MBPA, geen procespartij is in de procedure voor de Turkse gerechten. Toch volgt de rechtbank Local Insert en MBPA niet in hun standpunt dat daarom niet voldaan is aan bovengenoemd vereiste van ‘dezelfde partijen’. Hetgeen gevorderd is door middel van de Europese vorderingen strekt namelijk niet ten gunste van Local Insert maar uitsluitend ten gunste van MBPA, dit in tegenstelling tot de Australische vorderingen. Wat betreft de Europese vorderingen is Local Insert dus slechts een (formele) procespartij maar niet tevens een materiële (proces)partij, dat wil zeggen een partij die deel uitmaakt, althans deel zou kunnen uitmaken, van de onderliggende materiële rechtsverhouding(en).
2.6.
Aan het vereiste van ‘dezelfde oorzaak’ is voldaan indien de vorderingen gegrond zijn op hetzelfde feitencomplex en op dezelfde rechtsregels. Aan het vereiste van ‘hetzelfde onderwerp’ is voldaan indien de vorderingen hetzelfde doel hebben. Zie HvJ 6 december 1994. NJ 1995/659 (Tatry/Maciej Rataj) en HvJ 19 oktober 2017, ECLI:EU:C:2017:771 (Merck/Merck).
2.7.
Anders dan artikel 29 Brussel Ibis-Vo en artikel 27 EVEX II kent artikel 12 Rv niet bovengenoemd vereiste van ‘dezelfde oorzaak’ maar uitsluitend de vereisten van ‘dezelfde partijen’ en ‘hetzelfde onderwerp’. Partijen verschillen van mening of het ontbreken van het vereiste van ‘dezelfde oorzaak’ in de tekst van artikel 12 Rv betekent dat ook niet hoeft te worden getoetst aan dit vereiste bij de beoordeling of sprake is van litispendentie in de zin van artikel 12 Rv. De wetgever heeft niet gemotiveerd waarom artikel 12 Rv op dit punt anders luidt dan artikel 21 EEX-verdrag en artikel 21 EVEX-verdrag (nu art. 29 Brussel Ibis-Vo en art. 27 EVEX II) en evenmin aangegeven of artikel 12 Rv om deze reden anders moet worden toegepast dan die verordenings/verdrags-bepalingen, zoals uitgelegd door het Hof van Justitie. In het geval voor gerechten van verschillende landen vorderingen zijn ingesteld die ‘hetzelfde onderwerp’ hebben maar gebaseerd zijn op verschillende feitencomplexen en/of rechtsregels, derhalve niet ‘dezelfde oorzaak’ hebben, kunnen deze vorderingen niet leiden tot tegenstrijdige uitspraken. In dat geval bestaat dan ook geen behoefte aan een litispendentieregeling zoals die van artikel 12 Rv. Zie r.o. 2.3 hierboven. Er mag dan ook van uit worden gegaan dat bovengenoemd vereiste van ‘dezelfde oorzaak’ ook deel uitmaakt van artikel 12 Rv. Aangezien artikel 12 Rv in belangrijke mate is ontleend aan de litispendentieregeling van artikel 21 EEX-verdrag en artikel 21 EVEX-verdrag (nu art. 29 Brussel Ibis-Vo en artikel 27 EVEX II) (zie r.o. 2.3 hierboven), mag er bovendien van uit worden gegaan dat dit vereiste van ‘dezelfde oorzaak’ niet is opgegaan in het vereiste ‘hetzelfde onderwerp’ in artikel 12 Rv maar, net zoals in artikel 21 EEX-verdrag en artikel 21 EVEX-verdrag (nu art. 29 Brussel Ibis-Vo en artikel 27 EVEX II), een geheel zelfstandig vereiste is. Zie in dit verband ook HR 26 september 2014 (Gazprombank/Bensadon), ECLI:NL:HR:2014:2838, NJ 2015/478. In dat arrest zijn de huidige vereisten geformuleerd voor erkenning van een buitenlandse beslissing in de zin van artikel 431 lid 2 Rv. Een van die vereisten luidt: ‘dat de buitenlandse beslissing niet onverenigbaar is met een tussen dezelfde partijen dezelfde partijen gegeven beslissing van de Nederlandse rechter, dan wel met een eerdere beslissing van een buitenlandse rechter die tussen dezelfde partijen is gegeven in een geschil dat hetzelfde onderwerp betreft en op dezelfde oorzaak [curs.; Rechtbank] berust, mits die eerdere beslissing voor erkenning in Nederland vatbaar is.’ Uit artikel 12 Rv volgt dat ook in het geval van een buitenlandse procedure die leidt tot een beslissing die niet voor tenuitvoerlegging in Nederland vatbaar is toch sprake kan zijn van litispendentie met als gevolg onbevoegdheid van de aangezochte Nederlandse rechter, indien die uitspraak in Nederland erkend kan worden in de zin van artikel 431 lid 2 Rv. Daarom hecht de rechtbank in dit verband belang aan het gegeven dat de Hoge Raad in het Gazprobank/Bensadon-arrest bij de behandeling van de vereisten voor erkenning van een buitenlandse beslissing in de zin van artikel 431 lid 2 Rv de vereisten van ‘hetzelfde onderwerp’ en ‘dezelfde oorzaak’ als verschillende vereisten beschouwt.
Dictum
De rechtbank
houdt iedere beslissing aan in afwachting van een bij akte door Local Insert en MBPA ingediend bericht als bedoeld in r.o.2.18.
Dit vonnis is gewezen door mr. P.C. Santema en ondertekend en in het openbaar uitgesproken door mr. J.F. Koekebakker, rolrechter, op 21 oktober 2020.
901/32
Procesverloop
2.8.
Om te bepalen of vorderingen ‘hetzelfde onderwerp’ betreffen, moet uitsluitend rekening worden gehouden met de aanspraken van de eisers in elk van de gedingen en niet met de verweermiddelen – van welke aard dan ook – die een verweerder (gedaagde) eventueel aanvoert. Een situatie van litispendentie bestaat al zodra bij twee gerechten van verschillende landen vorderingen definitief zijn aangebracht, dus nog voordat de verweerders (gedaagden) hun standpunt hebben kunnen uiteenzetten (HvJ 8 mei 2003, NJ 2006/349 (Gantner/Basch)).
2.9.
Zowel de procedure voor de Basirköy 5th Commercial Court als de onderhavige procedure op het punt van de Europese vorderingen betreft een geschil van contractenrechtelijke aard. In de procedure voor de Basirköy 5th Commercial Court treedt Diva Medya als eiseres op en MBPA als gedaagde. In de onderhavige procedure zijn de rollen omgedraaid: MBPA is – samen met Local Insert – de eisende partij, terwijl Diva Medya gedaagde is.
De Europese vorderingen van MBPA (en formeel ook Local Insert) bestaan – kort gezegd – uit (i) een verklaring voor recht dat Diva Medya de samenwerking(sovereenkomst) in verband met de brief van 8 november 2013 niet rechtsgeldig heeft beëindigd en/of dat de opzegging, althans de termijn van opzegging, in strijd is met de redelijkheid en billijkheid alsmede (ii) uit daarmee samenhangende schadevergoedingsvorderingen aangaande MBPA. Zie r.o. 2.1 van het tussenvonnis van 17 augustus 2019. Volgens Local Insert en MBPA is Diva Medya vanwege deze opzegging toerekenbaar tekort geschoten in de nakoming van haar overeenkomst met Local Insert en MBPA.
Zou het zo zijn, zoals Diva Medya stelt, dat in de procedure voor de Basirköy 5th Commercial Court door Diva Medya is gevorderd “dat haar opzegging van de overeenkomst met MBPA rechtsgeldig was vanwege tekortschieten van MBPA in die overeenkomst” (randnr. 9 van de hierboven onder 1.1 genoemde akte van 10 juni 2020), dan is hier sprake van spiegelbeeldige vorderingen waarbij dezelfde rechtsvraag centraal staat, namelijk of Diva Medya wegens toerekenbare tekortkoming van (Local Insert en) MBPA gerechtigd was de overeenkomst op te zeggen. In dat geval is zeker voldaan aan het vereiste dat de vorderingen in beide procedures ‘hetzelfde onderwerp’ hebben, dat wil zeggen: hetzelfde doel (zie r.o. 2.4 hierboven). Zie HvJ EG 8 december 1987, 144/86, Jur. 1987, p. 4861; NJ 1989/420 (Gubisch/Palumbo).
2.10.
In het tussenvonnis van 13 mei 2020 heeft de rechtbank overwogen dat zij in de door Diva Medya overgelegde stukken vooralsnog niets leest over de beweerdelijk gevorderde verklaring voor recht van Diva Medya in de Turkse procedure. Het gaat hier om de hierboven in r.o. 2.9 genoemde vordering van Diva Medya “dat haar opzegging van de overeenkomst met MBPA rechtsgeldig was vanwege tekortschieten van MBPA in die overeenkomst”. Tot bovengenoemde stukken van Diva Medya waar de rechtbank in het tussenvonnis van 13 mei 2020 op doelt, behoren onder meer (a) het gewaarmerkte vonnis van de Basirköy 5th Commercial Court van 10 mei 2017 en een beëdigde Engelse vertaling daarvan en (b) een Engelse vertaling van het proces-verbaal van de op 1 april 2015 in die zaak gehouden zitting. Zie r.o. 2.3 van het tussenvonnis van 13 mei 2020.
2.11.
Niet in geschil is dat het dictum van het vonnis van 10 mei 2017 van de Basirköy 5th Commercial Court, dat in de Engelse vertaling aanvangt met de zinsnede “HELD: On the grounds of the above explained reasoning” en vervolgens is onderverdeeld in zestien nummers, geen beslissing inhoudt, bijvoorbeeld in de vorm van een verklaring voor recht, dat de opzegging van de overeenkomst door Diva Medya rechtsgeldig was. Diva Medya is niettemin van mening dat zij in de Turkse procedure wél een beslissing heeft gevorderd dat de overeenkomst met MBPA op 8 november 2013 rechtsgeldig is beëindigd. In haar hierboven onder 1.1 genoemde akte van 10 juni 2020 onderbouwt Diva Medya dit standpunt op drie manieren. Allereerst wijst zij op een Turks processtuk van haar dat zij in het Nederlands “memorie van eis” noemt, namelijk het processtuk waarin de vordering en de grond van die vordering door de eiser uiteen moeten worden gezet. Een exemplaar van deze memorie van eis van Diva Medya, die dateert van 31 mei 2013, alsmede een Engelse vertaling hiervan zijn door Diva Medya bij genoemde akte als producties 19 respectievelijk 20 in het geding gebracht. Verder wijst Diva Medya in genoemde akte op – samengevat – een overweging in genoemd vonnis van 10 mei 2017 van Basirköy 5th Commercial Court waaruit zou moeten volgen dat Diva Medya inderdaad genoemde verklaring voor recht heeft gevorderd in die Turkse procedure. Ten slotte wijst Diva Medya ook nog op een rapport van 17 maart 2017 van een deskundigenpanel dat door de Basirköy 5th Commercial Court is ingeschakeld om haar te adviseren over de zaak.
2.12.
De hierboven in r.o. 2.11 genoemde memorie van eis van Diva Medya luidt – aangehaald voor zover relevant – als volgt:
“TO BAKIRKÖY COMMERCIAL COURT OF FIRST INSTANCE ON DUTY
(REQUEST FOR MERGER OF THE CASE WITH THE CASE NO. 2013/442 E. PENDING BEFORE THE BAKIRKÖY 5TH COMMERCIAL COURT OF FIRST INSTANCE)
31 December 2013
CLAIMANT Diva Medya Hizmetleri Ticaret ve Sanayi Ltd. ~ti.
Ataköy 9-10. K1s1m B-33 Blok D.3 Bak1rköy-lstanbul
REPRESENTED BY […]
RESPONDENT Marketing Bureau voor Programma Aanbieders BV
Nieuwe Bloksedijk 13, 3256 LJ Achthuizen, the NETHERLANDS
SUBJECT As provided in detail below, request for
1) Determination of the fact that the agreement between the parties was terminated on good cause
with immediate effect as to the unlawful actions of the respondent,
[…]
EXPLANATIONS:
[…]
6) The business relationship was properly conducted from 2004 till the last quarter of 2012 during
which the client received the revenues every three months in line with the contractual terms and
conditions.
Yet, although the respondent collected the sums due and payable by the client's customers for
the last quarter of 2012 and 1st and 2nd quarters of 2013 on behalf of the client, it failed to make
the required payment to the client. lnstead, the respondent kept the relevant sums in its
possession unfairly although they were meant to be transferred to the client. In order to collect
the relevant amount, the client filed an action of debt against MBPA, the respondent, under case
number 2013/442 E.
Procesverloop
2.8.
Om te bepalen of vorderingen ‘hetzelfde onderwerp’ betreffen, moet uitsluitend rekening worden gehouden met de aanspraken van de eisers in elk van de gedingen en niet met de verweermiddelen – van welke aard dan ook – die een verweerder (gedaagde) eventueel aanvoert. Een situatie van litispendentie bestaat al zodra bij twee gerechten van verschillende landen vorderingen definitief zijn aangebracht, dus nog voordat de verweerders (gedaagden) hun standpunt hebben kunnen uiteenzetten (HvJ 8 mei 2003, NJ 2006/349 (Gantner/Basch)).
2.9.
Zowel de procedure voor de Basirköy 5th Commercial Court als de onderhavige procedure op het punt van de Europese vorderingen betreft een geschil van contractenrechtelijke aard. In de procedure voor de Basirköy 5th Commercial Court treedt Diva Medya als eiseres op en MBPA als gedaagde. In de onderhavige procedure zijn de rollen omgedraaid: MBPA is – samen met Local Insert – de eisende partij, terwijl Diva Medya gedaagde is.
De Europese vorderingen van MBPA (en formeel ook Local Insert) bestaan – kort gezegd – uit (i) een verklaring voor recht dat Diva Medya de samenwerking(sovereenkomst) in verband met de brief van 8 november 2013 niet rechtsgeldig heeft beëindigd en/of dat de opzegging, althans de termijn van opzegging, in strijd is met de redelijkheid en billijkheid alsmede (ii) uit daarmee samenhangende schadevergoedingsvorderingen aangaande MBPA. Zie r.o. 2.1 van het tussenvonnis van 17 augustus 2019. Volgens Local Insert en MBPA is Diva Medya vanwege deze opzegging toerekenbaar tekort geschoten in de nakoming van haar overeenkomst met Local Insert en MBPA.
Zou het zo zijn, zoals Diva Medya stelt, dat in de procedure voor de Basirköy 5th Commercial Court door Diva Medya is gevorderd “dat haar opzegging van de overeenkomst met MBPA rechtsgeldig was vanwege tekortschieten van MBPA in die overeenkomst” (randnr. 9 van de hierboven onder 1.1 genoemde akte van 10 juni 2020), dan is hier sprake van spiegelbeeldige vorderingen waarbij dezelfde rechtsvraag centraal staat, namelijk of Diva Medya wegens toerekenbare tekortkoming van (Local Insert en) MBPA gerechtigd was de overeenkomst op te zeggen. In dat geval is zeker voldaan aan het vereiste dat de vorderingen in beide procedures ‘hetzelfde onderwerp’ hebben, dat wil zeggen: hetzelfde doel (zie r.o. 2.4 hierboven). Zie HvJ EG 8 december 1987, 144/86, Jur. 1987, p. 4861; NJ 1989/420 (Gubisch/Palumbo).
2.10.
In het tussenvonnis van 13 mei 2020 heeft de rechtbank overwogen dat zij in de door Diva Medya overgelegde stukken vooralsnog niets leest over de beweerdelijk gevorderde verklaring voor recht van Diva Medya in de Turkse procedure. Het gaat hier om de hierboven in r.o. 2.9 genoemde vordering van Diva Medya “dat haar opzegging van de overeenkomst met MBPA rechtsgeldig was vanwege tekortschieten van MBPA in die overeenkomst”. Tot bovengenoemde stukken van Diva Medya waar de rechtbank in het tussenvonnis van 13 mei 2020 op doelt, behoren onder meer (a) het gewaarmerkte vonnis van de Basirköy 5th Commercial Court van 10 mei 2017 en een beëdigde Engelse vertaling daarvan en (b) een Engelse vertaling van het proces-verbaal van de op 1 april 2015 in die zaak gehouden zitting. Zie r.o. 2.3 van het tussenvonnis van 13 mei 2020.
2.11.
Niet in geschil is dat het dictum van het vonnis van 10 mei 2017 van de Basirköy 5th Commercial Court, dat in de Engelse vertaling aanvangt met de zinsnede “HELD: On the grounds of the above explained reasoning” en vervolgens is onderverdeeld in zestien nummers, geen beslissing inhoudt, bijvoorbeeld in de vorm van een verklaring voor recht, dat de opzegging van de overeenkomst door Diva Medya rechtsgeldig was. Diva Medya is niettemin van mening dat zij in de Turkse procedure wél een beslissing heeft gevorderd dat de overeenkomst met MBPA op 8 november 2013 rechtsgeldig is beëindigd. In haar hierboven onder 1.1 genoemde akte van 10 juni 2020 onderbouwt Diva Medya dit standpunt op drie manieren. Allereerst wijst zij op een Turks processtuk van haar dat zij in het Nederlands “memorie van eis” noemt, namelijk het processtuk waarin de vordering en de grond van die vordering door de eiser uiteen moeten worden gezet. Een exemplaar van deze memorie van eis van Diva Medya, die dateert van 31 mei 2013, alsmede een Engelse vertaling hiervan zijn door Diva Medya bij genoemde akte als producties 19 respectievelijk 20 in het geding gebracht. Verder wijst Diva Medya in genoemde akte op – samengevat – een overweging in genoemd vonnis van 10 mei 2017 van Basirköy 5th Commercial Court waaruit zou moeten volgen dat Diva Medya inderdaad genoemde verklaring voor recht heeft gevorderd in die Turkse procedure. Ten slotte wijst Diva Medya ook nog op een rapport van 17 maart 2017 van een deskundigenpanel dat door de Basirköy 5th Commercial Court is ingeschakeld om haar te adviseren over de zaak.
2.12.
De hierboven in r.o. 2.11 genoemde memorie van eis van Diva Medya luidt – aangehaald voor zover relevant – als volgt:
“TO BAKIRKÖY COMMERCIAL COURT OF FIRST INSTANCE ON DUTY
(REQUEST FOR MERGER OF THE CASE WITH THE CASE NO. 2013/442 E. PENDING BEFORE THE BAKIRKÖY 5TH COMMERCIAL COURT OF FIRST INSTANCE)
31 December 2013
CLAIMANT Diva Medya Hizmetleri Ticaret ve Sanayi Ltd. ~ti.
Ataköy 9-10. K1s1m B-33 Blok D.3 Bak1rköy-lstanbul
REPRESENTED BY […]
RESPONDENT Marketing Bureau voor Programma Aanbieders BV
Nieuwe Bloksedijk 13, 3256 LJ Achthuizen, the NETHERLANDS
SUBJECT As provided in detail below, request for
1) Determination of the fact that the agreement between the parties was terminated on good cause
with immediate effect as to the unlawful actions of the respondent,
[…]
EXPLANATIONS:
[…]
6) The business relationship was properly conducted from 2004 till the last quarter of 2012 during
which the client received the revenues every three months in line with the contractual terms and
conditions.
Yet, although the respondent collected the sums due and payable by the client's customers for
the last quarter of 2012 and 1st and 2nd quarters of 2013 on behalf of the client, it failed to make
the required payment to the client. lnstead, the respondent kept the relevant sums in its
possession unfairly although they were meant to be transferred to the client. In order to collect
the relevant amount, the client filed an action of debt against MBPA, the respondent, under case
number 2013/442 E.
Procesverloop
before the Bakirköy 5th Commercial Court of First lnstance on 25.09.2013.
7) Since the respondent failed to make required payments to the client even after the case was filed, the agreement between the parties was terminated on good cause based on the termination notice
dated 08.11.2013.
[…]
CONCLUSION In accordance with the reasons indicated above, we respectfully ask
the Court to:
Primarily determine the fact that the agreement was terminated with immediate effect on good cause as to the respondent's breach of the agreement,
Collect from the respondent EUR 215,224.77 + USO 6,335.75, TRY 658,158.11 in total, for the third quarter of 2013 as indicated in the relevant invoices along with the advance interest applicable as trom 30.12.2013, date of default, to be duly paid to the client,
Collect TRY 10,000.00 for the time being trom the respondent for the fourth quarter of 2013 along with the advance interest applicable as trom 31 .12.2013 to be duly paid to the client and accept this case as an action of non-quantified debt since the actual sum of the debt tor the fourth quarter of 2013 is not ascertained yet,
Merge this case with the original action of debt lawsuit filed before the Bakirköy 5th Commercial Court of First lnstance under the case number 2013/442 E.,
Determine the client's right to make monetary claims tor the monetary damages incurred/to be incurred as a result of the breach committed by the respondent leading to the termination of the agreement as well as non-monetary claims for the damage inflicted on its commercial good standing, and,
lmpose the court casts and attorney fees on the opponent party.
[…]”.
Uit deze passages van de memorie van eis volgt, naar het oordeel van de rechtbank, duidelijk dat Diva Medya in de procedure die geleid heeft tot het genoemd vonnis van 10 mei 2017 van Basirköy 5th Commercial Court een beslissing heeft gevorderd over de rechtsgeldigheid van de opzegging door haar van de overeenkomst bij brief van 8 november 2013.
2.13.
De hierboven in r.o. 2.11 genoemde overweging in genoemd vonnis van 10 mei 2017 van Basirköy 5th Commercial Court waar Diva Medya op wijst zijn de volgende:
“In the petition submitted by the claimant attorney in respect of the joint Bakirköy 4th
Commercial Court of First lnstance file numbered 2013/51, in brief: it was requested for the
determination of the rightful termination of the contract between the client and the respondent as a
result of the respondent's unlawful conduct; for the collection of 658.158,11 TL which is the amount
due to the client for the third quarter of 2013 together with the interest accruing since the date of
default, 30/12/2013; for the collection of 10.000,00 TL which is the amount due for the fourth quarter of 2013 with the interest accruing since 30/12/2013; for the acceptanoe of the rest of this case as a claim for an unspecified amount and for the joinder of actions with regards to the case of Bakirkoy 5.CCFI file numbered 2013/442 E.”
Naar het oordeel van de rechtbank ondersteunt deze overweging de memorie van eis voldoende.
2.14.
In hun hierboven onder 1.1 genoemde akte van 22 juli 2020 blijven Local Insert en MBPA bij hun standpunt dat Diva Medya in de Turkse procedure geen verklaring voor recht heeft gevorderd dat haar opzegging van de overeenkomst rechtsgeldig was. Als enig argument hiervoor wijzen zij op het dictum van het vonnis van 10 mei 2017 van de Basirköy 5th Commercial Court, waarvan zij de tekst in bovengenoemde Engelse vertaling citeren. Local Insert en MBPA betwisten dus niet bovengenoemde, nader onderbouwde, stelling van Diva Medya dat zij in haar memorie van eis een beslissing heeft gevorderd over de rechtsgeldigheid van de opzegging van de overeenkomst door Diva Medya. Deze stelling is dan ook komen vast te staan.
2.15.
Wat betreft het hierboven in r.o. 2.11 genoemde rapport van het door de Basirköy 5th Commercial Court ingeschakelde deskundigenpanel, dat door Diva Medya (in de vorm van een Engelse vertaling) reeds voorafgaande aan het tussenvonnis van 13 mei 2020 als productie 19 in het geding was gebracht, wijst Diva Medya op de volgende passage uit (de Engelse vertaling van) dit rapport:
“All those facts and the other details in the case file lead us to become convinced that the plaintiff
remains entitled to 50% of the fees paid to the respondent by the companies purchasing broadcasting rights of Turkish TV stations in Europe and Israel but the respondent was in default in those payments and the plaintiff had justifiable grounds to terminate the agreement since the respondent failed to pay the relevant sums completely notwithstanding the notices served by the plaintiff. Indeed, we believe that the plaintiff remains entitled to 50% of the broadcasting fees for the broadcasting services performed after the termination of the agreement.”
Onderaan het rapport staan de volgende drie experts vermeld: [naam 1] , [naam 2] . [naam 3] (prod. 19 van Diva Medya).
In het vonnis van 10 mei 2017 van de Basirköy 5th Commercial Court wordt op de volgende wijze ingegaan op dit deskundigenrapport:
“Together with the documents and records submitted in the file, the file was first given to the commission of experts, Gülçin Elçin and her colleagues and then to the second commission of experts, [naam 1] and her colleagues in light of the subsequent objections. In summary, in their report both commissions of experts have stated their view is that in light of the content and application of the agreement between the parties, the agreement is an agency agreement, that 50% of the collected fees belongs to the claimant as pursuant to the provisions of the agreement, that the actual claimant receivable is 1,813,389.80 TL in light of the fees collected from subscribers and invoices, 1,648,006.00 TL in respect of the joint Bakirköy 4th Commercial Court of First Instance file 2013/513 E, 9,489.00 TL in respect of the joint Bakirköy 2nd Commercial Court of First Instance file numbered 2014/612 E. The expert reports executed before our court and which corraborate one another have been deemed sufficient and have been taken into account in the decision.
[…]
In light of the collected evidence and the scope of the whole file, it has been determined that the commercial relationship between the parties is based on the agreement submitted to the file which is not denied by the parties, that taking into consideration the content and the application of the agreement, it is an agency agreement, pursuant to the provisions of the agreement 50% of the collected fees belongs to the claimant, as such in light of the issued invoices and documents submitted to the file the claimant has receivables for the sums determined in the detailed and reasoned report of the commission of experts in respect of the actual and joint cases, that no evidence was submitted to the file regarding the payment of the subject receivable, that no research was undertaken in respect of the respondent’s request that once the fees related to the investment in Australia are determined it be deducted from the claimant’s receivable, as according to the agreement the claimant is not subjected to the fees (pursuant to the agreement both parties will be subjected to expenses they have made), it has been decided for the acceptance of the claimant’s requests in relation to the actual and joint cases, and it has been decided as follows: “.
Procesverloop
before the Bakirköy 5th Commercial Court of First lnstance on 25.09.2013.
7) Since the respondent failed to make required payments to the client even after the case was filed, the agreement between the parties was terminated on good cause based on the termination notice
dated 08.11.2013.
[…]
CONCLUSION In accordance with the reasons indicated above, we respectfully ask
the Court to:
Primarily determine the fact that the agreement was terminated with immediate effect on good cause as to the respondent's breach of the agreement,
Collect from the respondent EUR 215,224.77 + USO 6,335.75, TRY 658,158.11 in total, for the third quarter of 2013 as indicated in the relevant invoices along with the advance interest applicable as trom 30.12.2013, date of default, to be duly paid to the client,
Collect TRY 10,000.00 for the time being trom the respondent for the fourth quarter of 2013 along with the advance interest applicable as trom 31 .12.2013 to be duly paid to the client and accept this case as an action of non-quantified debt since the actual sum of the debt tor the fourth quarter of 2013 is not ascertained yet,
Merge this case with the original action of debt lawsuit filed before the Bakirköy 5th Commercial Court of First lnstance under the case number 2013/442 E.,
Determine the client's right to make monetary claims tor the monetary damages incurred/to be incurred as a result of the breach committed by the respondent leading to the termination of the agreement as well as non-monetary claims for the damage inflicted on its commercial good standing, and,
lmpose the court casts and attorney fees on the opponent party.
[…]”.
Uit deze passages van de memorie van eis volgt, naar het oordeel van de rechtbank, duidelijk dat Diva Medya in de procedure die geleid heeft tot het genoemd vonnis van 10 mei 2017 van Basirköy 5th Commercial Court een beslissing heeft gevorderd over de rechtsgeldigheid van de opzegging door haar van de overeenkomst bij brief van 8 november 2013.
2.13.
De hierboven in r.o. 2.11 genoemde overweging in genoemd vonnis van 10 mei 2017 van Basirköy 5th Commercial Court waar Diva Medya op wijst zijn de volgende:
“In the petition submitted by the claimant attorney in respect of the joint Bakirköy 4th
Commercial Court of First lnstance file numbered 2013/51, in brief: it was requested for the
determination of the rightful termination of the contract between the client and the respondent as a
result of the respondent's unlawful conduct; for the collection of 658.158,11 TL which is the amount
due to the client for the third quarter of 2013 together with the interest accruing since the date of
default, 30/12/2013; for the collection of 10.000,00 TL which is the amount due for the fourth quarter of 2013 with the interest accruing since 30/12/2013; for the acceptanoe of the rest of this case as a claim for an unspecified amount and for the joinder of actions with regards to the case of Bakirkoy 5.CCFI file numbered 2013/442 E.”
Naar het oordeel van de rechtbank ondersteunt deze overweging de memorie van eis voldoende.
2.14.
In hun hierboven onder 1.1 genoemde akte van 22 juli 2020 blijven Local Insert en MBPA bij hun standpunt dat Diva Medya in de Turkse procedure geen verklaring voor recht heeft gevorderd dat haar opzegging van de overeenkomst rechtsgeldig was. Als enig argument hiervoor wijzen zij op het dictum van het vonnis van 10 mei 2017 van de Basirköy 5th Commercial Court, waarvan zij de tekst in bovengenoemde Engelse vertaling citeren. Local Insert en MBPA betwisten dus niet bovengenoemde, nader onderbouwde, stelling van Diva Medya dat zij in haar memorie van eis een beslissing heeft gevorderd over de rechtsgeldigheid van de opzegging van de overeenkomst door Diva Medya. Deze stelling is dan ook komen vast te staan.
2.15.
Wat betreft het hierboven in r.o. 2.11 genoemde rapport van het door de Basirköy 5th Commercial Court ingeschakelde deskundigenpanel, dat door Diva Medya (in de vorm van een Engelse vertaling) reeds voorafgaande aan het tussenvonnis van 13 mei 2020 als productie 19 in het geding was gebracht, wijst Diva Medya op de volgende passage uit (de Engelse vertaling van) dit rapport:
“All those facts and the other details in the case file lead us to become convinced that the plaintiff
remains entitled to 50% of the fees paid to the respondent by the companies purchasing broadcasting rights of Turkish TV stations in Europe and Israel but the respondent was in default in those payments and the plaintiff had justifiable grounds to terminate the agreement since the respondent failed to pay the relevant sums completely notwithstanding the notices served by the plaintiff. Indeed, we believe that the plaintiff remains entitled to 50% of the broadcasting fees for the broadcasting services performed after the termination of the agreement.”
Onderaan het rapport staan de volgende drie experts vermeld: [naam 1] , [naam 2] . [naam 3] (prod. 19 van Diva Medya).
In het vonnis van 10 mei 2017 van de Basirköy 5th Commercial Court wordt op de volgende wijze ingegaan op dit deskundigenrapport:
“Together with the documents and records submitted in the file, the file was first given to the commission of experts, Gülçin Elçin and her colleagues and then to the second commission of experts, [naam 1] and her colleagues in light of the subsequent objections. In summary, in their report both commissions of experts have stated their view is that in light of the content and application of the agreement between the parties, the agreement is an agency agreement, that 50% of the collected fees belongs to the claimant as pursuant to the provisions of the agreement, that the actual claimant receivable is 1,813,389.80 TL in light of the fees collected from subscribers and invoices, 1,648,006.00 TL in respect of the joint Bakirköy 4th Commercial Court of First Instance file 2013/513 E, 9,489.00 TL in respect of the joint Bakirköy 2nd Commercial Court of First Instance file numbered 2014/612 E. The expert reports executed before our court and which corraborate one another have been deemed sufficient and have been taken into account in the decision.
[…]
In light of the collected evidence and the scope of the whole file, it has been determined that the commercial relationship between the parties is based on the agreement submitted to the file which is not denied by the parties, that taking into consideration the content and the application of the agreement, it is an agency agreement, pursuant to the provisions of the agreement 50% of the collected fees belongs to the claimant, as such in light of the issued invoices and documents submitted to the file the claimant has receivables for the sums determined in the detailed and reasoned report of the commission of experts in respect of the actual and joint cases, that no evidence was submitted to the file regarding the payment of the subject receivable, that no research was undertaken in respect of the respondent’s request that once the fees related to the investment in Australia are determined it be deducted from the claimant’s receivable, as according to the agreement the claimant is not subjected to the fees (pursuant to the agreement both parties will be subjected to expenses they have made), it has been decided for the acceptance of the claimant’s requests in relation to the actual and joint cases, and it has been decided as follows: “.