Rechtspraak
Rechtbank Rotterdam
2020-02-27
ECLI:NL:RBROT:2020:1669
Bestuursrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
2,560 tokens
Inleiding
Rechtbank Rotterdam
Bestuursrecht
zaaknummer: ROT 19/1549
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 27 februari 2020 in de zaak tussen
[eiser] , te [woonplaats] , eiser,
gemachtigde: mr. O. Ghardache,
en
de Minister voor Medische Zorg, verweerder,
gemachtigde: mr. J.S. Boer.
Procesverloop
Bij besluit van 23 november 2018 (het primaire besluit) heeft verweerder eiser een bestuurlijke boete ter hoogte van € 2.100,- opgelegd.
Bij besluit van 13 februari 2019 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser ongegrond verklaard.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
Eiser heeft nadere stukken ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 19 februari 2020. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.
Overwegingen
1. De rechtbank ziet zich ambtshalve voor de vraag gesteld of het beroep tijdig is ingediend.
2.1
Op grond van artikel 6:7 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is de termijn voor het indienen van een beroepschrift zes weken. Gelet op artikel 6:8, eerste lid, van de Awb vangt deze termijn aan met ingang van de dag na die waarop het besluit op de voorgeschreven wijze is bekendgemaakt.
Ingevolge artikel 6:9, eerste lid van de Awb is een beroepschrift tijdig ingediend indien het voor het einde van de termijn is ontvangen.
2.2
Niet in geschil is dat in dit geval de beroepstermijn is aangevangen op 14 februari 2019 en is geëindigd op 27 maart 2019. Het op 27 maart 2019 gedateerde beroepschrift is door de rechtbank als ontvangen afgestempeld op 28 maart 2019. De rechtbank hanteert die datum dan ook als datum van ontvangst. Dat is buiten de termijn voor het instellen van beroep.
2.3
Bij brief van 5 juni 2019 heeft de gemachtigde van eiser desgevraagd verklaard het beroepschrift op woensdag 27 maart 2019 in het bijzijn van twee collega’s in de brievenbus van de rechtbank te hebben gedaan. Ter zitting van de rechtbank heeft de gemachtigde nog toegelicht dat zij de brief omstreeks 18:00 uur in de brievenbus van de rechtbank heeft gedaan.
2.4
Nu de gemachtigde van eiser het beroepschrift naar gesteld eerst op de laatste dag van de beroepstermijn en na sluiting van de rechtbank in de brievenbus van de rechtbank heeft gedaan, heeft zij het risico genomen dat de ontvangst daarvan eerst op de daaropvolgende dag wordt geregistreerd. In gevallen zoals dit is het aan de indiener om aannemelijk te maken dat het geschrift eerder dan het stempel aangeeft door de geadresseerde is ontvangen (zie de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 12 september 2018, ECLI:NL:RVS:2018:2956).
2.5
Eiseres heeft niet aannemelijk gemaakt dat het beroepschrift uiterlijk 27 maart 2019 bij de rechtbank is bezorgd en door haar is ontvangen. De enkele stelling van de gemachtigde dat er collega’s getuige zijn geweest van de terpostbezorging, is daartoe onvoldoende. Nog daargelaten dat onduidelijk is wie deze personen zouden zijn en dat zij geen verklaring hebben afgelegd, kan een eventuele verklaring van een collega naar het oordeel van de rechtbank niet worden aangemerkt als objectief bewijs. Ook het feit dat de gemachtigde op de enveloppe heeft geschreven dat het beroep op 27 maart 2019 om 18:00 uur bij de rechtbank persoonlijk zou zijn afgegeven, acht de rechtbank onvoldoende om de tijdige ontvangst van het beroepschrift aan te nemen. Gelet op de bewijslastverdeling is het ook niet aan de rechtbank om camerabeelden – voor zover deze nog beschikbaar zouden zijn – terug te kijken om daarmee de gestelde deponering in de brievenbus van de rechtbank op 27 maart 2019 te bevestigen.
2.5
Op grond van het vorenstaande gaat de rechtbank er van uit dat het beroep niet tijdig is ontvangen. Eiser heeft geen feiten of omstandigheden aangevoerd op grond waarvan - in de zin van artikel 6:11 van de Awb - redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat hij in verzuim is geweest. Het beroep is daarom niet-ontvankelijk.
3. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Dictum
De rechtbank verklaart het beroep niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.C. Rop, rechter, in aanwezigheid van
mr. N.S.J. Letschert, griffier. De uitspraak is in het openbaar gedaan op 27 februari 2020.
griffier rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij het College van Beroep voor het bedrijfsleven.
Inleiding
Rechtbank Rotterdam
Bestuursrecht
zaaknummer: ROT 19/1549
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 27 februari 2020 in de zaak tussen
[eiser] , te [woonplaats] , eiser,
gemachtigde: mr. O. Ghardache,
en
de Minister voor Medische Zorg, verweerder,
gemachtigde: mr. J.S. Boer.
Procesverloop
Bij besluit van 23 november 2018 (het primaire besluit) heeft verweerder eiser een bestuurlijke boete ter hoogte van € 2.100,- opgelegd.
Bij besluit van 13 februari 2019 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser ongegrond verklaard.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
Eiser heeft nadere stukken ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 19 februari 2020. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.
Overwegingen
1. De rechtbank ziet zich ambtshalve voor de vraag gesteld of het beroep tijdig is ingediend.
2.1
Op grond van artikel 6:7 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is de termijn voor het indienen van een beroepschrift zes weken. Gelet op artikel 6:8, eerste lid, van de Awb vangt deze termijn aan met ingang van de dag na die waarop het besluit op de voorgeschreven wijze is bekendgemaakt.
Ingevolge artikel 6:9, eerste lid van de Awb is een beroepschrift tijdig ingediend indien het voor het einde van de termijn is ontvangen.
2.2
Niet in geschil is dat in dit geval de beroepstermijn is aangevangen op 14 februari 2019 en is geëindigd op 27 maart 2019. Het op 27 maart 2019 gedateerde beroepschrift is door de rechtbank als ontvangen afgestempeld op 28 maart 2019. De rechtbank hanteert die datum dan ook als datum van ontvangst. Dat is buiten de termijn voor het instellen van beroep.
2.3
Bij brief van 5 juni 2019 heeft de gemachtigde van eiser desgevraagd verklaard het beroepschrift op woensdag 27 maart 2019 in het bijzijn van twee collega’s in de brievenbus van de rechtbank te hebben gedaan. Ter zitting van de rechtbank heeft de gemachtigde nog toegelicht dat zij de brief omstreeks 18:00 uur in de brievenbus van de rechtbank heeft gedaan.
2.4
Nu de gemachtigde van eiser het beroepschrift naar gesteld eerst op de laatste dag van de beroepstermijn en na sluiting van de rechtbank in de brievenbus van de rechtbank heeft gedaan, heeft zij het risico genomen dat de ontvangst daarvan eerst op de daaropvolgende dag wordt geregistreerd. In gevallen zoals dit is het aan de indiener om aannemelijk te maken dat het geschrift eerder dan het stempel aangeeft door de geadresseerde is ontvangen (zie de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 12 september 2018, ECLI:NL:RVS:2018:2956).
2.5
Eiseres heeft niet aannemelijk gemaakt dat het beroepschrift uiterlijk 27 maart 2019 bij de rechtbank is bezorgd en door haar is ontvangen. De enkele stelling van de gemachtigde dat er collega’s getuige zijn geweest van de terpostbezorging, is daartoe onvoldoende. Nog daargelaten dat onduidelijk is wie deze personen zouden zijn en dat zij geen verklaring hebben afgelegd, kan een eventuele verklaring van een collega naar het oordeel van de rechtbank niet worden aangemerkt als objectief bewijs. Ook het feit dat de gemachtigde op de enveloppe heeft geschreven dat het beroep op 27 maart 2019 om 18:00 uur bij de rechtbank persoonlijk zou zijn afgegeven, acht de rechtbank onvoldoende om de tijdige ontvangst van het beroepschrift aan te nemen. Gelet op de bewijslastverdeling is het ook niet aan de rechtbank om camerabeelden – voor zover deze nog beschikbaar zouden zijn – terug te kijken om daarmee de gestelde deponering in de brievenbus van de rechtbank op 27 maart 2019 te bevestigen.
2.5
Op grond van het vorenstaande gaat de rechtbank er van uit dat het beroep niet tijdig is ontvangen. Eiser heeft geen feiten of omstandigheden aangevoerd op grond waarvan - in de zin van artikel 6:11 van de Awb - redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat hij in verzuim is geweest. Het beroep is daarom niet-ontvankelijk.
3. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Dictum
De rechtbank verklaart het beroep niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.C. Rop, rechter, in aanwezigheid van
mr. N.S.J. Letschert, griffier. De uitspraak is in het openbaar gedaan op 27 februari 2020.
griffier rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij het College van Beroep voor het bedrijfsleven.