Rechtspraak
Rechtbank Rotterdam
2020-09-30
ECLI:NL:RBROT:2020:13362
Bestuursrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
6,026 tokens
Inleiding
RECHTBANK ROTTERDAM
Bestuursrecht
zaaknummer: ROT 21/2785
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 30 september 2020 in de zaak tussen
[naam eiseres], te [woonplaats eiseres], eiseres
en
het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam, verweerder
(gemachtigde: mr. R. Duivenvoorde).
Procesverloop
Bij besluit van 23 december 2020 (het primaire besluit) heeft verweerder eiseres’ recht op bijstand op grond van de Participatiewet (Pw) herzien over de periode van 1 november 2019 tot en met 31 oktober 2020 en een bedrag van € 5.758,53 teruggevorderd.
Bij besluit van 9 april 2021 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiseres tegen het primaire besluit gedeeltelijk gegrond verklaard en de terugvordering verlaagd naar € 4.666,13.
Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
De rechtbank heeft het beroep op 31 augustus 2021 op een zitting behandeld. Eiseres is verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Na de zitting heeft de rechtbank het onderzoek gesloten.
Bij brief van 14 september 2021 heeft de rechtbank het onderzoek heropend en eiseres in de gelegenheid gesteld een nadere toelichting te geven.
Eiseres heeft hierop gereageerd bij brief van 22 september 2021.
Verweerder heeft hierop gereageerd bij brief van 29 september 2021.
Vervolgens heeft de rechtbank het onderzoek gesloten.
Bij brief van 17 december 2021 heeft de rechtbank partijen meegedeeld dat de uitspraak wordt uitgesteld in afwachting van uitspraken van de meervoudige kamer van deze rechtbank over het terugvorderen van bijstand in verband met gokken in een casino. Die uitspraken zijn gedaan op 2 september 2022 (ECLI:NL:RBROT:2022:7357, ECLI:NL:RBROT:2022:7358, ECLI:NL:RBROT:2022:7360 en ECLI:NL:RBROT:2022:7362).
Overwegingen
1.1
Eiseres ontvangt sinds 2015 een bijstandsuitkering (kostendelersnorm).
1.2.
Verweerder heeft in 2020 een onderzoek uitgevoerd naar de rechtmatigheid van de bijstandsuitkering van eiseres. Hierbij heeft verweerder bankafschriften opgevraagd. Uit het onderzoek is gebleken dat eiseres in de periode november 2019 tot en met februari 2020 en in de maand juli 2020 geld heeft opgenomen bij Holland Casino. Verder is uit het onderzoek gebleken dat in de maanden maart 2020 tot en met juni 2020 en de maanden september 2020 en oktober 2020 bijschrijvingen door derden op de bankrekening van eiseres plaatsgevonden.
2. Verweerder heeft aan het bestreden besluit ten grondslag gelegd dat eiseres de op haar rustende inlichtingenverplichting niet is nagekomen omdat zij geen melding heeft gemaakt van haar gokactiviteiten en de bijschrijvingen op haar bankrekening door derden. Verweerder is verplicht de te veel betaalde bijstand terug te vorderen. Over de maanden waarin geld is opgenomen bij Holland Casino, heeft verweerder de volledige bijstand teruggevorderd. Daarbij heeft verweerder overwogen dat eiseres van de gokactiviteiten geen administratie heeft verstrekt en dat daarom het recht op bijstand in de desbetreffende maanden niet kan worden vastgesteld. In verband hiermee is een bedrag van € 3.731,81 teruggevorderd. In verband met de bijschrijvingen van derden, die als inkomsten worden beschouwd, is een bedrag van € 934,32 teruggevorderd.
3. Eiseres heeft – samengevat – het volgende aangevoerd. Het bestreden besluit is niet zorgvuldig tot stand gekomen omdat eiseres in de bezwaarfase niet beschikte over alle stukken, ondanks het feit dat zij daar wel om had verzocht. De bijschrijvingen door derden betreffen leningen. Eiseres moet dit geld terugbetalen. Het is niet juist dat verweerder dit geld dan ook nog van eiseres terugvordert. Bovendien handelt verweerder willekeurig omdat verweerder sommige bijschrijvingen niet als inkomsten heeft beschouwd, namelijk als het geld binnen enkele dagen is teruggestort. Eiseres heeft niet gegokt. Zij kwam bij Holland Casino voor ontspanning. Het opgenomen geld was bedoeld om vrienden te trakteren op drank en eten. Ook was zij gewend om voor haar vertrek uit het casino geld op te nemen, omdat dat in een casino veilig is. Er is sprake van willekeur aan de kant van verweerder omdat enerzijds is afgezien van het opleggen van een boete vanwege het ontbreken van verwijtbaarheid, maar anderzijds de terugvorderingen wel in stand zijn gelaten.
De gedingstukken
4. Ten aanzien van de op de zaak betrekking hebbende stukken in de bezwaarfase heeft verweerder zich op het standpunt gesteld dat hij niet aannemelijk kan maken dat eiseres de stukken toegestuurd heeft gekregen. Volgens verweerder is eiseres door de schending van artikel 7:4 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) niet benadeeld, nu zij in beroep wel de beschikking heeft gekregen over alle stukken. De rechtbank volgt verweerder hierin. De rechtbank neemt hierbij ook in aanmerking dat eiseres in de bezwaarfase te kennen heeft gegeven haar bezwaar niet mondeling te willen toelichten. De rechtbank passeert het gebrek met toepassing van artikel 6:22 van de Awb.
Bijschrijvingen door derden
5.1
Een besluit tot herziening van het recht op bijstand is een voor de betrokkene belastend besluit. In dit geval betekent dit dat verweerder aannemelijk moet maken dat eiseres niet heeft voldaan aan de inlichtingenverplichting door geen melding te maken van de bijschrijvingen door derden op haar bankrekening.
5.2.
Volgens vaste rechtspraak van de Centrale Raad van Beroep (de Raad, zie bijvoorbeeld de uitspraak van 7 mei 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:1450) worden bijschrijvingen van derden in beginsel als in aanmerking te nemen middelen in de zin van artikel 31, eerste lid, van de Pw beschouwd. Als deze betalingen een terugkerend of periodiek karakter hebben, door de betrokkene kunnen worden aangewend voor de algemeen noodzakelijke bestaanskosten en zien op een periode waarover een beroep op bijstand wordt gedaan, gaat het ook om inkomsten als bedoeld in artikel 32, eerste lid, van de Pw.
5.3.
Vast staat dat in de periode in geding diverse bijschrijvingen door derden op de bankrekening van eiseres hebben plaatsgevonden. Deze bijschrijvingen hebben een terugkerend karakter, konden door eiseres worden aangewend voor de algemeen noodzakelijke bestaanskosten en zien op een periode waarin eiseres bijstand ontving. Gelet hierop moeten de bijschrijvingen als inkomsten worden aangemerkt.
5.4.
De stelling van eiseres dat het gaat om leningen, die moeten worden terugbetaald, leidt niet tot een ander oordeel. Volgens vaste rechtspraak (zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Raad van 21 november 2017, ECLI:NL:CRVB:2017:4136) is een geldlening in artikel 31, tweede lid, van de Pw niet uitgezonderd van het middelenbegrip. Verder worden periodieke betalingen van derden, waaronder familieleden, aan bijstandontvangers, ongeacht in welke vorm deze worden verstrekt en waarover vrijelijk kan worden beschikt, als inkomsten van de bijstandontvanger aangemerkt. Dat de leningen moeten worden terugbetaald is daarbij niet van belang. Dat verweerder geen bijschrijvingen in aanmerking neemt voor zover daartegenover in dezelfde kalendermaand een afschrijving naar dezelfde persoon staat (kruisposten), betekent naar het oordeel van de rechtbank niet dat sprake is van willekeur. In zijn verweerschrift heeft verweerder toegelicht dat het hier om een vaste gedragslijn gaat die wordt toegepast indien de verklaring over de bijschrijving aannemelijk is en er voldoende rechtstreeks verband bestaat tussen de transacties, zowel in tijd als in omvang van de bedragen. Het is de rechtbank niet gebleken dat verweerder zijn beleid op dit punt niet consistent heeft toegepast. Verweerder heeft de door eiseres ontvangen bedragen dan ook terecht als inkomsten aangemerkt.
5.5.
Nu verweerder de bijschrijvingen terecht heeft aangemerkt als inkomsten, heeft hij zich ook terecht op het standpunt gesteld dat deze bijschrijvingen van invloed zijn op het recht op bijstand van eiseres. Dit had eiseres ook redelijkerwijs duidelijk moeten zijn. Dit betekent dat eiseres de bijschrijvingen onverwijld aan verweerder had moeten melden. Eiseres heeft dit niet gedaan. Gelet hierop is de rechtbank van oordeel dat verweerder aannemelijk heeft gemaakt dat eiseres de inlichtingenverplichting als bedoeld in artikel 17, eerste lid, van de Pw niet is nagekomen.
5.6.
Het gevolg hiervan is dat verweerder te veel bijstand aan eiseres heeft betaald. Immers, eiseres heeft geen recht op bijstand ter hoogte van het bedrag aan inkomsten dat zij heeft ontvangen. Gelet hierop was verweerder verplicht op grond van artikel 54, derde lid, van de Pw het recht op bijstand te herzien en op grond van artikel 58, eerste lid, van de Pw de te veel aan eiseres uitbetaalde bijstand terug te vorderen.
5.7.
De stelling van eiseres dat sprake is van verminderde verwijtbaarheid bij het niet nakomen van de inlichtingenplicht, leidt niet tot een ander oordeel. Volgens vaste rechtspraak (bijvoorbeeld de uitspraak van de Raad van 23 februari 2016, ECLI:NL:CRVB:2016:605) is de inlichtingenplicht een objectief geformuleerde verplichting waarbij verwijtbaarheid geen rol speelt. De omstandigheid dat eiseres geen boete heeft gekregen wegens het ontbreken van verwijtbaarheid, maakt dan ook niet dat de terugvordering onjuist is. Voor zover eiseres heeft bedoeld aan te voeren dat er dringende redenen als bedoeld in artikel 58, achtste lid, van de Pw aanwezig zijn op grond waarvan verweerder (gedeeltelijk) van terugvordering had moeten afzien, volgt de rechtbank eiseres hierin niet.
Conclusie
7.1.
Gelet op het vorenstaande is het beroep gegrond. Het bestreden besluit is niet zorgvuldig voorbereid en niet deugdelijk gemotiveerd. Het bestreden besluit dient te worden vernietigd wegens strijd met de artikelen 3:2 en 7:12 van de Awb. De rechtbank ziet geen aanleiding voor definitieve beslechting van het geschil (vgl. de uitspraken van 2 september 2022). Verweerder moet een nieuw besluit op het bezwaar nemen met inachtneming van deze uitspraak en met inachtneming van de uitspraken van 2 september 2022. De rechtbank stelt voor het nemen van een nieuw besluit op het bezwaar een termijn van acht weken.
7.2.
Omdat het beroep gegrond is, dient verweerder het door eiseres betaalde griffierecht te vergoeden.
7.3.
Niet gebleken is dat eiseres proceskosten heeft gemaakt die voor vergoeding in aanmerking komen.
Dictum
De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het bestreden besluit;
- draagt verweerder op om binnen acht weken na de dag van verzending van deze uitspraak een nieuw besluit op bezwaar te nemen met inachtneming van deze uitspraak;
- draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 49,- aan eiseres te vergoeden.
Deze uitspraak is gedaan door mr. S. Veling, rechter, in aanwezigheid van mr. Z. Türk, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 30 september 2022.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep.
Inleiding
RECHTBANK ROTTERDAM
Bestuursrecht
zaaknummer: ROT 21/2785
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 30 september 2020 in de zaak tussen
[naam eiseres], te [woonplaats eiseres], eiseres
en
het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam, verweerder
(gemachtigde: mr. R. Duivenvoorde).
Procesverloop
Bij besluit van 23 december 2020 (het primaire besluit) heeft verweerder eiseres’ recht op bijstand op grond van de Participatiewet (Pw) herzien over de periode van 1 november 2019 tot en met 31 oktober 2020 en een bedrag van € 5.758,53 teruggevorderd.
Bij besluit van 9 april 2021 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiseres tegen het primaire besluit gedeeltelijk gegrond verklaard en de terugvordering verlaagd naar € 4.666,13.
Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
De rechtbank heeft het beroep op 31 augustus 2021 op een zitting behandeld. Eiseres is verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Na de zitting heeft de rechtbank het onderzoek gesloten.
Bij brief van 14 september 2021 heeft de rechtbank het onderzoek heropend en eiseres in de gelegenheid gesteld een nadere toelichting te geven.
Eiseres heeft hierop gereageerd bij brief van 22 september 2021.
Verweerder heeft hierop gereageerd bij brief van 29 september 2021.
Vervolgens heeft de rechtbank het onderzoek gesloten.
Bij brief van 17 december 2021 heeft de rechtbank partijen meegedeeld dat de uitspraak wordt uitgesteld in afwachting van uitspraken van de meervoudige kamer van deze rechtbank over het terugvorderen van bijstand in verband met gokken in een casino. Die uitspraken zijn gedaan op 2 september 2022 (ECLI:NL:RBROT:2022:7357, ECLI:NL:RBROT:2022:7358, ECLI:NL:RBROT:2022:7360 en ECLI:NL:RBROT:2022:7362).
Overwegingen
1.1
Eiseres ontvangt sinds 2015 een bijstandsuitkering (kostendelersnorm).
1.2.
Verweerder heeft in 2020 een onderzoek uitgevoerd naar de rechtmatigheid van de bijstandsuitkering van eiseres. Hierbij heeft verweerder bankafschriften opgevraagd. Uit het onderzoek is gebleken dat eiseres in de periode november 2019 tot en met februari 2020 en in de maand juli 2020 geld heeft opgenomen bij Holland Casino. Verder is uit het onderzoek gebleken dat in de maanden maart 2020 tot en met juni 2020 en de maanden september 2020 en oktober 2020 bijschrijvingen door derden op de bankrekening van eiseres plaatsgevonden.
2. Verweerder heeft aan het bestreden besluit ten grondslag gelegd dat eiseres de op haar rustende inlichtingenverplichting niet is nagekomen omdat zij geen melding heeft gemaakt van haar gokactiviteiten en de bijschrijvingen op haar bankrekening door derden. Verweerder is verplicht de te veel betaalde bijstand terug te vorderen. Over de maanden waarin geld is opgenomen bij Holland Casino, heeft verweerder de volledige bijstand teruggevorderd. Daarbij heeft verweerder overwogen dat eiseres van de gokactiviteiten geen administratie heeft verstrekt en dat daarom het recht op bijstand in de desbetreffende maanden niet kan worden vastgesteld. In verband hiermee is een bedrag van € 3.731,81 teruggevorderd. In verband met de bijschrijvingen van derden, die als inkomsten worden beschouwd, is een bedrag van € 934,32 teruggevorderd.
3. Eiseres heeft – samengevat – het volgende aangevoerd. Het bestreden besluit is niet zorgvuldig tot stand gekomen omdat eiseres in de bezwaarfase niet beschikte over alle stukken, ondanks het feit dat zij daar wel om had verzocht. De bijschrijvingen door derden betreffen leningen. Eiseres moet dit geld terugbetalen. Het is niet juist dat verweerder dit geld dan ook nog van eiseres terugvordert. Bovendien handelt verweerder willekeurig omdat verweerder sommige bijschrijvingen niet als inkomsten heeft beschouwd, namelijk als het geld binnen enkele dagen is teruggestort. Eiseres heeft niet gegokt. Zij kwam bij Holland Casino voor ontspanning. Het opgenomen geld was bedoeld om vrienden te trakteren op drank en eten. Ook was zij gewend om voor haar vertrek uit het casino geld op te nemen, omdat dat in een casino veilig is. Er is sprake van willekeur aan de kant van verweerder omdat enerzijds is afgezien van het opleggen van een boete vanwege het ontbreken van verwijtbaarheid, maar anderzijds de terugvorderingen wel in stand zijn gelaten.
De gedingstukken
4. Ten aanzien van de op de zaak betrekking hebbende stukken in de bezwaarfase heeft verweerder zich op het standpunt gesteld dat hij niet aannemelijk kan maken dat eiseres de stukken toegestuurd heeft gekregen. Volgens verweerder is eiseres door de schending van artikel 7:4 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) niet benadeeld, nu zij in beroep wel de beschikking heeft gekregen over alle stukken. De rechtbank volgt verweerder hierin. De rechtbank neemt hierbij ook in aanmerking dat eiseres in de bezwaarfase te kennen heeft gegeven haar bezwaar niet mondeling te willen toelichten. De rechtbank passeert het gebrek met toepassing van artikel 6:22 van de Awb.
Bijschrijvingen door derden
5.1
Een besluit tot herziening van het recht op bijstand is een voor de betrokkene belastend besluit. In dit geval betekent dit dat verweerder aannemelijk moet maken dat eiseres niet heeft voldaan aan de inlichtingenverplichting door geen melding te maken van de bijschrijvingen door derden op haar bankrekening.
5.2.
Volgens vaste rechtspraak van de Centrale Raad van Beroep (de Raad, zie bijvoorbeeld de uitspraak van 7 mei 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:1450) worden bijschrijvingen van derden in beginsel als in aanmerking te nemen middelen in de zin van artikel 31, eerste lid, van de Pw beschouwd. Als deze betalingen een terugkerend of periodiek karakter hebben, door de betrokkene kunnen worden aangewend voor de algemeen noodzakelijke bestaanskosten en zien op een periode waarover een beroep op bijstand wordt gedaan, gaat het ook om inkomsten als bedoeld in artikel 32, eerste lid, van de Pw.
5.3.
Vast staat dat in de periode in geding diverse bijschrijvingen door derden op de bankrekening van eiseres hebben plaatsgevonden. Deze bijschrijvingen hebben een terugkerend karakter, konden door eiseres worden aangewend voor de algemeen noodzakelijke bestaanskosten en zien op een periode waarin eiseres bijstand ontving. Gelet hierop moeten de bijschrijvingen als inkomsten worden aangemerkt.
5.4.
De stelling van eiseres dat het gaat om leningen, die moeten worden terugbetaald, leidt niet tot een ander oordeel. Volgens vaste rechtspraak (zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Raad van 21 november 2017, ECLI:NL:CRVB:2017:4136) is een geldlening in artikel 31, tweede lid, van de Pw niet uitgezonderd van het middelenbegrip. Verder worden periodieke betalingen van derden, waaronder familieleden, aan bijstandontvangers, ongeacht in welke vorm deze worden verstrekt en waarover vrijelijk kan worden beschikt, als inkomsten van de bijstandontvanger aangemerkt. Dat de leningen moeten worden terugbetaald is daarbij niet van belang. Dat verweerder geen bijschrijvingen in aanmerking neemt voor zover daartegenover in dezelfde kalendermaand een afschrijving naar dezelfde persoon staat (kruisposten), betekent naar het oordeel van de rechtbank niet dat sprake is van willekeur. In zijn verweerschrift heeft verweerder toegelicht dat het hier om een vaste gedragslijn gaat die wordt toegepast indien de verklaring over de bijschrijving aannemelijk is en er voldoende rechtstreeks verband bestaat tussen de transacties, zowel in tijd als in omvang van de bedragen. Het is de rechtbank niet gebleken dat verweerder zijn beleid op dit punt niet consistent heeft toegepast. Verweerder heeft de door eiseres ontvangen bedragen dan ook terecht als inkomsten aangemerkt.
5.5.
Nu verweerder de bijschrijvingen terecht heeft aangemerkt als inkomsten, heeft hij zich ook terecht op het standpunt gesteld dat deze bijschrijvingen van invloed zijn op het recht op bijstand van eiseres. Dit had eiseres ook redelijkerwijs duidelijk moeten zijn. Dit betekent dat eiseres de bijschrijvingen onverwijld aan verweerder had moeten melden. Eiseres heeft dit niet gedaan. Gelet hierop is de rechtbank van oordeel dat verweerder aannemelijk heeft gemaakt dat eiseres de inlichtingenverplichting als bedoeld in artikel 17, eerste lid, van de Pw niet is nagekomen.
5.6.
Het gevolg hiervan is dat verweerder te veel bijstand aan eiseres heeft betaald. Immers, eiseres heeft geen recht op bijstand ter hoogte van het bedrag aan inkomsten dat zij heeft ontvangen. Gelet hierop was verweerder verplicht op grond van artikel 54, derde lid, van de Pw het recht op bijstand te herzien en op grond van artikel 58, eerste lid, van de Pw de te veel aan eiseres uitbetaalde bijstand terug te vorderen.
5.7.
De stelling van eiseres dat sprake is van verminderde verwijtbaarheid bij het niet nakomen van de inlichtingenplicht, leidt niet tot een ander oordeel. Volgens vaste rechtspraak (bijvoorbeeld de uitspraak van de Raad van 23 februari 2016, ECLI:NL:CRVB:2016:605) is de inlichtingenplicht een objectief geformuleerde verplichting waarbij verwijtbaarheid geen rol speelt. De omstandigheid dat eiseres geen boete heeft gekregen wegens het ontbreken van verwijtbaarheid, maakt dan ook niet dat de terugvordering onjuist is. Voor zover eiseres heeft bedoeld aan te voeren dat er dringende redenen als bedoeld in artikel 58, achtste lid, van de Pw aanwezig zijn op grond waarvan verweerder (gedeeltelijk) van terugvordering had moeten afzien, volgt de rechtbank eiseres hierin niet.
Conclusie
7.1.
Gelet op het vorenstaande is het beroep gegrond. Het bestreden besluit is niet zorgvuldig voorbereid en niet deugdelijk gemotiveerd. Het bestreden besluit dient te worden vernietigd wegens strijd met de artikelen 3:2 en 7:12 van de Awb. De rechtbank ziet geen aanleiding voor definitieve beslechting van het geschil (vgl. de uitspraken van 2 september 2022). Verweerder moet een nieuw besluit op het bezwaar nemen met inachtneming van deze uitspraak en met inachtneming van de uitspraken van 2 september 2022. De rechtbank stelt voor het nemen van een nieuw besluit op het bezwaar een termijn van acht weken.
7.2.
Omdat het beroep gegrond is, dient verweerder het door eiseres betaalde griffierecht te vergoeden.
7.3.
Niet gebleken is dat eiseres proceskosten heeft gemaakt die voor vergoeding in aanmerking komen.
Dictum
De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het bestreden besluit;
- draagt verweerder op om binnen acht weken na de dag van verzending van deze uitspraak een nieuw besluit op bezwaar te nemen met inachtneming van deze uitspraak;
- draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 49,- aan eiseres te vergoeden.
Deze uitspraak is gedaan door mr. S. Veling, rechter, in aanwezigheid van mr. Z. Türk, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 30 september 2022.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep.