Rechtspraak
Rechtbank Rotterdam
2019-03-07
ECLI:NL:RBROT:2019:1744
Bestuursrecht
Eerste aanleg - meervoudig
2,522 tokens
Inleiding
Rechtbank Rotterdam
Team Bestuursrecht 1
zaaknummer: ROT 18/3276
uitspraak van de meervoudige kamer van 7 maart 2019 in de zaak tussen
[Naam], te [Plaats], eiser,
en
de Minister voor Medische Zorg, verweerder,
gemachtigde: mr. L. Schleeper.
Procesverloop
Bij besluit van 17 mei 2018 (het bestreden besluit) heeft verweerder eisers bezwaar tegen verweerders brief van 2 januari 2018, waarin verweerder eisers verzoek om handhavend op te treden tegen het Pieter Baan Centrum (PBC) wegens het niet hebben van een klachtenregeling in de zin van de Wet kwaliteit, klachten en geschillen zorg (Wkkgz) heeft afgewezen, ongegrond verklaard.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 18 februari 2019. Eiser is naar de zitting gekomen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Verder waren op de zitting aanwezig H.J.L. Zwartjes en M. van Elst, werkzaam bij de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd, een afdeling van het ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport (VWS).
Overwegingen
1. De rechtbank stelt voorop dat zij, gelet op artikel 7 van bijlage 2 – de Bevoegdheidsregeling bestuursrechtspraak – bij de Algemene wet bestuursrecht (Awb), bevoegd is met betrekking tot beroepen die zijn gericht tegen besluiten die hun grondslag vinden in hoofdstuk 4 van de Wkkgz, welk hoofdstuk betrekking heeft op toezicht en handhaving. Uit dit hoofdstuk volgt dat wanneer een beslissing (op bezwaar) betrekking heeft op een aanwijzing of een sanctie in het kader van de handhaving van de Wkkgz, rechtspraak in twee instanties moet plaatshebben en de rechtbank in eerste aanleg bevoegd is. Indien verweerder afwijzend beslist op een verzoek om handhaving, dan is de rechtbank naar haar oordeel eveneens bevoegd, omdat een vernietiging door de bestuursrechter ertoe kan leiden dat alsnog een van deze handhavingsinstrumenten ingezet zal (moeten) worden (vgl. de uitspraak van het College van Beroep voor het bedrijfsleven van 15 juni 2011, ECLI:NL:CBB:2011:BQ8708 en die van deze rechtbank van 17 januari 2019, ECLI:NL:RBROT:2019:623). De rechtbank is daarom bevoegd om kennis te nemen van dit beroep.
2. De rechtbank heeft zich vervolgens – ambtshalve – gebogen over de vraag of het bezwaar ontvankelijk is, en of de brief van verweerder van 2 januari 2018 een beslissing op een aanvraag van een belanghebbende inhoudt om een besluit te nemen in de zin van artikel 1:3, derde lid, van de Awb. Volgens verweerder is eiser belanghebbende bij zijn verzoek om handhaving, omdat hij in het verleden – blijkens de stukken in 2015 – opgenomen is geweest in het PBC. Omdat hoofdstuk 3 van de Wkkgz noch het Uitvoeringsbesluit Wkkgz regels geeft over de termijn waarbinnen een klacht op basis van een krachtens de Wkkgz vast te stellen klachtregeling moet worden ingediend, evenmin met betrekking tot gedragingen die – zoals in dit geval – hebben plaatsvonden voordat de Wkkgz in werking is getreden, gelet op de omstandigheid dat eiser ter zitting heeft aangevoerd te overwegen aanspraak te maken op een schadevergoeding en eiser onweersproken heeft gesteld dat de strafrechtelijke uitspraak, waarbij het diagnostisch onderzoek vanuit het PBC een rol heeft gespeeld, nog niet onherroepelijk is, houdt de rechtbank het er voor dat eiser een aanvraag in de zin van artikel 1:3, derde lid, van de Awb heeft gedaan en verweerders brief van 2 januari 2018 een besluit vormt. Om dezelfde reden neemt de rechtbank ondanks het tijdsverloop aan dat eiser nog belang heeft bij een beoordeling door de rechtbank van zijn beroep. Gelet hierop komt de rechtbank toe aan een inhoudelijke beoordeling.
3. Volgens eiser beschikt het PBC ten onrechte niet over een klachtenregeling in de zin van de Wkkgz, met als gevolg dat hij niet de mogelijkheid heeft om te klagen over de wijze waarop artsen van het Nederlands Instituut voor forensische psychiatrie en psychologie (NIFP) die in het PBC diagnostisch onderzoek Pro-Justitia hebben verricht ten behoeve van de eventuele oplegging van de maatregel terbeschikkingstelling (TBS). Hij heeft er daarbij onder meer op gewezen dat artikel 1, vierde lid, van de Wkkgz een limitatieve opsomming van uitsluitingsgevallen bevat met betrekking tot de toepassing van hoofdstuk 3 van de Wkkgz en dat justitiële inrichtingen als het PBC daarin niet zijn genoemd, dat de voordien geldende Wet klachtrecht cliënten zorgsector evenmin justitiële inrichtingen uitsloot van het bereik van die wet en dat het klachtrecht onder de Penitentiaire beginselenwet (Pbw) niet uitputtend is, omdat enkel kan worden geklaagd over door of namens de directeur genomen beslissingen en niet over rapporteurs van het PBC (zie de uitspraak van de beroepscommissie als bedoeld in artikel 69, tweede lid, van de Pbw van 25 april 2017, RSJ 16/3953/GA). De klachtregeling in artikel 28 van de Penitentiaire maatregel is volgens hem evenmin van toepassing, omdat op de voet hiervan slechts een beroepschrift kan worden ingediend tegen het medisch handelen van de inrichtingsarts, waaronder volgens hem niet de arts valt die het diagnostisch onderzoek uitvoert.
4. Verweerder neemt het standpunt in dat hoofdstuk 3 van de Wkkgz, dat ziet op de verplichting van zorgaanbieders om met een representatief te achten organisatie van cliënten een klachtenregeling vast te stellen, niet van toepassing is op het PBC op grond van artikel 1, vierde lid, van de Wkkgz, zodat er geen sprake is van een overtreding van hoofdstuk 3 van de Wkkgz. Verweerder heeft in dit verband verder overwogen dat de Pbw een exclusieve regeling bevat inzake het klachtrecht van gedetineerden en dat de wetgever de toepassing van de Wkkgz wil uitsluiten voor justitiële inrichtingen (artikel IV van wetsvoorstel 33 844 tot Wijziging van de Penitentiaire beginselenwet, de Beginselenwet verpleging ter beschikking gestelden en de Beginselenwet justitiële jeugdinrichtingen en enkele andere wetten in verband met het vervoer, het medisch klachtrecht en enkele andere onderwerpen (het wetsvoorstel 33 844). In dat verband heeft verweerder tevens verwezen naar de beslissing van het Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg te Zwolle van 9 maart 2018, ECLI:NL:TGZRZWO:2018:62.
5. Naar het oordeel van de rechtbank sluit de letterlijke tekst van artikel 1, vierde lid, van de Wkkgz de toepasselijkheid van de Wkkgz voor bedoeld diagnostisch onderzoek in het PBC niet uit. In dat artikellid is immers vermeld dat op zorg voor zover deze betreft handelingen ter beoordeling van de gezondheidstoestand of medische begeleiding van een cliënt, verricht in opdracht van een ander dan die cliënt in verband met de vaststelling van aanspraken of verplichtingen, de toelating tot een verzekering of voorziening, of de beoordeling van de geschiktheid voor een opleiding, een arbeidsverhouding of de uitvoering van bepaalde werkzaamheden, artikel 10, eerste en tweede lid, en hoofdstuk 3 niet van toepassing is. Naar het oordeel van de rechtbank behelst het diagnostisch onderzoek weliswaar handelingen ter beoordeling van de gezondheidstoestand van een cliënt, verricht in opdracht van een ander dan die cliënt, maar geschieden die handelingen, anders dan verweerder heeft betoogd, niet in verband met de vaststelling van aanspraken of verplichtingen, of de toelating tot een verzekering of voorziening, aangezien TBS niet als zodanig kan worden aangemerkt. Dat van de andere uitzonderingsgronden geen sprake is, is niet in geschil.
Uit de parlementaire geschiedenis kan niet worden afgeleid dat de wetgever, in weerwil van de tekst van dit artikellid, niettemin uitdrukkelijk de bedoeling heeft gehad bedoeld diagnostisch onderzoek in het PBC van de werking van de Wkkgz uit te sluiten. Uit de doorlopende integrale toelichting bij het wetsvoorstel voor de Wkkgz (Kamerstukken I 2013/14, 32 402, F, blz. 20-21) volgt dat onderzoek in verband met de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf, waaronder het diagnostisch onderzoek kan worden begrepen, onder zorg als bedoeld in de Wkkgz valt. Voorts is daarin overwogen dat bepalingen inzake keuze-informatie, klachten en geschillen, medezeggenschap, goed bestuur, register van zorgaanbieders en verslaglegging niet van toepassing zijn waar het zorghandelingen op het gebied van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen en de Arbeidsomstandighedenwet betreft, dit om toename van administratieve lasten en nalevingskosten te voorkomen. In dit kader is opgemerkt dat waar het arbozorg, re‑integratie en claimbeoordeling betreft, reeds nadere voorschriften gelden inzake klachtenbehandeling, goed bestuur en verslaglegging. Dergelijke overwegingen tot uitsluiting van bepalingen inzake keuze-informatie, klachten en geschillen, medezeggenschap, goed bestuur, register van zorgaanbieders en verslaglegging ontbreken waar het gaat om het diagnostisch onderzoek in het PBC.
Dictum
De rechtbank:
verklaart het beroep gegrond;
vernietigt het bestreden besluit;
draagt verweerder op om een nieuwe beslissing op bezwaar te nemen;
veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 45,-.
Deze uitspraak is gedaan door mr. D. Brugman, voorzitter, en mr. H. Bedee en
mr. A.C. Hendriks, leden, in aanwezigheid van mr. R. Stijnen, griffier. De uitspraak is in het openbaar gedaan op 7 maart 2019.
griffier voorzitter
De voorzitter is verhinderd de uitspraak te ondertekenen
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij het College van Beroep voor het bedrijfsleven.