Rechtspraak
Rechtbank Rotterdam
2018-10-10
ECLI:NL:RBROT:2018:8446
Strafrecht
Eerste aanleg - meervoudig
2,092 tokens
Inleiding
Rechtbank Rotterdam
Team straf 3
Parketnummer:10/750028-16
Datum uitspraak: 10 oktober 2018
Tegenspraak
VONNIS (ontneming) (mk)
Vonnis van de rechtbank Rotterdam, meervoudige kamer voor strafzaken, op de vordering als bedoeld in artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht van de officier van justitie in de zaak tegen de veroordeelde:
[naam veroordeelde] ,
geboren te [geboorteland veroordeelde] op [geboortedatum veroordeelde] ,
ingeschreven in de basisregistratie personen op het adres:
[adres veroordeelde] , [woonplaats veroordeelde] ( [land veroordeelde] ),
raadsman mr. M.J. Crombach, advocaat te Breda.
Onderzoek op de terechtzitting
Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 26 en 27 maart 2018, 12 april 2018 en 26 september 2018.
Vordering
De officier van justitie heeft op 28 februari 2018 een vordering ingediend tot het vaststellen van het bedrag waarop het door veroordeelde wederrechtelijk verkregen voordeel als bedoeld in artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht wordt geschat en tot het opleggen aan de veroordeelde van de verplichting tot betaling aan de staat van een geldbedrag ter ontneming van dat geschatte voordeel. De officier van justitie heeft het voordeel geschat op € 21.250,=
De rechtbank heeft veroordeelde heden in de strafzaak veroordeeld wegens deelneming aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven. Dit vonnis wordt als bijlage van dit vonnis aangehecht.
Op de zitting van 26 maart 2018 heeft veroordeelde verweer gevoerd tegen de vordering.
Strafbare feiten waarop de voordeelsberekening is gebaseerd
Blijkens aangehecht vonnis is de veroordeelde veroordeeld ter zake van:
1. deelneming aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven.
In deze procedure wordt derhalve als vaststaand aangenomen dat dit feit door de veroordeelde
is begaan.
Vaststelling van het wederrechtelijk verkregen voordeel
Gebleken is dat de veroordeelde door middel van en uit de baten van het hiervoor vermelde strafbare feit wederrechtelijk voordeel heeft verkregen. Dit voordeel dient hem te worden ontnomen.
Het voordeel dat de veroordeelde wederrechtelijk heeft verkregen wordt geschat op
€ 17.000,=.
Deze schatting is gegrond op de feiten en omstandigheden die zijn vervat in de inhoud van de wettige bewijsmiddelen. De bewijsmiddelen zullen in die gevallen waarin de wet aanvulling van het vonnis vereist, in een aan dit vonnis te hechten bijlage worden opgenomen.
Met betrekking tot de berekening van het geschatte voordeel wordt nader het volgende overwogen.
1Algemeen
Aan de ontnemingsvordering van het openbaar ministerie ligt ten grondslag het uitgangspunt dat veroordeelde is veroordeeld voor twee misdrijven: deelneming aan een criminele organisatie en handelen in strijd met de artikelen 1 en/of 30b Wok. Bij het vonnis in de strafzaak zijn verdachte en de medeverdachten vrijgesproken van de concrete verdenkingen van overtreding van de artikelen 1 en/of 30b Wok. De ontneming kan dus niet (mede) haar grondslag vinden in overtreding van die voorschriften. De rechtbank beoordeelt de ontnemingsvordering daarom (uitsluitend) op de grondslag van deelneming aan een criminele organisatie.
1.2
Aan ontneming op grond van de deelneming aan een criminele organisatie staat niet in de weg genoemde vrijspraak van de verdenkingen van overtreding van de artikelen 1 en/of 30b Wok (vergelijk ECLI:NL:HR:2008:BD6046).
In dit kader kan bovendien worden vastgesteld, zoals uit de bewijsmiddelen volgt en hierna nader zal worden bezien, dat veroordeelde feitelijk heeft gedeeld in de baten die zijn verkregen uit de door de criminele organisatie beoogde illegale activiteiten.
Verder neemt de rechtbank in aanmerking dat de vrijspraak van bedoelde concrete verdenkingen is terug te voeren op onduidelijkheid over het middel (speelautomaat of niet?) en niet op het ontbreken van bewijs voor het zonder vergunning faciliteren van gokactiviteiten in verscheidene horecagelegenheden. Deze handelingen kunnen dan ook worden betrokken bij de schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel dat is verkregen door de deelneming aan de criminele organisatie. Dit staat niet op gespannen voet met de vrijspraak.
Tegen deze achtergrond oordeelt de rechtbank als volgt over de vordering.
2De vordering
Uitgangspunt in het rapport is dat de vordering ziet op het voordeel dat in de concrete omstandigheden van het geval daadwerkelijk is behaald.
Op basis van de eigen verklaring van veroordeelde dat hij € 500,= tot € 2.000,= inkomsten per maand had en dat hij contant door de medeverdachte [naam medeverdachte] werd betaald, is in het rapport uitgegaan van een gemiddelde opbrengst van € 1.250,= in de periode september 2014 tot en met februari 2016. In het rapport is deze periode afgerond op 17 maanden, zodat de opbrengst € 21.250,= zou zijn. Er zijn geen kosten gebleken.
Op de zitting is als verweer aangevoerd dat genoemde bedragen het gehele inkomen betreffen, inclusief de opbrengsten van de reparatie en verkoop van computers, waarmee veroordeelde zich (ook) bezighield. Genoemd bedrag van € 2.000,= heeft op die andere opbrengsten betrekking. In die zin is zijn verklaring bij de politie verkeerd geïnterpreteerd, aldus veroordeelde. Van [naam medeverdachte] zijn alleen kleine bedragen ontvangen. Op de zitting heeft de verdediging aangevoerd dat veroordeelde zelf een totaalbedrag van tussen
€ 3.000,= en € 5.000,= noemt.
De rechtbank stelt voorop dat de onderbouwing in het rapport in beginsel toereikend is. Daar staat echter tegenover dat voldoende aannemelijk is dat veroordeelde ook inkomsten had uit de reparatie en verkoop van computers en dat hij een totaalbedrag aan inkomsten voor ogen heeft gehad toen hij bedragen noemde bij de politie. Niet gebleken is dat hierop is doorgevraagd. In zoverre dient ten gunste van veroordeelde een correctie plaats te vinden. Die correctie kan vanwege het ontbreken van controleerbare gegevens over de verschillende inkomstenbronnen slechts bij wijze van schatting en naar redelijkheid worden bepaald. De rechtbank doet dit door uit te gaan van € 1.000,= inkomsten per maand over 17 maanden, zijnde in totaal € 17.000,=.
Vaststelling van het te betalen bedrag
Bepaald zal worden dat het gehele bedrag van het wederrechtelijk verkregen voordeel door de veroordeelde aan de staat moet worden betaald.
Bij deze beslissing zijn de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de veroordeelde in aanmerking genomen.
Toepasselijke wettelijke voorschriften
Deze beslissing is gegrond op artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht.
Dictum
De rechtbank:
- stelt het bedrag waarop het door de veroordeelde wederrechtelijk verkregen voordeel wordt geschat, vast op € 17.000,= (zegge: zeventienduizend euro);
- legt aan de veroordeelde de verplichting op tot betaling aan de staat van € 17.000,= (zegge: zeventienduizend euro).
Dit vonnis is gewezen door:
mr. P. Putters, voorzitter,
en mrs. R.J.A.M. Cooijmans en S.N. Abdoelkadir, rechters,
in tegenwoordigheid van R. van Andel, griffier,
en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank op 10 oktober 2018.