Rechtspraak
Rechtbank Rotterdam
2018-12-28
ECLI:NL:RBROT:2018:10689
Bestuursrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
2,569 tokens
Inleiding
Rechtbank Rotterdam
Team Bestuursrecht 2
zaaknummer: ROT 18/3259
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 28 december 2018 in de zaak tussen
[eiseres] , te [woonplaats eiseres] , eiseres,
gemachtigde: mr. L.H.E.M. Berendse – de Gruijl,
en
het college van burgemeester en wethouders van Capelle aan den IJssel, verweerder,
gemachtigde: D.K. van der Marel.
Procesverloop
Bij besluit van 16 februari 2018 (het primaire besluit 1) heeft verweerder het recht van eiseres op een bijstandsuitkering op grond van de Participatiewet (Pw) over de periode van
1 februari 2017 tot 29 juli 2017 ingetrokken en de over deze periode aan haar verstrekte bijstand ter hoogte van € 7.253,54 (bruto) teruggevorderd.
Bij besluit van 12 maart 2018 (het primaire besluit 2) heeft verweerder aan eiseres een bestuurlijke boete opgelegd van € 175,- wegens schending van de inlichtingenplicht als bedoeld in artikel 17, eerste lid, van de Pw.
Bij besluit van 13 juni 2018 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiseres tegen de primaire besluiten ongegrond verklaard.
Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 20 november 2018. Eiseres is verschenen, bijgestaan door mr. R.W. de Gruijl, kantoorgenoot van haar gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.
Overwegingen
1.1
Eiseres ontvangt sinds 8 augustus 2014 een bijstandsuitkering naar de norm van alleenstaande ouder.
1.2
Naar aanleiding van een melding uit 2013 dat eiseres zich in advertenties op internet presenteert als aanbieder van erotische werkzaamheden, heeft verweerder in het najaar van 2017 onderzoek gedaan naar de rechtmatigheid van de uitkering van eiseres. In dat kader heeft op 4 oktober 2017 een gesprek plaatsgevonden tussen eiseres en handhavers van verweerder. In de verklaring die naar aanleiding daarvan is opgemaakt, staat onder meer vermeld dat eiseres naar eigen zeggen sinds februari 2017 erotische werkzaamheden verricht. Ook verklaart zij dat de politie bij haar is langs geweest in verband met haar werkzaamheden en dat zij daarmee is gestopt sinds het laatste bezoek van de politie op 28 juli 2017. In een gesprek met verweerder op 14 november 2017 verklaart eiseres dat zij de helft van haar verdiensten mocht houden en de andere helft naar een stel ging dat haar hielp met onder meer het maken van foto’s en het plaatsen van advertenties, en dat zij in totaal ongeveer vier keer heeft gewerkt.
2.1
Verweerder heeft vervolgens het primaire besluit 1 genomen. Volgens verweerder heeft eiseres de op haar rustende inlichtingenplicht geschonden, met als gevolg dat het recht op bijstand niet is vast te stellen. Verweerder heeft de netto terugvordering van € 5.711,30 verhoogd met afgedragen loonheffing naar een bedrag van € 7.253,54 bruto.
2.2
Op 12 maart 2018 heeft verweerder met eiseres gesproken over verweerders voornemen om een boete op te leggen. In dit gesprek verklaart zij onder meer dat zij met haar werkzaamheden ongeveer € 350,- / € 400,- heeft verdiend. Verweerder heeft vervolgens het primaire besluit 2 genomen. Verweerder is daarbij uitgegaan van een benadelingsbedrag van € 350,- en normale verwijtbaarheid, waardoor de boete op 50% van het benadelingsbedrag wordt gesteld.
3. Bij het bestreden besluit heeft verweerder het bezwaar van eiseres tegen de primaire besluiten ongegrond verklaard, onder verwijzing naar het advies van de bezwaaradviescommissie van 31 mei 2018.
4. Eiseres voert in beroep aan dat verweerder ten onrechte haar uitkering over de gehele periode van 1 februari 2017 tot 29 juli 2017 heeft ingetrokken en teruggevorderd. Eiseres stelt dat zij in deze periode slechts drie maal werkzaamheden heeft verricht waarvoor zij slechts € 105,- aan inkomsten heeft gehad. De terugvordering had dan ook
€ 105,- moeten zijn. Daarnaast is volgens eiseres sprake van dringende redenen op grond waarvan van terugvordering moet worden afgezien, omdat door de terugvordering aanzienlijke psychische problemen zullen ontstaan voor haar en haar twee inwonende kinderen. Eiseres is reeds onder behandeling voor onder meer depressieve klachten en deze klachten zullen door de terugvordering toenemen. Ook stelt eiseres dat zij slachtoffer is van personen die misbruik van haar zwakke positie hebben gemaakt en die haar de werkzaamheden hebben laten verrichten. Eiseres verwijst in dit verband naar een brief van de zorgcoördinator mensenhandel van de Stichting Humanitas van 14 augustus 2018. Tot slot stelt eiseres dat van het opleggen van de boete moet worden afgezien, dan wel dat deze moet worden verlaagd.
5. Op grond van artikel 17, eerste lid, van de Pw doet de belanghebbende aan het college op verzoek of onverwijld uit eigen beweging mededeling van alle feiten en omstandigheden waarvan hem redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat zij van invloed kunnen zijn op zijn arbeidsinschakeling of het recht op bijstand.
Op grond van artikel 54, derde lid, van de Pw herziet het college een besluit tot toekenning van bijstand, dan wel trekt het een besluit tot toekenning van bijstand in, indien het niet of niet behoorlijk nakomen van de verplichting, bedoeld in artikel 17, eerste lid, heeft geleid tot het ten onrechte of tot een te hoog bedrag verlenen van bijstand.
Op grond van artikel 58, eerste lid, van de Pw vordert het college van de gemeente die de bijstand heeft verleend de kosten van bijstand terug voor zover de bijstand ten onrechte of tot een te hoog bedrag is ontvangen als gevolg van het niet of niet behoorlijk nakomen van de verplichting, bedoeld in artikel 17, eerste lid.
Op grond van artikel 58, achtste lid, van de Pw kan het college besluiten geheel of gedeeltelijk van terugvordering af te zien indien daarvoor dringende redenen aanwezig zijn.
Op grond van artikel 18a, eerste lid, van de Pw, voor zover hier van belang, legt het college een bestuurlijke boete op van ten hoogste het benadelingsbedrag wegens het niet of niet behoorlijk nakomen door de belanghebbende van de verplichting, bedoeld in artikel 17, eerste lid.
Op grond van artikel 18a, zevende lid, van de Pw kan het college afzien van het opleggen van een bestuurlijke boete indien daarvoor dringende redenen aanwezig zijn.
6.1
Niet in geding is dat eiseres niet tijdig en uit eigen beweging aan verweerder heeft gemeld dat zij tegen betaling werkzaamheden verrichtte terwijl zij bijstand ontving. Hiermee staat naar het oordeel van de rechtbank vast dat eiseres de inlichtingenverplichting heeft geschonden. De vraag die de rechtbank moet beantwoorden, is of verweerder terecht vindt dat het recht op bijstand in de periode van 1 februari 2017 tot 29 juli 2017 hierdoor niet is vast te stellen.
6.2
Volgens vaste rechtspraak van de Centrale Raad van Beroep (de Raad) (bijvoorbeeld de uitspraak van 20 januari 2009, ECLI:NL:CRVB:2009:BH1949), levert schending van de inlichtingenverplichting een grond op voor intrekking van de bijstand, indien als gevolg daarvan niet kan worden vastgesteld of, en zo ja in hoeverre, de betrokkene verkeert in bijstandbehoevende omstandigheden. Het is dan aan de betrokkene om feiten te stellen en zo nodig te bewijzen dat in het geval wel aan de inlichtingenverplichting zou zijn voldaan over de betreffende periode recht op bijstand bestond.
6.3
De rechtbank stelt vast dat eiseres geen agenda of administratie heeft bijgehouden van haar werkzaamheden, waarmee zij haar stelling zou kunnen onderbouwen dat zij in totaal maar drie keer heeft gewerkt en in totaal € 105,- heeft verdiend. Ook stelt de rechtbank vast dat eiseres wisselend heeft verklaard over haar werkzaamheden, zodat ook op basis daarvan niet kan worden vastgesteld hoeveel geld zij heeft verdiend. Zo verklaart zij op 29 juni 2017 tegenover de politie dat zij al 2,5 jaar werkt. Op 4 oktober 2017 verklaart zij tegenover verweerder dat zij sinds februari 2017 soms één keer en soms twee keer per week werkt, meestal tussen 10:00 uur en 15:00 uur. Tijdens het huisbezoek op
23 oktober 2017 verklaart zij dat zij in 2017 heeft gewerkt en dat zij daarmee is gestopt na het laatste bezoek van de politie op 28 juli 2017. Op deze drie momenten noemt zij niet dat zij in de betreffende periode maar drie keer heeft gewerkt. Dit verklaart zij pas tijdens het gesprek met verweerder op 14 november 2017, waarbij zij tevens verklaart dat het ook twee keer kan zijn geweest. In het gesprek met verweerder op 12 maart 2018 verklaart zij weer dat het drie of vier keer is geweest. Over de omvang van haar verdiensten verklaart zij in dit gesprek dat zij per keer € 70,- zou hebben verdiend, waarvan zij de helft heeft moeten afgeven. De rechtbank begrijpt dat het door eiseres in het beroepschrift gestelde bedrag hierop is gebaseerd (3*€ 70,-/2= € 105,-). Dit komt echter niet overeen met haar verklaring in hetzelfde gesprek dat zij aan de hand van haar uitgaven heeft berekend dat zij in totaal in de betreffende periode in 2017 ongeveer € 350,- / € 400,- heeft verdiend. Ook komt dit niet overeen met haar verklaring op de zitting dat zij in totaal ongeveer € 150,- heeft verdiend.
Dictum
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. R.H. Kroon, rechter, in aanwezigheid van
mr. J. Nieuwstraten, griffier. De uitspraak is in het openbaar gedaan op 28 december 2018.
griffier rechter
Afschrift verzonden aan partijen op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep.