Rechtspraak Rechtbank Rotterdam 2017-12-19
ECLI:NL:RBROT:2017:9950
vonnis RECHTBANK ROTTERDAM Team Handel zaaknummer / rolnummer: C/10/536213 / KG ZA 17-1093 Vonnis in kort geding van 19 december 2017 in de zaak van [eiser] , wonende te [woonplaats], eiser, advocaat mr. S. Scheimann te Rotterdam, tegen de stichting STICHTING VOOR BEROEPSEDUCATIE EN ONDERWIJS ZADKINE COLLEGE , gevestigd te Rotterdam, verweerster, bijgestaan door mr. [persoon 1] (bedrijfsjurist). Partijen zullen hierna [eiser] en Zadkine genoemd worden. 1 De procedure 1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit: de vrijwillige verschijning van partijen; de conclusie van eis; de 14 producties van [eiser]; de 14 producties van Zadkine; de mondelinge behandeling op 7 december 2017; de pleitnota van Zadkine. 1.2. Ten slotte is vonnis bepaald. 2 De feiten 2.1. Zadkine is een regionaal opleidingencentrum (ROC) in de zin van de Wet Educatie en Beroepsonderwijs (WEB), dat mbo-opleidingen en volwasseneneducatie aanbiedt op diverse locaties in Rotterdam en omgeving. 2.2. In het studiejaar 2015-2016 is [eiser] begonnen met de MBO-opleiding Ondernemer Detailhandel bij Zadkine College. Daartoe is tussen partijen een onderwijsovereenkomst gesloten. Op de onderwijsovereenkomst zijn de algemene voorwaarden en het Studentenstatuut van Zadkine van toepassing. 2.3. In de algemene voorwaarden van Zadkine is, voor zover relevant, het volgende vermeld: “(…) 2.2 De beroepspraktijkvorming (bpv) is een onderdeel van deze opleiding. Afspraken over de beroepspraktijkvormig staat in een beroepspraktijkvormingsovereenkomst tussen de instelling, de student en het leerbedrijf dat de bpv verzorgt. 3 Inspanningsverplichtingen instelling (…) 3.5 De instelling heeft de zorgplicht de student te helpen bij het vinden van een bpv-plaats. 4 Inspanningsverplichtingen student 4.1 De student is gehouden de onderwijsactiviteiten volgens het geldende rooster en de bepalingen van de relevante Studiehandleiding en de daarin opgenomen onderwijs- en examenregeling, daadwerkelijk te volgen en de in het kader van de opleiding gegeven opdrachten uit te voeren, tenzij dit om dringende redenen niet van hem/haar gevergd kan worden. 4.3 De student moet zich in samenspraak aantoonbaar inspannen om een bpv-plaats te vinden en moet een bpv-plaats accepteren. (…) 12 Schorsing en verwijdering (…) 12.6 De student kan van de instelling worden verwijderd als hij het studentenstatuut van de instelling overtreedt, nadat hij een schriftelijke waarschuwing heeft ontvangen en daarbij is gewezen op de mogelijke consequenties van zijn handelen en/of nalaten of als hij zich schuldig heeft gemaakt aan ernstig wangedrag. (…)” 2.4. In het Studentenstatuut staat, voor zover relevant, het volgende vermeld: “(…) Artikel 29 Verwijdering student van de instelling 1. De directeur kan de student blijvend verwijderen van de instelling wanneer de student: -regelmatig de regels binnen de instelling overtreedt en er herhaaldelijk en aantoonbaar gewaarschuwd is. -zich schuldig heeft gemaakt aan ernstig wangedrag; 2. Onder ernstig wangedrag moet worden beschouwd zodanig gedrag van de student, dat van de school niet kan worden gevergd, dat de opleiding bij Zadkine wordt voortgezet. Ernstig wangedrag kan onder andere aanwezig zijn bij bezit, gebruik of handel van wapens, (dreigen met) ernstig geweld, ernstige fraude, herhaaldelijk in het bezit hebben, handel of gebruik van verdovende middelen, drank of vuurwerk. 3. Bij de verwijdering geldt de volgende procedure: a. De teamleider of clusterdirecteur meldt het voornemen tot verwijdering door middel van een aangetekende brief aan de student. De brief bevat de reden(-en) van de verwijdering, alsmede een uitnodiging voor een gesprek. b. De student kan zich tijdens het gesprek laten bijstaan. c. De teamleider of clusterdirecteur neemt binnen vijf schooldagen na het gesprek een besluit en bevestigt dit besluit met een aangetekende brief aan de student. d. De teamleider of clusterdirecteur kan de student tijdens de procedure tot verwijdering de toegang tot de instelling Hij heeft twee waarschuwingen gehad waardoor hij op de hoogte was van de ernst van zijn situatie. In deze situatie vervolgens het gezag van een docent ondermijnen, in aanwezigheid van de gehele klas, past duidelijk niet binnen de gedragsregels van de school. De leerling heeft namelijk geweigerd het lokaal te verlaten. De leerling heeft in dezelfde periode twee handtekeningen vervalst, wat valt onder fraude. Dit valt onder ernstig wangedrag, zeker in het licht van wat eerder heeft plaats gevonden.” 2.12. Op 2 oktober 2017 heeft [eiser] bij de rechtbank te Rotterdam een kort geding datum aangevraagd. De rechtbank heeft mediation voorgesteld. Nadat dit door partijen werd geaccepteerd, heeft op 11 oktober 2017 een mediationgesprek plaatsgevonden. Tijdens dat gesprek bereikten partijen een minnelijke oplossing. De afspraak hield in dat [eiser] zijn studie zou vervolgen op een andere locatie van Zadkine onder begeleiding van [persoon 4] (teamleider aldaar, hierna: [persoon 4]), dat er een stageplaats moest komen en een nieuwe onderwijsovereenkomst. 2.13. Op 23 oktober 2017 is [eiser] stage gaan lopen bij [persoon 5] Seafood. 2.14. Bij e-mail van 25 oktober 2017 heeft [persoon 4] namens Zadkine aan [eiser] het volgende medegedeeld: “Tot mijn verbazing komt u ook bij ons uw afspraken niet na. Er zijn met betrekking tot de voortzetting van uw opleiding afspraken gemaakt. Zo heeft u gedurende uw opleiding reeds tweemaal bij [persoon 5] Seafood stage gelopen en is de afspraak dat u voor deze BPV periode stage zou gaan lopen bij een ander geaccrediteerd stagebedrijf. U heeft echter gewoon weer een registratieformulier ingeleverd voor [persoon 5] Seafood. Wij hebben u en het stagebedrijf getracht te bellen. Vandaag kregen wij eindelijk contact met het bedrijf maar u was niet bij het bedrijf aanwezig. Zelf neemt u de telefoon niet op. U bent onder strenge voorwaarden weer toegelaten tot de opleiding echter ik zie nu al dat er geen verbetering is in uw gedrag. Gemaakte afspraken met de heer [persoon 3] komt u niet na. Ik heb dan ook besloten uw inschrijving bij ons op de locatie met onmiddellijke ingang te laten ontbinden. Uw originele uitschrijfdatum zal weer geactiveerd worden.” 3 Het geschil 3.1. [eiser] vordert bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, Zadkine te veroordelen om de onderwijsovereenkomst tussen partijen na te leven en [eiser] toe te laten tot het volgen van onderwijs in het derde leerjaar van de opleiding Ondernemer Detailhandel bij Zadkine te Spijkenisse, zich in te zetten om voor [eiser] alsnog in het derde leerjaar een stageplaats te vinden zodat hij zijn opleiding kan afmaken in het derde jaar, op straffe van een dwangsom en met veroordeling van Zadkine in de kosten van het geding. 3.2. Zadkine voert verweer. 3.3. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan. 4 De beoordeling 4.1. Het spoedeisend belang van [eiser] vloeit voort uit de aard van zijn vordering en is overigens niet betwist door Zadkine. 4.2. Als uitgangspunt geldt dat partijen een onderwijsovereenkomst in de zin van artikel 8.1.3. WEB hebben gesloten, waarop de algemene voorwaarden en het Studentenstatuut van Zadkine van toepassing zijn. In dit geheel van afspraken zijn de rechten en verplichtingen van partijen vastgelegd, waaronder de voorwaarden en de procedure tot verwijdering van een student. Bij de beoordeling van het besluit van Zadkine om [eiser] te verwijderen van de opleiding, komt aan de voorzieningenrechter slechts een marginale toetsing toe, dat wil zeggen dat alleen kan worden beoordeeld of de voor de besluitvorming geldende regels juist zijn toegepast en of Zadkine in redelijkheid tot haar besluit heeft kunnen komen. 4.3. [eiser] heeft aangevoerd dat Zadkine haar eigen procedure niet in acht heeft genomen, doordat zij het besluit heeft genomen zonder enige onderbouwing, geen aangetekende brieven heeft verzonden en [eiser] niet heeft gehoord over de voorgenomen verwijdering. Daarover wordt het volgende overwog [eiser] heeft niet betwist dat hij heeft geweigerd het lokaal te verlaten nadat hij door de docent was weggestuurd, dat hij twee keer de handtekening van een docent op het blokrooster heeft vervalst en dat hij regelmatig afwezig was zonder de verzuimprocedure te hebben gevolgd. Voorts blijkt uit het dossier van [eiser] en de waarschuwingsbrieven van 19 mei en 14 juni 2017 dat hij vaker (mondeling en schriftelijk) is aangesproken op zijn respectloze gedrag en houding jegens de docenten en zijn veelvuldige, ongeoorloofde afwezigheid. Zadkine is derhalve niet over één nacht ijs gegaan. Het besluit tot verwijdering is pas genomen nadat [eiser] zijn gedrag, ondanks meerdere waarschuwingen, niet heeft willen verbeteren. Niet onbegrijpelijk is dat Zadkine, alles bij elkaar genomen, de gedragingen van [eiser] heeft gekwalificeerd als ernstig wangedrag. Aldus is sprake van een weloverwogen beslissing. Een belangenafweging leidt niet tot een ander oordeel. Het standpunt van [eiser] dat de maatregel een disproportionele sanctie is voor zijn gedrag, wordt niet gevolgd. Dat [eiser] door de maatregel het laatste jaar niet kan doorlopen, is inherent aan de maatregel. Het belang van [eiser] om zijn opleiding af te maken weegt, gelet op het aanhoudende karakter van zijn overtredingen en de ernst ervan, niet op tegen het belang van Zadkine om ernstig wangedrag onder studenten tegen te gaan. Daarbij wordt nog in aanmerking genomen dat Zadkine, conform haar zorgplicht, [eiser] heeft aangemeld bij het Plusteam voor uitstroombegeleiding. Dit houdt in dat een team van zorgcoördinatoren en loopbaanbegeleiders met de student afspraken maakt om hem naar een andere opleiding of andere instelling te begeleiden. 4.5. De conclusie is dan ook dat Zadkine niet onzorgvuldig jegens [eiser] heeft gehandeld en in juli 2017 in redelijkheid tot haar besluit tot verwijdering van [eiser] heeft kunnen komen. 4.6. Na dat besluit hebben partijen in oktober 2017 een mediationtraject gevolgd, dat heeft geleid tot bepaalde afspraken. Die afspraken hielden in dat [eiser] zijn opleiding zou vervolgen op een andere locatie van Zadkine en onder begeleiding van een andere teamleider, dat er een stageplaats moest komen en een nieuwe onderwijsovereenkomst. Zadkine zou zorg dragen voor het opstellen van een nieuwe onderwijsovereenkomst en in de tussentijd zou [eiser] op zoek gaan naar een stageplaats. Voordat de nieuwe onderwijsovereenkomst kon worden getekend, heeft Zadkine evenwel besloten de inschrijving bij de nieuwe locatie onmiddellijk te beëindigen, omdat [eiser] een afspraak zou hebben geschonden. Ter beoordeling staat of Zadkine onder die omstandigheden zo had mogen handelen. 4.7. [eiser] stelt zich op het standpunt dat er sprake is van een overeenkomst die niet zonder meer ontbonden kan worden. Op grond van artikel 3.5 van de algemene voorwaarden heeft Zadkine een zorplicht om [eiser] te helpen bij het vinden van een stageplaats. Afgesproken is dat partijen zich gezamenlijk zouden inspannen om een stageplaats te vinden. Die hulp heeft [eiser] niet gekregen. Het is te verstrekkend om bij het eerste misverstand opnieuw de stekker er uit te trekken. Bovendien had Zadkine bij dit besluit tot verwijdering de procedure van het Studentenstatuut moeten volgen, aldus [eiser]. 4.8. Geoordeeld wordt als volgt. Aan de afspraken uit het mediationtraject moest nog uitvoering worden gegeven, onder meer door het vinden van een stageplaats en het sluiten van een nieuwe onderwijsovereenkomst. Tijdens het mediationgesprek was al aan [eiser] duidelijk gemaakt – zo heeft hij ook ter zitting bevestigd – dat hij bij het vinden van een stageplek niet nog een keer stage mocht lopen bij [persoon 5] Seafood (hierna: [persoon 5]), omdat hij bij die visboer al twee keer eerder stage had gelopen. Door dat uiteindelijk toch te doen, heeft [eiser] in strijd gehandeld met de gemaakte afspraak. De vraag of Zadkine [eiser] begeleiding had moeten bieden bij het vinden van een stageplaats, is niet relevant