Rechtspraak Rechtbank Rotterdam 2017-12-06
ECLI:NL:RBROT:2017:9754
vonnis RECHTBANK ROTTERDAM Team haven en handel zaaknummer / rolnummer: C/10/491118 / HA ZA 15-1255 Vonnis in verzet van 6 december 2017 in de zaak van de stichting STICHTING GEMEENSCHAP ESSALAM MOSKEE , gevestigd te Rotterdam, eiseres, gedaagde in het verzet, advocaat mr. J.H. van Deuren te Rotterdam, tegen de stichting STICHTING MOSKEE ESSALAM , gevestigd te Rotterdam, gedaagde, eiseres in het verzet, advocaat mr. J.C. Debije te Rotterdam. Partijen zullen hierna SGEM en de Stichting genoemd worden. 1 De procedure 1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit: het tussenvonnis van 25 mei 2016 en de daarin genoemde processtukken; de bij B-formulier van 29 augustus 2016 overgelegde notulen van de bestuursvergadering van 18 september 1998 van de Stichting; het proces-verbaal van getuigenverhoor van 12 september 2016; het proces-verbaal van getuigenverhoor van 10 januari 2017; de conclusie na enquête van SGEM, met producties; de antwoordconclusie na enquête van de Stichting; de akte uitlating volmacht en procedurele totstandkomingsvoorschriften van SGEM; de brief van de rechtbank van 20 juli 2017 waarbij het pleidooiverzoek van de Stichting is afgewezen. 1.2. Ten slotte is vonnis bepaald. 2. De verdere beoordeling 2.1. Bij tussenvonnis van 25 mei 2016 (hierna: het tussenvonnis) heeft de rechtbank SGEM opgedragen te bewijzen dat de besluiten tot statutenwijziging in 1998 en 2005 niet zijn genomen conform de vereisten voor geldigheid als vermeld in artikel 14 (eerste statuten) respectievelijk artikel 15 (tweede statuten). Ter voldoening aan deze opdracht heeft SGEM [getuige 1] (hierna [getuige 1] ), [getuige 2] (hierna: [getuige 2] ) en [getuige 3] (hierna: [getuige 3] ) als getuigen doen horen. De Stichting heeft afgezien van het doen horen van getuigen aan haar zijde. Zij heeft bij conclusie na enquête onder meer betoogd dat eerst geoordeeld moet worden over de ontvankelijkheid van SGEM alvorens kan worden onderzocht of SGEM geslaagd is aan de aan haar gegeven bewijsopdracht. ontvankelijkheid van SGEM 2.2. De Stichting heeft aangevoerd dat in het tussenvonnis geen bindende eindbeslissing is gegeven over de ontvankelijkheid van SGEM. Zij heeft (opnieuw) aangevoerd dat SGEM niet kwalificeert als een stichting als bedoeld in artikel 305a Rv én niet is voldaan aan het vereiste van voorafgaand overleg. In het geval deze bezwaren niet in de weg staan aan de ontvankelijkheid van SGEM, staat daaraan in de visie van de Stichting wel in de weg dat de personen wier belangen SGEM stelt te behartigen geen jegens de Stichting af te dwingen subjectief recht hebben noch betrokken zijn bij enige rechtsverhouding met de Stichting; de moskeegangers zijn buitenstaanders. Daarnaast is SGEM in de visie van de Stichting geen bij de rechtsverhouding onmiddellijk betrokken persoon. 2.3. De rechtbank ziet in hetgeen door de Stichting naar voren is gebracht over de vraag of 1) SGEM kwalificeert als een stichting als bedoeld in artikel 3:305a lid 1 BW en 2) of SGEM voldoende heeft getracht voorafgaand overleg met de Stichting te voeren, geen aanleiding haar overwegingen ten aanzien van de ontvankelijkheid van SGEM in het tussenvonnis onder 4.10 en 4.12 te herzien. In het bijzonder wordt overwogen dat een stichting in de zin van artikel 3:305a BW niet alleen vermogensrechtelijke belangen van haar achterban kan behartigen, maar ook ideële belangen, of in de woorden van de Stichting "emotionele belangen" (zie: HR 9 april 2010, ECLI:NL:HR:2010:BK4549). De ideële belangen van de achterban van SGEM zijn verwoord in haar statuten. 2.4. De rechtbank ziet evenmin aanleiding terug te komen op haar overwegingen in het tussenvonnis onder 4.13 omtrent de vraag of SGEM - kort gezegd - een bij de rechtsverhouding onmiddellijk betrokken persoon is, welke voorwaarde artikel 3:302 BW stelt aan het uitspreken van een verklaring voor recht. De Stichting heeft daarover nog aangevoerd dat de vraag of iemand voldoende belang heeft bij een beroep op nietigheid van een besluit, los Hij heeft meegedeeld dat de door hem ondertekende bij dagvaarding (als productie 7) overgelegde notulen niet juist zijn, waaronder de vermelding dat hij, [persoon] en [getuige 3] bij die - niet gehouden - vergadering op de bouwplaats aanwezig waren. [getuige 3] heeft bevestigd dat hij in 2005 niet bij een vergadering op de bouwplaats aanwezig is geweest. Hij was niet op de hoogte van een dergelijke vergadering, hij was ernstig ziek in die periode. Hij heeft voorts verklaard dat hij niet op de hoogte was van een voornemen om de statuten te wijzigen. 2.7. Uit de verklaringen van de getuigen volgt dat het bestuur in 1998 niet schriftelijk in vergadering bijeen is geroepen en dat er geen speciale vergadering is belegd waar alle bestuursleden aanwezig waren om een besluit te nemen over wijziging van de statuten. Uit die verklaringen volgt voorts dat dat in 2005 evenmin is gebeurd. De Stichting heeft de door de getuigen geschetste gang van zaken niet bestreden en heeft zich niet langer op het standpunt gesteld dat de bestuursvergadering van 5 december 2005 een tweede vergadering betrof als bedoeld in artikel 15 lid 2 van de tweede statuten. De conclusie is dat SGEM erin is geslaagd te bewijzen dat de besluiten tot statutenwijziging in 1998 en 2005 niet zijn genomen conform alle vereisten als vermeld in artikel 14 (eerste statuten) respectievelijk artikel 15 (tweede statuten). 2.8. De vervolgens te beantwoorden vraag is of de hiervoor geschetste gang van zaken de geldigheid van de bestuursbesluiten aantast en moet leiden tot nietigheid van die besluiten. Zoals in het tussenvonnis onder 4.15 is overwogen, zijn de besluiten nietig indien geen vergadering is gehouden en de vereiste meerderheid niet is verkregen. De Stichting heeft daarover betoogd dat uit de afgelegde getuigenverklaringen hooguit kan worden afgeleid dat niet is voldaan aan de procedurele totstandkomingsvoorschriften van artikel 14 (eerste statuten) en artikel 15 (tweede statuten), maar niet dat de besluiten niet voldoen aan het ook in die artikelen vastgelegde geldigheidsvereiste van steun van twee/derde van de bestuursleden. In de visie van de Stichting volgt uit de verklaring van de getuigen [getuige 1] en [getuige 3] - volgens de Stichting inhoudende dat zij alles wat [getuige 2] deed "wel best" vonden - dat zij [getuige 2] feitelijk een volmacht hebben gegeven om bestuursbesluiten te nemen. Daarom zijn de bestuursbesluiten tot wijziging van de statuten in de visie van de Stichting niet nietig, maar zouden deze hooguit vernietigbaar kunnen zijn. 2.9. Dat [getuige 1] en [getuige 3] een volmacht aan [getuige 2] hebben verleend én dat [getuige 2] deze vervolgens heeft gebruikt om namens hen in hun naam te stemmen over een bestuursbesluit tot wijziging van de statuten, is niet uit de afgelegde getuigenverklaringen af te leiden. [getuige 1] heeft een verklaring afgelegd inhoudende dat [getuige 2] en [getuige 3] namens het bestuur handelden en [getuige 3] heeft verklaard dat [getuige 2] de baas was. Voor zover daaruit al zou zijn op te maken dat zij een volmacht aan [getuige 2] hebben verleend, is uit de verklaring van [getuige 2] niet af te leiden dat hij gebruik heeft gemaakt van die volmachten. [getuige 2] heeft juist verklaard dat hij zijn medebestuurders en de "deelnemers" niet heeft geïnformeerd om niet het risico te lopen dat er mensen tegen zouden zijn. Het handelen van [getuige 2] in flagrante strijd met de statuten kan achteraf niet worden uitgelegd als handelen door [getuige 2] op basis van een impliciet door zijn medebestuurders aan hem verleende (blanco) volmacht. Er is nimmer een volmacht gevraagd of verleend, noch is er door [getuige 2] als gevolmachtigde gehandeld. Het aannemen van een impliciet aan [getuige 2] verleende volmacht zou bovendien in strijd zijn met het wezen van collegiaal bestuur zoals dat ook in de oorspronkelijke statuten van de Stichting is vastgelegd. De statuten hebben juist de strekking de Stichting bescherming te bieden tegen het risic De foundation heeft de procedure tot wijziging echter geheel en al aan [getuige 2] - die niet bij uitstek deskundig moet worden geacht - overgelaten. Evident is dat door de thans vastgestelde nietigheden een complexe situatie ontstaat. Deze kan echter niet worden "opgelost" door te handelen als ware van nietigheid geen sprake. De oorspronkelijke statuten dien(d)en reële belangen van de Stichting, en van al degenen die vanaf de aanvang bij de Stichting of bij de activiteiten die door de Stichting werden uitgeoefend waren betrokken (en dat mogelijk nog zijn). Die door de statuten beschermde belangen dienen te worden gerespecteerd. Tegelijkertijd heeft ook de foundation te respecteren belangen. Het zou niet onverstandig zijn om te trachten buiten rechte oplossingen te vinden die zoveel mogelijk recht doen aan de te respecteren belangen van alle betrokkenen. De rechtbank heeft eerder in deze procedure aan partijen voorgehouden dat het wellicht een goed idee zou zijn om te trachten door middel van mediation te komen tot breed gedragen oplossingen voor de bestaande problemen. Dat lijkt de rechtbank nog immer een verstandige route. Immers, met dit vonnis zijn de praktische problemen nog allerminst opgelost. Wat daar verder ook van zij, het in deze procedure gedane beroep op de beperkende werking van de redelijkheid en billijkheid slaagt niet. 2.14. Gelet op het voorgaande is de primaire vordering - weergegeven in het tussenvonnis onder 3.1 sub 1 - dat voor recht wordt verklaard dat de bestuursbesluiten tot wijziging van de eerste, respectievelijk de tweede statuten van de Stichting voor zover deze zien op de besluiten tot aanpassing van de statuten, toewijsbaar. Het verstekvonnis zal in zoverre worden bekrachtigd, met dien verstande dat de uitvoerbaarheid bij voorraad slechts betrekking heeft op de veroordelingen en niet op de verklaringen voor recht, zodat de uitvoerbaarverklaring bij voorraad in zoverre alsnog zal worden afgewezen. 2.15. Het voorgaande leidt ertoe dat de (subsidiaire) vordering tot vernietiging van de bestuursbesluiten geen bespreking behoeft, zodat het verweer van de Stichting dat de bevoegdheid om vernietiging te vorderen op grond van artikel 2:15 lid 5 BW is vervallen evenmin bespreking behoeft. de notariële akten van 1998 en 2005 2.16. SGEM heeft voorts gevorderd dat voor recht wordt verklaard dat de akten van 22 oktober 1998 en 16 december 2005 - waarin de tekst van de tweede en derde statuten zijn opgenomen - nietig zijn, althans dat de rechtbank die akten vernietigt. Meer subsidiair heeft SGEM gevorderd dat de Stichting wordt veroordeeld tot wijziging van de statuten, met dien verstande dat de tekst en inhoud in overeenstemming wordt gebracht met de eerste statuten. 2.17. Nu de statuten niet rechtsgeldig zijn gewijzigd, hebben de notariële akten met betrekking tot die wijzigingen in zoverre geen betekenis meer. Dat betekent echter niet dat de notariële akten als zodanig nietig of vernietigbaar zijn. Het ligt in de rede dat thans een bestuur zal worden samengesteld in overeenstemming met de tekst van de eerste statuten. Het is vervolgens aan dat bestuur om eventueel noodzakelijke of gewenste besluiten met betrekking tot (aanpassing van) de statuten en de correcte vastlegging daarvan - mede met het oog op de kenbaarheid voor derden - te nemen. De vorderingen van SGEM met betrekking tot de notariële akten zullen derhalve alsnog worden afgewezen. 2.18. De Stichting zal als de grotendeels in het ongelijk te stellen partij in de proceskosten worden veroordeeld. Onder handhaving van de proceskostenveroordeling in het verstekvonnis, zal de Stichting tevens worden veroordeeld in de kosten die SGEM heeft gemaakt nadat het verstekvonnis is gewezen. Deze worden begroot op € 1.582,00 (3,5 punten × tarief € 452,00) aan salaris advocaat. 2.19. Duidelijkheidshalve zullen de te bekrachtigen onderdelen van het verstekvonnis onder de beslissing worden aangehaald. 3 De beslissing De rechtbank 3.1. bekrachtigt het door deze rech