Rechtspraak Rechtbank Rotterdam 2017-12-08
ECLI:NL:RBROT:2017:9742
Rechtbank Rotterdam Team straf 1 Parketnummer: 10/810339-17 Datum uitspraak: 8 december 2017 Tegenspraak Vonnis van de rechtbank Rotterdam, meervoudige kamer voor strafzaken, in de zaak tegen de verdachte: [naam verdachte] , geboren te [geboorteplaats verdachte] op [geboortedatum verdachte] , ingeschreven in de basisregistratie personen op het adres [adres verdachte] , [woonplaats verdachte] , ten tijde van het onderzoek op de terechtzitting preventief gedetineerd in de Penitentiaire inrichting Rotterdam, locatie Hoogvliet, raadsman mr. P.M. Iwema, advocaat te Rotterdam. 1 Onderzoek op de terechtzitting Gelet is op het onderzoek op de terechtzitting van 24 november 2017. 2 Tenlastelegging De verdachte wordt onder feit 1 verdacht van een diefstal met geweld op 11 juni 2017 op de Ceintuurbaan in Rotterdam, onder feit 2 van het op 26 juli 2017 in voorraad hebben van een grote hoeveelheid geneesmiddelen waarvoor geen handelsvergunning geldt en onder feit 3 van het opzettelijk aanwezig hebben van ruim 3 kilogram hennep op 26 juli 2017. De tekst van de tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht. 3 Eis officier van justitie De officier van justitie mr. E. Loppé heeft gevorderd: vrijspraak van het onder feit 3 ten laste gelegde; bewezenverklaring van het onder feit 1 en 2 ten laste gelegde; veroordeling van de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 21 maanden met aftrek van voorarrest, waarvan 6 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaar en als bijzondere voorwaarden een meldplicht, een ambulante behandelverplichting bij het Dok en een contactverbod met [naam slachtoffer 1] en [naam] , welk contactverbod gecontroleerd dient te worden met een elektronisch controlemiddel; dadelijke uitvoerbaarheid van voornoemde bijzondere voorwaarden. 4 Geldigheid dagvaarding feit 2 4.1. Standpunt verdediging De verdediging heeft bepleit dat de dagvaarding - wat het onder 2 ten laste gelegde feit betreft - nietig is, omdat in de tenlastelegging niet staat wat nu precies strafbaar is en hoeveel geneesmiddelen de verdachte wel in voorraad had mogen hebben. Het is niet duidelijk waartegen verweer dient te worden gevoerd. 4.2. Beoordeling Artikel 261 van het Wetboek van Strafvordering eist dat de tenlastelegging een voldoende duidelijke, concrete en feitelijke omschrijving bevat van het verwijt dat verdachte wordt gemaakt. Het moet immers aan de hand van die omschrijving voor verdachte begrijpelijk zijn waarvan hij wordt beschuldigd en waartegen hij zijn verdediging moet richten. De tenlastelegging is geformuleerd conform de strafbepaling van artikel 40 lid 2 van de Geneesmiddelenwet en is naar het oordeel van de rechtbank voldoende duidelijk, concreet en feitelijk. Uit de tenlastelegging volgt immers dat de verdacht wordt verdacht van het in voorraad hebben van geneesmiddelen waarvoor geen handelsvergunning geldt. In de tenlastelegging is bovendien vermeld om welke geneesmiddelen en welke hoeveelheden het gaat. Het moet de verdediging op grond daarvan voldoende duidelijk zijn waartegen verweer dient te worden gevoerd. De rechtbank verwerpt daarom het verweer. 4.3. Conclusie De dagvaarding is geldig. 5 Ontvankelijkheid officier van justitie feit 2 5.1. Standpunt verdediging Aangevoerd is dat het openbaar ministerie niet ontvankelijk dient te worden verklaard in de vervolging van de verdachte voor feit 2. Bij een eerdere huiszoeking in de woning van de verdachte in april 2017 waren de geneesmiddelen al zichtbaar aanwezig, maar de politie heeft daar toen geen gevolgen aan verbonden. De politie had de verdachte toen moeten melden dat de hoeveelheid geneesmiddelen die hij in huis had, een probleem kon gaan opleveren. 5.2. Beoordeling De door de verdediging gestelde omstandigheid, dat niet bij een eerdere doorzoeking door de politie gemeld is dat de hoeveelheid geneesmiddelen die de verdachte in huis had een probleem kon gaan opleveren, levert – wat er verder ook zij van de juistheid van die stelling – geen ernstige inbreuk op Het strafbaar gestelde “in voorraad hebben” ziet op het bezit van een hoeveelheid geneesmiddelen om die vervolgens te verkopen, af te leveren, ter hand te stellen of in te voeren. In ieder geval moet het gaan om een voorraad die wordt aangehouden met het oog op handelingen in het economisch verkeer. De verdachte heeft ter zitting verklaard dat hij in de loop der jaren heel wat geneesmiddelen op internet heeft besteld voor zijn gezondheidsproblemen en dat vrijwel alle aangetroffen geneesmiddelen voor eigen gebruik waren. Deze verklaring wordt ondersteund door de omstandigheid dat de verpakkingen van de aangetroffen geneesmiddelen deels aangebroken waren, dat een deel van de medicijnen uit de aangebroken verpakkingen gebruikt was en dat een deel van de geneesmiddelen over de geldigheidsdatum was. De rechtbank heeft geen aanwijzingen in het dossier aangetroffen die erop wijzen dat de verdachte de geneesmiddelen in huis had met het oog op handelingen in het economische verkeer. Ook de officier van justitie gaat daar overigens in haar requisitoir niet van uit. Er kan dan ook niet worden bewezen dat de verdachte de geneesmiddelen in voorraad heeft gehad als bedoeld in artikel 40 lid 2 van de Geneesmiddelenwet. 6.2.4. Conclusie Het onder 1 en 2 ten laste gelegde is niet wettig en overtuigend bewezen. De verdachte wordt daarvan vrijgesproken. 7 Vordering benadeelde partij Als benadeelde partij heeft zich in het geding gevoegd: [naam benadeelde] ter zake van het onder 1 ten laste gelegde feit. De benadeelde partij vordert een vergoeding van € 4.477,21 aan materiële schade en een vergoeding van € 5.000,- aan immateriële schade. De benadeelde partij zal in de vordering niet-ontvankelijk worden verklaard, nu aan de verdachte geen straf of maatregel is opgelegd en artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht geen toepassing heeft gevonden. Nu de vordering van de benadeelde partij niet-ontvankelijk zal worden verklaard, zal de benadeelde partij worden veroordeeld in de kosten door de verdachte ter verdediging van de vordering gemaakt, welke kosten tot op heden worden begroot op nihil. 8 Bijlagen De in dit vonnis genoemde bijlage maakt deel uit van dit vonnis. 9 Beslissing De rechtbank: verklaart de dagvaarding geldig; verklaart de officier van justitie ontvankelijk in de vervolging; verklaart niet bewezen, dat de verdachte de onder 1, 2 en 3 ten laste gelegde feiten heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij; verklaart de benadeelde partij niet-ontvankelijk in de vordering; veroordeelt de benadeelde partij in de kosten door de verdachte ter verdediging tegen de vordering gemaakt, en begroot deze kosten op nihil. Dit vonnis is gewezen door: mr. E.M. Havik, voorzitter, en mrs. L. Amperse en G.A.J.M. van Vugt, rechters, in tegenwoordigheid van mr. L. van Hemert, griffier, en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank op 8 december 2017. De jongste rechter is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen. Bijlage Tekst tenlastelegging Aan de verdachte wordt ten laste gelegd dat 1. hij op of omstreeks 11 juni 2017 te Rotterdam, op of aan de openbare weg, te weten de Ceintuurbaan, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening heeft weggenomen een tas (met daarin onder andere een laptop [merk Apple] en/of een geldgedrag van [ongeveer] 430 euro en/of vier, althans één of meer, telefoon[s] en/of telefoonladers en/of een tablet [merk Samsung] en/of een harde schijf en/of een powerbank en/of sleutels en/of één of meer SSD-kaartje[s]), in elk geval enig(e) goed(eren), geheel of ten dele toebehorende aan [naam slachtoffer 1] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s), welke diefstal werd voorafgegaan en/of vergezeld en/of gevolgd van geweld en/of bedreiging met geweld tegen die [naam slachtoffer 1] , gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en/of gemakkelijk te maken en/of om bij betrapping op heterdaad aan